Tegen deze achtergrond wil mijn fractie vandaag aandacht vragen voor enkele belangrijke structurele vragen waar Europa op dit moment mee wordt geconfronteerd: (1) de Europese rechtsstaat, die in onze ogen meer bescherming verdient dan op dit moment het geval is; (2) de uitbreiding van de Unie, de relaties met Canada en de gevolgen daarvan voor de invloed en de stabiliteit van de Europese samenwerking; en (3) de weerbaarheid van Nederland en Europa tegen hybride en digitale dreigingen, zoals cyberaanvallen op onze vitale infrastructuur.

1. Bescherming van de rechtsstaat

Allereerst de rechtsstaat. Die krijgt tijdens de toetredingsonderhandelingen met kandidaat-lidstaten terecht veel aandacht. Een land dat de rechtsstaat niet op orde heeft, is een bedreiging voor de stabiliteit van de Europese Unie. Maar sinds eerdere ontwikkelingen in Polen en Hongarije – en inmiddels ook in andere landen – weten we dat het strenge toelatingsbeleid aan de poort onvoldoende is om latere problemen te voorkomen. Niet voor niets pleiten experts er al jaren voor om terugval (backsliding) bij bestaande lidstaten serieuzer en slagvaardiger aan te pakken.1 Recent nog riep de Adviesraad Internationale Vraagstukken in een rapport over EU-uitbreiding op tot versterking van het rechtsstaatinstrumentarium in bestaande lidstaten.2 In de kabinetsreactie op het advies dat afgelopen week verscheen, leest mijn fractie dat de minister deze zorgen deelt. In een non-paper stelt Nederland voor in de toetredingsverdragen een non-regressiemaatregel op te nemen die regressie op eerbiediging van EU-waarden na toetreding verbiedt en daar financiële rechtsstaatinstrumenten aan te verbinden. Mijn fractie is daar blij mee.

De minister schrijft ook dat hij wil verkennen of een tijdelijke afwijking van art. 7 VEU politiek wenselijk en juridisch mogelijk is. Kan hij erop ingaan wat hij hier precies voor ogen heeft? Inmiddels presenteert de Europese Commissie weliswaar een jaarlijks Verslag over de rechtsstaat. Maar in de praktijk blijkt een vinger aan de pols niet voldoende.

2. Uitbreiding van de Europese Unie

Dan de uitbreiding van de Europese Unie. Mijn fractie houdt vast aan de Kopenhagencriteria, maar vindt het ook belangrijk om te benadrukken dat toetreding geen eenzijdig proces is. Het vraagt van de Europese Unie dat zij zich voorbereidt op verdere uitbreiding. Daarbij denkt mijn fractie niet alleen aan de structuur van de Unie, bijvoorbeeld aan inperking van het vetorecht op bepaalde gebieden en een maximumaantal Eurocommissarissen. Mijn fractie kijkt daarbij ook naar het uitbreiden van contacten met kandidaat-lidstaten, bijvoorbeeld door studenten in de EU te laten studeren en door projecten die gericht zijn op de versterking van het maatschappelijk middenveld in deze landen. Wij menen daarnaast dat het inderdaad verstandig is om Oekraïne en andere kandidaat-lidstaten ‘bij werkwijzen en activiteiten van EU-instellingen, organen en agentschappen’ te betrekken, zoals het kabinet bepleit.

Kan de minister toelichten wat het kabinet bedoelt met het behoud van de ‘autonomie’ en ‘integriteit’, die het kabinet als voorwaarden stelt om landen alvast deel te laten nemen aan activiteiten van EU-instellingen? En kan de minister uitleggen hoe Nederland op dit moment investeert in de economie en de samenleving van kandidaat-lidstaten? Acht de minister het mogelijk (of zelfs noodzakelijk) om dit soort investeringen verder uit te breiden, zodat toetreding geen top-downproces is dat plaatsvindt na lange onderhandelingen tussen de Europese Commissie en de kandidaat-lidstaten, maar uiteindelijk ook door de samenleving in deze lidstaten wordt gedragen?

Als het gaat over de structuur van de Europese Unie, ziet de minister dan ruimte om daadwerkelijk af te stappen van veto’s of is dat politiek op dit moment niet haalbaar? Welke rol ziet het kabinet voor de op initiatief van Frankrijk opgerichte Europese Politieke Gemeenschap? En welke mogelijkheden ziet het kabinet om Canada, dat verrassend genoeg inmiddels ook bij ons continent blijkt te horen, bij Europa te betrekken?

3. De weerbaarheid van Europa tegen hybride en digitale oorlogsvoering

In een vorig jaar verschenen boek met de ijzingwekkende titel Als Rusland wint schrijft de Duitse politicoloog Carlo Masala het volgende over de weerbaarheid van ons continent: ‘Een maatschappij die niet beseft dat haar vorm van samenleven door hybride oorlogsvoering wordt bedreigd (…) zal niet de bereidheid ontwikkelen om veerkrachtig of weerbaar te worden.’3

Dat brengt mij bij de digitale weerbaarheid van de Europese Unie. Mijn fractie heeft daarover grote zorgen. Een aantal jaar geleden schreef journalist Huib Modderkolk een boek dat net zo’n confronterende titel heeft als het boek dat ik zojuist aanhaalde: Het is oorlog maar niemand die het ziet.4 Dat boek gaat over de cyberoorlog die achter de schermen al woedt. De verstoringen op het spoor op Prinsjesdag hebben laten zien hoe kwetsbaar onze infrastructuur is. Zoals onlangs in Leipzig bleek, valt Rusland inmiddels ook binnen de Europese Unie routes aan waarmee militair materieel naar Oekraïne wordt gebracht. Kan de minister reflecteren op de maatregelen die nodig zijn in het schaduwgebied tussen oorlog en vrede, waarin wij ons volgens experts bevinden?  Wat is er nodig om onze fysieke én digitale infrastructuur te beschermen tegen aanvallen door andere landen? En kan de minister een inkijkje geven in de verdere stappen die het kabinet zet om Nederland weerbaarder te maken tegen de dreigingen die op dit moment op ons afkomen?