Inburgering

Nederlandse vlag.jpg
Tieneke Huizinga blog portret.jpg Peter Ester blog portret.jpg
Door Tineke Huizinga, Peter Ester op 1 december 2020 om 13:00

Inburgering

Het belang van succesvolle inburgering van migranten is maatschappelijk gezien evident. Het leidt tot een meer ontspannen en inclusieve samenleving. Het beheersen van de Nederlandse taal door migranten, het kennen, respecteren en naleven van onze kernwaarden en het toegang krijgen tot de arbeidsmarkt zijn van grote betekenis voor een succesvolle inburgering. De ChristenUnie-fractie benadrukt het principe van dubbel commitment in het inburgeringsdebat: de nieuwkomer investeert in zijn of haar deelname aan de Nederlandse samenleving en de Nederlandse samenleving investeert in de nieuwkomer.

Geslaagde inburgering weerspiegelt deze tweeslag. Het gaat eigenlijk om een sociaal contract tussen migrant en samenleving: beide bekennen zich tot elkaar en willen daarom in elkaar investeren. Inburgering is het traject waarin deze wederzijdse investeringen worden afgesproken en ingezet. Niet op basis van vrijblijvendheid maar op basis van gedeelde verplichtingen. Dit principe van dubbel commitment is wat de ChristenUnie-fractie betreft een goede invalshoek in het beoordelen van dit wetsvoorstel. Ik kom daar op terug.

Voorzitter, mijn fractie is blij met de omvangrijke consultatie van dit wetsvoorstel. Goed dat dit voorstel breed is uitgezet. Mijn fractie is ook blij met de nieuwe regierol voor gemeenten in het inburgeringstraject. Dat is echt winst. Zij kunnen als geen ander toezien op de balans tussen de investeringen van inburgeraar en samenleving. En krijgen de handvatten als de verhoudingen uit het lood schieten. Zij kunnen maatwerk bieden en schakelijken met lokaal sociaal beleid. Dat zijn grote voordelen. Wij weten ook uit onze bestuurlijke achterban hoezeer gemeenten deze regierol ambiëren. De vraag is natuurlijk wel of zij ook financieel uit te voeten kunnen met het budget om deze nieuwe ambitie te realiseren. Het budget loopt op van een kleine €70 mln volgend jaar tot bijna €200 mln in 2025. Dit als onderdeel van een akkoord met VNG. Dat brengt een zekere rust in dit dossier. Maar Corona zal ook impact hebben op inburgeringstrajecten. Ook daar staat klassikaal onderwijs op de tocht, is het moeilijk stage- en leer-werkplekken te vinden. Dat brengt mijn fractie tot de vraag aan de minister of het inburgeringsbudget ‘coronaproof’ is. 

Dit wetsvoorstel, voorzitter, kent een rigoureuze tweedeling van de doelgroep inburgeraars in statushouders enerzijds en gezinsmigranten en overige migranten anderzijds. Mijn fractie heeft moeite heeft met dit onderscheid. De onderbouwing van deze keuze door de minister maakt een weinig overtuigende indruk. Waarom krijgen gezinsmigranten en overige migranten een uitgekleed inburgeringsaanbod? De minister argumenteert dat hun startpositie wezenlijk verschillend is. Gezinsmigranten en overige migranten hebben vaak een partner met voldoende inkomen. De vraag is natuurlijk in welke mate dit het geval is en uit welke cijfers dit dan blijkt. Is de minister niet veel te optimistisch over de zelfredzaamheid van deze groep migranten? Ook het veld wijst daarop. Graag een reactie. 

Deze tweedeling staat haaks op het principe van dubbel commitment: we vragen van alle migranten een investering in de Nederlandse samenleving en de Nederlandse samenleving investeert in alle migranten. De tweedeling zoals de minister die nu aanbrengt, doorkruist dit principe. De minister betaalt de gemeenten immers niet voor het inburgeringsaanbod aan gezinsmigranten en overige migranten. Deze migranten – de jaarlijkse instroom wordt geraamd op 9.100 – moeten dat zelf bekostigen, zij blijven vallen onder het sociaal leenstelsel. De groep statushouders, met een jaarlijkse instroom van ca. 10.500, krijgt financiering via de gemeenten. Is deze tweedeling, dit tweesporenbeleid, nu wel verstandig, voorzitter? In de beleving van mijn fractie is het beter alle migranten in ons land een inburgeringstraject te bieden. We willen geen eersterangs- en tweederangs inburgeraars. Ook niet vanwege psychologische redenen. De VNG, zo blijkt, is ook zorgelijk op het punt van deze tweedeling. Ook de RvS vraagt hier aandacht voor. De minister moet, kortom, echt aan de bak om de ChristenUnie-fractie op dit punt te overtuigen. 

Afgezien van dit majeure punt, voorzitter, is het inburgeringstraject zelf transparanter geworden. De bijbehorende receptuur is doorspekt met Nederlands managementjargon dat op zich al een onderdompeling in inburgering vormt. Wat zou een inburgeraar van de volgende voorbeeldzin in de Memorie van Toelichting vinden: “Ook de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de MAP en het PVT krijgt een plek in het PIP”.  

