Vandaag behandelen we 3 wetten die op dit moment eigenlijk al achterhaald zijn. Enkele jaren geleden was het de bedoeling van minister Faber om deze wetten met een kunstgreep met grote snelheid buiten het Parlement om in te voeren. Ze riep een crisis uit en het noodrecht zou van toepassing zijn. Gelukkig wist de Eerste Kamer dit te voorkomen.

Deze wetten lopen deels vooruit op de invoering van het Europese Asiel- en Migratiepact. De vorige minister had zo’n haast dat ze daar niet op kon wachten.  In 2024 konden we ons daar misschien nog iets bij voorstellen, maar nu, in april 2026, zien wij de noodzaak van het invoeren van deze wetten niet meer. Over nog geen twee maanden moet het Europese pact geïmplementeerd zijn. Kan de minister uitleggen waarom deze wetten nu moeten worden behandeld, terwijl we over een paar weken de implementatiewet van het pact gaan bespreken? Waarom heeft de minister deze wetten niet ingetrokken wegens inmiddels overbodig?

Mijn fractie houdt deze wetsvoorstellen vandaag tegen het licht van de proportionaliteit, doelmatigheid en uitvoerbaarheid. Anders gezegd: gaan deze wetten doen wat ze beloven, namelijk de rust in de asielketen terugbrengen? En zijn ze uitvoerbaar?

In de memories van toelichting bij beide wetten leest mijn fractie dat deze wetsvoorstellen maatregelen bevatten die als doel hebben om de asielinstroom te verlagen. Als eerste merk ik op dat de  ‘enorme instroom’ waarover de memorie van toelichting bij de Wet invoering tweestatusstelsel spreekt, door de feiten wordt genuanceerd. Vanaf 2023 was het aantal eerste asielaanvragen per hoofd van de bevolking in Nederland lager dan het EU-gemiddelde en lager dan de aantallen in onze buurlanden België en Duitsland.[1] Het is dus niet zo dat Nederland een hogere instroom heeft dan onze buurlanden of de Europese Unie als geheel, zoals vaak wordt gesuggereerd. Kan de minister daarop reageren?

Mijn fractie betwijfelt of de maatregelen die in deze wetsvoorstellen worden voorgenomen inderdaad zullen bijdragen aan een lagere instroom. De leidende gedachte achter veel van deze maatregelen is dat Nederland minder aantrekkelijk moet worden voor asielzoekers. Maar onderzoek laat zien dat asielzoekers het liefst kiezen voor een land waar familie of landgenoten wonen. Dat maakt een land aantrekkelijk, niet de geldende regels. Daarbij, in de schriftelijke voorbereiding van dit debat erkende de minister dat de asielinstroom ‘in belangrijke mate afhankelijk is van internationale en geopolitieke ontwikkelingen’.[2] Zweden, dat door de minister meerdere keren als voorbeeld wordt gebruikt, heeft de instroom weliswaar kunnen verlagen, maar de regering kan niet onderbouwen welke maatregelen daaraan hebben bijgedragen. Waarop baseert de minister de overtuiging dat deze wetsvoorstellen de instroom van asielzoekers zullen verlagen?

De invoering van een tweestatusstelsel

In het coalitieakkoord van dit kabinet is afgesproken dat de ‘ambitie blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen’. Deze wetsvoorstellen – en dat geldt ook voor de implementatiewet bij het Migratiepact – bevatten echter nieuwe koppen op Europees beleid. Daarbij denkt mijn fractie in dit bestak vooral aan het tweestatusstelsel. Want hier voegt het kabinet een stevige kop toe aan de Europese regelgeving. De regering heeft bij herhaling gezegd dat het Migratiepact vereist dat er een tweestatusstelsel wordt ingevoerd, waarin vluchtelingen anders worden behandeld dan subsidiair beschermden. Na schriftelijke vragen van mijn fractie, bleek dit een halve waarheid te zijn. Het is immers niet verplicht om beide statussen verschillend te behandelen. De situatie zoals die nu in Nederland bestaat, komt daarmee al dichtbij de situatie die het Pact voorschrijft.

Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om een tweestatusstelsel te introduceren volgens de minimumnormen van het Pact, met inhoudelijk geen of zo min mogelijk onderscheid?  Het is immers de verwachting dat veel vreemdelingen die een status als subsidiair beschermde krijgen in beroep zullen gaan om de vluchtelingenstatus te krijgen. Begrijpelijk, want deze subsidiaire status betekent voor hen in vergelijking met een vluchtelingenstatus een schrijnende extra beperking van de mogelijkheid tot gezinshereniging. Deze beroepszaken zullen een grote druk op de uitvoering leggen. De IND gaat er zelfs bij een ‘laag scenario’ al vanuit dat 75% van de subsidiair beschermden in beroep gaat, blijkt uit de uitvoeringstoets. Kan de minister hierop reageren?

Het Belgische Grondwettelijke Hof heeft recent prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Belgische hof vraagt zich af of grote verschillen in de voorwaarden voor gezinshereniging tussen vluchtelingen en mensen met subsidiaire bescherming verenigbaar zijn met het Unierecht. Kan de regering toezeggen om, zoals de Commissie Meijers de Eerste Kamer heeft geadviseerd, de bepalingen over het tweestatusstelsel in elk geval niet eerder in werking te laten treden dan drie maanden na de beantwoording van deze prejudiciële vragen door het Hof van Justitie?[3]

De beperking van gezinshereniging en nareis

Of je nu een A-status of een B-status krijgt, gezinshereniging wordt met deze wetsvoorstellen alleen mogelijk voor het zogenaamde ‘kerngezin’. Mijn fractie vindt dat moeilijk te begrijpen. Een statushouder die een relatie heeft die in het land van herkomst niet wordt erkend – bijvoorbeeld omdat daar op homoseksualiteit strenge straffen staan – en daardoor simpelweg nooit heeft kúnnen trouwen, moet volgens het kabinet dan maar op grond van artikel 8 van het EVRM om gezinshereniging vragen. ‘Gezinsherenigingsaanvragen op grond van artikel 8 EVRM’, zo antwoordde de minister op een schriftelijke vraag van mijn fractie, ‘zijn in de regel complexe en tijdsintensieve aanvragen, ook omdat de beslissing op dit soort aanvragen een individuele belangenafweging vergt waarvoor geen vastomlijnd toetsingskader geldt.’ Met andere woorden: mensen die in hun thuisland gediscrimineerd en mogelijk vervolgd werden vanwege hun seksuele voorkeur, worden geconfronteerd met een procedure die zwaarder is dan die voor heteroseksuele personen – en dat terwijl we eerder deze maand 25 jaar homohuwelijk vierden.

Dat het ‘kerngezin’ de vereiste internationaalrechtelijke minimumnorm is, kan toch geen argument zijn, gezien de samenlevingsvormen die in Nederland gebruikelijk zijn? Waarom heeft het kabinet voor de beperking tot gehuwde partners gekozen nu het gevolg is dat mensen die vanwege wetgeving of sociale stigma’s nooit een huwelijk konden aangaan in een ingewikkeldere en tijdrovendere procedure voor gezinshereniging terechtkomen?

De afschaffing van de rechterlijke dwangsommen en het Unierecht

Bij de behandeling van de Asielnoodmaatregelenwet is het amendement-Diederik van Dijk c.s. aangenomen, waarmee de rechterlijke dwangsommen worden afgeschaft. Naar het oordeel van mijn fractie wordt met dit amendement de oplossing op de verkeerde plaats gezocht: het zou veel beter zijn om in te zetten op snellere behandeling, in plaats van de gevolgen van termijnoverschrijding weg te nemen.

Tijdens de behandeling van dit amendement in de Tweede Kamer heeft de ambtsvoorganger van deze minister opgemerkt dat er ‘enige twijfels zijn over de juridische haalbaarheid’ van dit amendement. Ook sprak hij over ‘risico’s’. Kan de minister toelichten welke juridische risico’s aan dit amendement kleven en hoe hij deze risico’s weegt?

Voor mijn fractie is het de vraag op welke manier een vreemdeling straks nog toegang heeft tot een ‘doeltreffende voorziening in rechte’ (zoals bedoeld in artikel 47 van het EU-Handvest) nu met dit amendement de rechter geen mogelijkheid meer heeft om een uitspraak te doen naleven. De prikkel van de dwangsom is immers afgeschaft. De Raad van State is in een eerdere uitspraak van oordeel dat het ontbreken van deze mogelijkheid in strijd is met het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Kan de minister hier op reageren? 

