Mirjam Bikker: "Eenzame positie klokkenluiders verdient versterking"

Mirjam Bikker - Foto: Rufus de Vries/ChristenUniedinsdag 09 februari 2016 17:45

Vandaag - 9 februari - debatteert de Eerste Kamer over het initiatiefvoorstel Wet Huis voor klokkenluiders. Hier kunt u kennis nemen van de bijdrage van Mirjam Bikker.

Voorzitter, allereerst mijn complimenten aan de indieners van dit in de Tweede Kamer breed ondersteunde wetsvoorstel. De opmerkingen van de Eerste Kamer bij de eerste editie van het wetsvoorstel zijn met een constructieve geest opgepakt. Dat resulteert in een wetsvoorstel dat naar de mening van mijn fractie een goede verbetering betekent. Mijn fractie acht die inzet ook nodig. Want helaas is in de afgelopen jaren telkens opnieuw gebleken dat organisaties kunnen corrumperen. Ook de overheid heeft in dat opzicht geen schoon blazoen. Ik denk aan de ernstige bevindingen bij de NZa (Nederlandse Zorgautoriteit) en een van de medewerkers die daardoor helemaal in de knel zat. Wie dergelijke geschiedenissen leest, verwondert zich over het gebrek aan reflectie binnen een organisatie en huivert bij de positie die een klokkenluider dan heeft. Moeizame jaren vallen hem ten deel en zelfs als de misstanden met succes aan de kaak zijn gesteld, is het individuele leed meestal niet voorbij. Het is daarom dat de fractie van de ChristenUnie zeer in kan stemmen met de doelstelling van dit wetsvoorstel: het versterken van de eenzame positie van klokkenluiders.

Nu is in de ideale situatie zo’n steunpunt niet nodig. Bedrijven, overheid en non-profit-organisaties zouden hun structuur en cultuur zo op orde moeten hebben, dat reflectie en kritiek welkom is, dat mensen zich veilig weten om hun beklag te doen. Waar alle betrokkenen op een gezonde manier hun verantwoordelijkheid nemen. Zodat de fase van klokkenluiden nooit bereikt wordt. Het wetsvoorstel voorziet daarom in een vast te stellen procedure door iedere werkgever met meer dan 50 werkzame personen. Mijn fractie vindt die interne regeling belangrijk en heeft er een aantal vragen bij. Hoe wordt voorkomen dat deze procedure zich vooral beperkt tot voldoen aan de letter van de wet, zonder reflectie op de cultuur binnen een organisatie? Is deze procedure vooral wat is aanbevolen qua preventie door alle betrokken instanties die al veel ervaring hebben opgedaan, zoals de Expertgroep Klokkenluiders en het Adviespunt?

Dan over de grens van 50 personen, die is gebaseerd op de Wet op de Ondernemingsraden. Echter deze wet voorziet bijvoorbeeld ook in een  gezamenlijke ondernemingsraad indien een werkgever twee of meer ondernemingen heeft die tezamen optellen tot meer dan 50 werkzame personen. Hoe overwegen de indieners dat gegeven? En deze wet rekent slechts bij uitzondering de flexibele schil van zzp’ers, payroll en andere flexwerkers mee als bij het bedrijf werkzame personen. Is er contact geweest met werkgevers- en vakorganisaties voor een modelprocedure voor kleinere instanties of branches? Graag een beschouwing van de indieners op dit punt.

Wat betreft de flexibele schil van werkzame personen geven de indieners in antwoord op vragen van mijn fractie aan dat ze het werknemerbegrip baseren op de huidige stand van zaken in het Burgerlijk Wetboek en ten aanzien van de ambtenaar naar de Ambtenarenwet. Dat is natuurlijk te billijken, echter het heeft gevolgen voor de rechtsbescherming van de verschillende categorieën van werknemers. Dit aspect zou nadrukkelijk onderdeel moeten worden van een toekomstige evaluatie van de wet, zo antwoordden zij. Ik vraag hen, wanneer vinden ze die evaluatie wenselijk? En ik vraag aan de adviseur van deze Kamer, de Minister van Binnenlandse Zaken, om op de positie van de flexibele schil te reflecteren in het licht van de Aanbeveling voor de bescherming van klokkenluiders van het Comité van Ministers van de Raad van Europa en dan met name artikel 4. Denkt hij dat dit wetsvoorstel die Aanbeveling voldoende ondervangt? 