De gemeente roept de inburgeraar op voor een breed intakegesprek waarin de leerbaarheidstoets wordt afgenomen en de persoonlijke omstandigheden in kaart worden gebracht. Dit leidt dan tot een PIP: het persoonlijk plan inburgering en participatie. Daarin wordt de leerroute vastgesteld, de vereiste ondersteuning en begeleiding omschreven, de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) ingevoerd en het participatieverklaringstraject (PVT) in gang gezet. Bij de leerroute gaat het dan om de hogere taaleisen die aan inburgeraars wordt gesteld (van A1 naar ten minste B1 niveau), de onderwijsroute en de zelfredzaamheidroute. Het is van groot belang dat we een helder beeld krijgen van de arbeidsmarktcompetenties en -ervaringen van de inburgeraar in het land van herkomst. Mijn fractie dringt er op aan hier gebruik te maken van EVC-beleid: ofwel het codificeren van elders verworven competenties. We moeten daarbij ook oog hebben voor inburgeraars die een verleden hebben als ondernemer. Laten we zien of we hun ervaring en talent op een creatieve manier kunnen ontsluiten. Zie de minister hier mogelijkheden?

De aangescherpte taaleisen op B-1 niveau in het nieuwe inburgeringstraject zijn ambitieus. Maar zonder een goede beheersing van de Nederlandse taal blijft integratie van nieuwkomers een moeilijk verhaal. De nieuwe taaleisen zullen niet zonder slag of stoot door grote groepen inburgeraars gehaald worden. Onder de huidige inburgeringswet haalt maar 2% dit niveau. Hoe voorkomt de minister dat dit hogere taalniveau tot teleurstelling leidt en veel inburgeraars uiteindelijk moeten afschalen? Waarom denkt hij dat dit een realistisch pad is? Hoe monitort de minister de voortgang?

In het nieuwe inburgeringsbeleid is een belangrijke rol weggelegd voor ‘ontzorging’ van de inburgeraar door de verantwoordelijke gemeente in de eerste zes maanden van de bijstandsuitkering. Waaronder het betalen van de huur, zorgverzekering, energie en het regelen van verplichte verzekeringen. De term ‘ontzorging’ is qua therapeutisch beeld wat doorgeschoten, maar de bedoeling erachter past goed in ons principe van dubbel commitment. Is het overigens overwogen om de inburgeraar van meet af aan te leren hoe te budgetteren en hoe de weg te vinden in het woud van regelingen? Hoe vinden we balans tussen ontzorging en zelfredzaamheid?

Uiteindelijk mondt een geslaagd inburgeringstraject uit in de participatieverklaring. Hierin geeft de inburgeraar aan kernwaarden en kernvrijheden van de Nederlandse samenleving te eerbiedigen en gedrag na te laten dat hier haaks op staat. Komt er, mede in het verlengde van de motie-Becker/Segers, een uniforme tekst die alle gemeenten gaan hanteren? Is de minister het met de ChristenUnie-fractie eens om het principe van dubbel commitment leidend te maken in de verklaring? Geeft dat niet een inhoudelijk fundament aan de nieuwe overheidsvisie op inburgering?

Voorzitter, met uitzondering van de rigoureuze tweedeling in de groep inburgeraars is mijn fractie van mening dat deze nieuwe wet een grote verbetering t.o.v. de huidige wet.

Het ontbreken van overgangsrecht is voor mijn fractie daarom wel een probleem, zeker nu de invoering van de nieuwe wet opnieuw met een half jaar is uitgesteld tot 1 januari 2022.  De komende jaren zullen er twee soorten inburgeraars zijn: statushouders die een gratis traject krijgen aangeboden en statushouders die hun inburgering zelf hebben moeten regelen en bekostigen met leningen en schulden als gevolg. Mijn fractie heeft hier moeite mee. Heeft de minister er zicht op hoe groot de groep inburgeraars met schulden is? Is hij bereid om te overwegen de sancties bij het niet halen van de inburgering af te schaffen voor deze groep en hun schulden kwijt te schelden? Zo creëert hij meer gelijkheid tussen beide groepen. Graag een reactie

Voorzitter, in onze nadruk op het belang van wederzijdse commitment van inburgeraar en samenleving gaat het bij dit laatste niet alleen om de overheid maar ook om de samenleving in bredere zin. Daar is nog een wereld te winnen. Er is bepaald geen sprake van een warm maatschappelijk onthaal van inburgeraars. Hoe zorgen we ervoor, zo vraag ik de minister, dat ook hier de psychologie van wederzijds commitment leidend is. Te vaak zien we voorbeelden van discriminatie, onbegrip en intolerantie. Ligt daar, zo vraag ik de collega-woordvoeders, niet een mooie lijn naar de onlangs in de Eerste Kamer breed aangenomen motie rond discriminatie en parlementair onderzoek daarnaar?

Ik gaf al aan, voorzitter, dat de ChristenUnie-fractie de nieuwe regierol van gemeenten van harte steunt. De evaluatie van de bestaande beleidspraktijk is hier helder. Het leidt wel tot een coördinatievraag. Gemeenten komen centraal in de uitvoering te staan maar het Ministerie van SZW behoudt de stelselverantwoordelijkheid. Hoe voorkomen we, zo vraag ik de minister, dat beide verantwoordelijkheidsregimes in elkaar overlopen? Hoe zorgen we voor gemeentelijk inburgeringsbeleid dat redelijk uniform is? Hoe heeft de minister dat geborgd? 

Mijn fractie ziet uit naar de antwoorden van de minister op onze vragen.

Deel dit bericht

Labels: , ,