Strafbaarstelling van illegaliteit

De mogelijke strafbaarheid van het aanbieden van een kopje soep heeft de discussie over de strafbaarstelling van illegaliteit gedomineerd en geleid tot een novelle. Met de novelle is voor mijn fractie de kou niet uit de lucht. In de uitvoeringstoets bij de novelle lezen we: ‘Het is maar zeer de vraag of vreemdelingen die echt niet mee willen werken aan vertrek door deze maatregel alsnog zullen meewerken aan vertrek’. Het lijkt daarmee twijfelachtig of strafbaarstelling een manier is om onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen te bewegen om ons land te verlaten. Daarnaast heeft de VNG  opgemerkt dat de huidige regelgeving wat haar betreft al voldoende is. Mijn fractie ziet in het licht hiervan geen enkele reden om onrechtmatig verblijf strafbaar te stellen. De minister ziet die klaarblijkelijk wel. Kan hij toelichten welke positieve effecten hij verwacht van het strafbaar stellen van onrechtmatig verblijf?

De maatschappelijke gevolgen van dit wetsvoorstel zijn groot. Vele kerkelijk leiders noemen dit wetsvoorstel onbarmhartig. Vanmorgen nog werd hier vlakbij, in de Kloosterkerk, een wake gehouden door de Raad van Kerken. En de bisschop van Den Bosch en de scriba van de Protestantse Kerk in Nederland schreven onlangs in een open brief het volgende: ‘De simpele criminalisering van illegaal verblijf berokkent onnoemlijke en onherstelbare schade aan de levens van heel veel mensen, die in kwetsbare omstandigheden al zoveel leed en tegenslag (hebben) moeten doorstaan.’[4]

Niet iedereen die onrechtmatig in Nederland verblijft, heeft daar zelf schuld aan. Slachtoffers van mensenhandel, arbeidsmigranten die op straat terecht komen, mensen die op één of ander manier tussen wal en schip raken, het is een diverse groep. Kan de minister toelichten waarom het nodig is om hun enkele aanwezigheid strafbaar te stellen?

Uit de memorie van toelichting bij de novelle blijkt dat illegaal verblijf alleen tot een veroordeling kan leiden bij vreemdelingen die wel kunnen, maar niet willen vertrekken en hun vertrek effectief frustreren. Maar deze beperking staat niet in de wet zelf. De brede formulering die nu onderdeel uitmaakt van het wetsvoorstel zal, zo is de vrees bij betrokken organisaties (waaronder de politie), leiden tot terughoudendheid bij ongedocumenteerden om aangifte te doen en tot zorgmijding. Kortom, de strafbaarstelling van illegaliteit zal bij een grote groep – die niet alleen bestaat uit uitgeprocedeerde asielzoekers – leiden tot grote onzekerheid en tot ‘verdwijnen onder de radar’, waardoor er helemaal geen zicht meer is op deze mensen. En zal ertoe leiden dat zij nog meer worden gemarginaliseerd.

Waarom doet de minister zorgmijding, terughoudendheid om aangifte te doen van strafbare feiten en angst om kinderen naar school te sturen af als denkbeeldige gevolgen, terwijl betrokken organisaties daar bij herhaling voor hebben gewaarschuwd? Dit wetsvoorstel loopt de kans te leiden tot draaideurbeleid, waarbij mensen steeds opnieuw veroordeeld worden voor illegaal verblijf, zonder dat zij uiteindelijk Nederland verlaten of uitzetting mogelijk is? Hoe gaat de minister dat voorkomen?

Mijn fractie is bovendien van mening dat de regering duidelijkheid moet verschaffen over de mogelijkheid van burgerarresten. In antwoord op schriftelijke vragen uit deze Kamer heeft de regering weliswaar opgemerkt burgerarresten ‘onwenselijk’ te vinden, maar zij kan de mogelijkheid ervan vanwege de reikwijdte van artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering niet uitsluiten. Mijn fractie zou willen dat daders van een ongeoorloofd burgerarrest in dit kader streng zullen worden aangepakt en bestraft. Kan de minister dit toezeggen. En kan de minister toezeggen dat hij hierover op niet mis te verstane wijze zal communiceren via bijvoorbeeld een voorlichtingscampagne?

Uitvoerbaarheid

Zo goed als alle organisaties die deze wetsvoorstellen moeten gaan uitvoeren hebben de noodklok geluid over de uitvoerbaarheid van deze wetten. Of het nu gaat om de politie, de rechtsspraak of de Dienst Terugkeer & Vertrek: al deze organisaties waarschuwen voor de uitvoeringsgevolgen. De minister berekende in antwoord op een vraag van mijn fractie dat de IND mogelijk 462 fte of zelfs nog meer extra personeel zal moet werven om deze wetswijzigingen uit te voeren.[5] En dat terwijl de regering ook aangeeft dat dit de IND niet op tijd gaat lukken. Het gevolg: de doorlooptijden zullen – in elk geval voorlopig – nog verder oplopen. En dat terwijl het al heel lang duurt voordat er een beslissing wordt genomen.

Daar komt bij dat de IND in de zeer nabije toekomst met een andere grote wetswijziging wordt geconfronteerd, namelijk de invoering van het Europese Migratiepact. Alleen dat al is voor de IND uiterst uitdagend, begrijpt mijn fractie uit brieven van de IND. Zo heeft de IND in een brief gewaarschuwd dat het niet mogelijk is om de wetten die wij vandaag behandelen eerder in werking te laten treden dan het Asiel- en Migratiepact.[6] Hoe kijkt de minister naar de mogelijkheid voor uitvoeringsorganisaties om in korte tijd twee wetswijzigingen – nu deze wetten, straks de implementatiewet – te verwerken? Hoe weegt de minister in dit verband de brief van de IND?

Dan nog een opmerking over het ontbreken van overgangsrecht. Deze wetten zullen, wanneer ze in werking treden direct gevolgen hebben ook in al lopende  procedures. Dat betekent dat vluchtelingen of subsidiair beschermden zich van de ene op de andere dag geconfronteerd zien met zwaardere eisen om hun gezin naar ons land te kunnen halen. Dat is voor mijn fractie strijdig met de rechtszekerheid en een aanslag op het vertrouwensbeginsel. Waarom heeft de minister niet gekozen voor het toekennen van eerbiedigende werking?

Conclusie

Vorig jaar heeft mijn fractie bij de begrotingsbehandelingen gepleit voor solide en meerjarige financiering van de IND en het COA. Het is onbegrijpelijk dat er zoveel geld gaat naar dure tijdelijke huisvesting, terwijl stabiele financiering zoveel goedkoper is en veel meer duidelijkheid biedt. Het is de taak van dit kabinet om de woorden in het coalitieakkoord om te zetten in beleid dat gericht is op rust en duidelijkheid in de asielketen. Want daaraan heeft het de afgelopen jaren voortdurend ontbroken.

Het kabinet zet met deze wetten in op het verminderen van de instroom van asielzoekers, maar pakt  de grote uitdagingen in de opvang en de doorstroming in de asielketen maar mondjesmaat aan.

Naar het oordeel van mijn fractie zijn er vier dingen nodig om de problemen in de asielketen op te lossen:

  • een stabiele financiering van het COA, die een vaste opvangvoorraad mogelijk en noodopvang overbodig maakt;
  • voldoende middelen voor de IND, zodat procedures sneller kunnen worden afgerond;
  • een evenwichtige verdeling van asielzoekers en asielzoekerscentra over Nederland; en
  • een streng beleid tegen overlast gevende vreemdelingen.

Helaas ziet mijn fractie in deze wetsvoorstellen maar weinig dat bijdraagt aan één van deze vier oplossingsrichtingen.

Mijn fractie is niet overtuigd van de effectiviteit van de voorliggende wetsvoorstellen. Wij betwijfelen of ze uiteindelijk zullen leiden tot een vermindering van de instroom of tot rust in de asielketen. Daarnaast hebben wij grote moeite met een aantal elementen in deze wetten. Niet alleen de strafbaarstelling van illegaliteit, ook de sterke beperking van de mogelijkheden tot gezinshereniging stuit ons tegen de borst. Vanuit de christelijke overtuiging van mijn fractie hebben alle mensen, naar Gods beeld geschapen, recht op onze compassie. Ook als ze ongedocumenteerd zijn.

Mijn fractie ziet uit naar de beantwoording door de minister.

 

[1] [migr_asyapp1mp] First-time asylum applicants – per thousand persons (Eurostat)

[2] Eerste Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 704, E (pagina 4)

[3] 070426-CM-brief-verwijzing-BE-gezinshereniging.pdf

[4] Eerste Kamer der Staten-Generaal

[5] Eerste Kamer der Staten-Generaal (pagina 44)

[6] Eerste Kamer der Staten-Generaal