Dan over het Huis zelf. Waar het vorige debat nog constitutioneel van karakter was, hebben de indieners nu voor een vormgeving middels een zelfstandig bestuursorgaan gekozen. Er zijn een aantal afwijkingen van de Kaderwet ZBO’s in dit wetsvoorstel opgenomen die de Minister van Binnenlandse Zaken alleen bevoegdheden geeft ten aanzien van het financieel beheer en de administratieve organisatie. De indieners bevestigen de visie van de Raad van State dat verantwoording over het gevoerde beleid richting Tweede Kamer zal moeten gaan. Ik vraag hen te verhelderen hoe ze deze beleidsmatige verantwoording voldoende geborgd achten. In antwoord op vragen van mijn fractie spreken zij over het jaarverslag en rapportages. Het jaarverslag is wettelijk vereiste, maar wat bedoelen zij met rapportages en hoe zien zij de rol van de Tweede Kamer verder voor zich?

De inrichting van het Huis kent een scherpe scheiding tussen de afdeling advies en de afdeling onderzoek. Alleen de voorzitter gaat over beide, maar is van geen van beide lid. In de beantwoording wordt duidelijk dat hij of zij inderdaad bij beide afdelingen een taak heeft. Praktisch gezien kan dat soms toch ingewikkeld worden. Daarom wat verhelderende vragen. Tot de Memorie van Antwoord aan deze Kamer begreep ik dat de voorzitter op casusniveau geen bemoeienis zal hebben. Maar op blz. 5 van de Memorie van Antwoord wordt wel geschetst dat de voorzitter zonodig aanschuift bij een overleg van de afdeling advies over een individuele casus. Wat is het nu? Want stel de voorzitter heeft eerst bijvoorbeeld bemoeienis gehad met het verbeteren van de kwaliteit van advisering  in een bepaalde casus en deze casus leidt later tot een groot onderzoek met veel publiciteit. Opnieuw zal naar de voorzitter als boegbeeld van de organisatie gekeken worden om daarover te spreken. Mag dat dan? Of is dit opnieuw het casusniveau waar de voorzitter geen bemoeienis mee heeft? Maar hoe kan hij of zij dan boegbeeld zijn? Hoe rijmen de indieners dit? Mijn fractie heeft zorgen over de werkbaarheid van deze oplossing.

Er zijn verder  ten hoogste 4 leden in het bestuur van het Huis en een nadere verdeling over de afdeling advies en onderzoek moet door het Huis zelf bepaald worden. Ook een verdeling van drie leden in de ene en een in de andere afdeling is mogelijk. Hoe worden in dat geval  kwaliteit, interne checks and balances geborgd? En hoe wordt voorkomen dat de voorzitter dan toch in de rol van vliegende keep springt als deze verdeling onvoldoende werkt of expertise beperkt is? Graag een toelichting.

Ten aanzien van de onderzoeksfunctie is door velen al verwezen naar de overlap met andere toezichthoudende organen en inspecties. Over de samenwerking moeten afspraken worden gemaakt en wordt gekozen voor protocollen. Bij de Onderzoeksraad voor de Veiligheid is de verhouding tot andere procedures en met name het strafrechtelijk onderzoek nadrukkelijk ingekaderd in de Rijkswet en wel in artikel 69. Waarom is niet voor een vergelijkbare regeling gekozen? Hoe beoordeelt de Minister van Binnenlandse Zaken dit verschil in kaders om te komen tot een goede en kenbare samenwerking? De fractie van de ChristenUnie blijft overigens de mening toegedaan dat bij misstanden allereerst de direct aangewezen toezichthoudende instanties een taak hebben. Onderzoek door het Huis betekent daarmee altijd de uitzondering. Kunnen de indieners dat bevestigen?

Voorzitter, al met al ligt hier een sterk verbeterd wetsvoorstel met de terechte doelstelling om de bescherming van klokkenluiders gestalte te geven en misstanden aan te pakken. De band met de Nationale Ombudsman is terecht doorgesneden en gepoogd is tot een beter onderscheid te komen tussen advisering en onderzoek. Tegelijk heeft mijn fractie nog wel een aantal vragen die zien op de belangrijke doelstelling van preventie en bevorderen van een goede cultuur en op de uitvoerbaarheid van het voorgestelde. Ik zie uit naar de beantwoording van de indieners.

Nieuwsarchief > 2016

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari