Debatbijdrage Wet toekomst pensioenen

Tweede Kamer zetels.jpg
05 Pieter Grinwis.jpg
Door Pieter Grinwis op 26 februari 2024 om 12:10

Debatbijdrage Wet toekomst pensioenen

Bijdrage Pieter Grinwis, 17 januari 2024

Voorzitter. Allereerst nogmaals de felicitaties aan de collega's Joseph en Vermeer voor hun maidenspeech. Ik vervang vandaag mijn collega Ceder en voer mijn eerste pensioendebat. Eens moet de eerste keer zijn. Toen ik begin 20 was en ging werken, interesseerde pensioen me niet bijster veel. Vertrouwen dat het pensioenstelsel voor jongeren nog iets zou opleveren tegen de tijd dat ze rond hun 70ste met pensioen zouden mogen, was er nauwelijks. Door de doorsneepremie betaalden jongeren vooral mee aan het pensioen van de oudere deelnemers. Tegen de tijd dat de jongeren in een sterk vergrijzende samenleving en flexibiliserende arbeidsmarkt zelf aan de beurt waren voor pensioen, zou de bodem van die pensioenpotten wel in zicht zijn. Maar nu, twintig jaar later, gloort er weer hoop voor ons pensioenstelsel. Het is de polder gelukt om na veel overleg, jarenlang, en gesoebat in 2019 een pensioenakkoord te sluiten. Beide Kamers hebben na een zeer uitgebreide behandeling van de wet met een ruime meerderheid ingestemd met de Wet toekomst pensioenen. Een betekenisvol feit, ook na de dag van gisteren, me dunkt.

Terug naar het pensioenstelsel zelf. Het oude stelsel leidt tot verwachtingen die niet werden waargemaakt. De hoge mate van zekerheid die het suggereerde, was er in de praktijk niet en zouden pensioenfondsen ook in de toekomst niet kunnen waarmaken. Veel pensioenen zijn jarenlang niet geïndexeerd. Bovendien was het voor mensen niet duidelijk wat het verband was tussen wat ze aan premie inlegden en wat ze uiteindelijk aan pensioen zouden krijgen. Het nieuwe pensioenstelsel is op veel punten een verbetering ten opzichte van het oude stelsel. De doorsneesystematiek wordt vervangen. Dit betekent een einde aan herverdeling van jong naar oud maar ook van praktisch geschoolden naar theoretisch geschoolden. Hiermee samenhangend, bouwen jongere werknemers meer pensioen op voor een gelijke premie. Je bent dus geen dief meer van je pensioen als je na twintig jaar loondienst besluit om ondernemer te worden, want iedereen krijgt straks een pensioen dat past bij de ingelegde premie. Het nabestaandenpensioen wordt eerlijker en rechtvaardiger — ik ben overigens wel benieuwd naar de antwoorden op de vragen van de heer Flach hierover — en gepensioneerde werknemers krijgen weer zicht op pensioenen die sneller geïndexeerd kunnen worden. De afgelopen jaren is daarop al vooruitgegrepen met soms forse indexaties die onder het oude stelsel niet mogelijk zouden zijn geweest. Dat gaat om indexaties die het totaal maximaal mogelijke nadeel van invaren stevig overtreffen. Zo zit het toch, is mijn vraag aan de minister. Die jaar op jaar indexaties in combinatie met de koopkrachtbesluitvorming in augustus overtreffen toch met enige regelmaat in positieve zin het maximaal mogelijke nadeel van invaren van 5% op het kapitaal, het vermogen?

Niet dat het nu allemaal koek en ei is. Het is niet perfect, zoals collega Flach al zei. Nog steeds is er in Nederland een probleem, bijvoorbeeld met lange financiële balansen, en een issue met besteedbare inkomens in het spitsuur van het leven. Daarin mag je kostbare kinderen opvoeden, moet je de hypotheek verplicht aflossen en moet je flink inleggen in je pensioenregeling. Hoe kijkt de minister hiertegen aan? Moet er een oplossing worden gevonden in een integratie van wonen en pensioenen? Of moeten we meer denken aan een oplossing in het fiscale woondomein? Schaf bijvoorbeeld de 100% aflosverplichting af en maak daar bijvoorbeeld 50% van. Of bied de mogelijkheid van een aflospauze, zeker in het spitsuur van het leven en met wat kinderen. Dek dit alles dan financieel door een verdere versobering van de hypotheekrenteaftrek, om maar eens een apolitiek voorstel te doen.

Ergo, het nieuwe pensioenstelsel lost niet alle problemen op, maar feit is wel dat de Wet toekomst pensioenen tot een beter pensioenstelsel leidt dan het oude stelsel. Cruciaal is dat solidariteit en collectiviteit de uitgangspunten blijven. Het pensioen is een levenslange uitkering, ook al word je 100 jaar oud. Deze solidariteit tussen generaties is een groot goed en moeten we wat mij betreft niet in de waagschaal stellen met voorstellen voor referenda, waarbij vooral het individuele belang leidend is. Sociale partners komen samen tot een transitieplan, waarin de belangen van alle deelnemers moeten worden gewogen. Ik zou ook niet de politicus willen zijn die nu aan sociale partners, die bijvoorbeeld deze week het transitieplan van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn hebben ingediend bij het pensioenfonds, zou moeten vertellen dat hun zorgvuldig en democratisch verlopen proces gedwarsboomd gaat worden door een referendum. Via het hoorrecht hebben de verenigingen van gepensioneerden, door tegenstanders van het nieuwe pensioenstelsel veelal als "slachtoffer" betiteld, nota bene ingestemd met het transitieplan. Met zo'n voorstel wijzigen we dus lopende de transitiefase, lopende het spel, de spelregels. Dat is met recht geen betrouwbaar bestuur te noemen. Laten we dat dus onbetrouwbaar bestuur noemen.

Voorzitter. Laten we niet vergeten dat er bij de totstandkoming van deze wet niet over één nacht ijs is gegaan. Het pensioenakkoord is omgezet in wetgeving die zeer uitgebreid is behandeld in beide Kamers van de Staten-Generaal. In deze Kamer was de behandeling zelfs artikelsgewijs, een unicum dat decennialang niet was toegepast in dit huis. De sociale partners, pensioenfondsen en -uitvoerders en toezichthouders zitten nu volop in de implementatiefase. Daarover heb ik een vraag aan de minister. In de brief van de minister van 21 december wordt helder beschreven wat de stand van zaken is van die implementatie. Mijn conclusie na het lezen van die brief was dat het voortvarend verloopt. Daarom de vraag of de minister, bijvoorbeeld in de eerste voortgangsmonitor, die de Kamer voor de zomer krijgt, bereid is om grondig te onderbouwen waarom het nodig is om nu al de transitieperiode met een jaar te verlengen, zoals in de Eerste Kamer is besproken. Is zij bereid om in die voortgangsmonitor nader te onderbouwen waarom dat wel of niet mogelijk is? En hoe gaat het met die implementatie? We moeten immers niet een nodeloos lange transitieperiode hanteren.

Ondanks alle inzet en waarborgen blijft een reële zorg hoe we ervoor gaan zorgen dat meer mensen substantieel gaan deelnemen aan het nieuwe pensioenstelsel. Hoe zorgen we dat zzp'ers hun pensioen niet proberen te regelen door huizen op te kopen maar door mee te doen aan het pensioenfonds? Hoe maken we het de kleine werkgevers gemakkelijker om een pensioenregeling aan te bieden aan die paar medewerkers die ze hebben?

Dat was mijn totslotvraag.

Labels: