Bijdrage Joël Voordewind aan AO

dinsdag 01 juli 2008 00:00

<!-- /* Style Definitions */ p.MsoNormal, li.MsoNormal, div.MsoNormal {mso-style-parent:""; margin:0cm; margin-bottom:.0001pt; line-height:150%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; mso-bidi-font-size:10.0pt; font-family:Arial; mso-fareast-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} p.MsoHeader, li.MsoHeader, div.MsoHeader {margin:0cm; margin-bottom:.0001pt; mso-pagination:widow-orphan; tab-stops:center 8.0cm right 16.0cm; font-size:9.0pt; mso-bidi-font-size:10.0pt; font-family:Arial; mso-fareast-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} p.BVKop1, li.BVKop1, div.BVKop1 {mso-style-name:BVKop1; mso-style-next:Standaard; margin:0cm; margin-bottom:.0001pt; line-height:150%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:14.0pt; mso-bidi-font-size:10.0pt; font-family:Arial; mso-fareast-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; font-weight:bold; mso-bidi-font-weight:normal;} p.BVOnderwerpTitel, li.BVOnderwerpTitel, div.BVOnderwerpTitel {mso-style-name:BVOnderwerpTitel; margin:0cm; margin-bottom:.0001pt; line-height:150%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; mso-bidi-font-size:10.0pt; font-family:Arial; mso-fareast-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; font-weight:bold; mso-bidi-font-weight:normal;} p.StandaardVoorblad, li.StandaardVoorblad, div.StandaardVoorblad {mso-style-name:StandaardVoorblad; mso-style-next:Standaard; margin:0cm; margin-bottom:.0001pt; line-height:150%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:10.0pt; font-family:Arial; mso-fareast-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} @page Section1 {size:595.3pt 841.9pt; margin:72.0pt 72.0pt 72.0pt 72.0pt; mso-header-margin:1.0cm; mso-footer-margin:1.0cm; mso-paper-source:0;} div.Section1 {page:Section1;} -->

 

 

<!-- /* Style Definitions */ p.MsoNormal, li.MsoNormal, div.MsoNormal {mso-style-parent:""; margin:0cm; margin-bottom:.0001pt; line-height:150%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; mso-bidi-font-size:10.0pt; font-family:Arial; mso-fareast-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} p.MsoHeader, li.MsoHeader, div.MsoHeader {margin:0cm; margin-bottom:.0001pt; mso-pagination:widow-orphan; tab-stops:center 8.0cm right 16.0cm; font-size:9.0pt; mso-bidi-font-size:10.0pt; font-family:Arial; mso-fareast-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} p.BVKop1, li.BVKop1, div.BVKop1 {mso-style-name:BVKop1; mso-style-next:Standaard; margin:0cm; margin-bottom:.0001pt; line-height:150%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:14.0pt; mso-bidi-font-size:10.0pt; font-family:Arial; mso-fareast-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; font-weight:bold; mso-bidi-font-weight:normal;} p.BVOnderwerpTitel, li.BVOnderwerpTitel, div.BVOnderwerpTitel {mso-style-name:BVOnderwerpTitel; margin:0cm; margin-bottom:.0001pt; line-height:150%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; mso-bidi-font-size:10.0pt; font-family:Arial; mso-fareast-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; font-weight:bold; mso-bidi-font-weight:normal;} p.StandaardVoorblad, li.StandaardVoorblad, div.StandaardVoorblad {mso-style-name:StandaardVoorblad; mso-style-next:Standaard; margin:0cm; margin-bottom:.0001pt; line-height:150%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:10.0pt; font-family:Arial; mso-fareast-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} @page Section1 {size:595.3pt 841.9pt; margin:72.0pt 72.0pt 72.0pt 72.0pt; mso-header-margin:1.0cm; mso-footer-margin:1.0cm; mso-paper-source:0;} div.Section1 {page:Section1;} -->

CONCEPTVERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG OVER:

Verlenging Nederlandse bijdrage Althea

 

(Aan dit verslag kunnen geen rechten worden ontleend)

 

Heeft u gesproken tijdens het algemeen overleg? Dan heeft de Dienst Verslag en Redactie u dit verslag toegezonden. U kunt uiterlijk 4 augustus 2008 te 18.00 uur eventuele correcties doorgeven. Vragen? Neem dan contact op met de Dienst Verslag en Redactie, telefoon (070-318) 2104.

Let op! Neem voor uitstel van de uiterste correctiedatum contact op met de griffier van de desbetreffende commissie.

 

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken <1> en de vaste commissie voor Defensie <2> hebben op 1 juli 2008 overleg gevoerd met minister Verhagen van Buitenlandse Zaken en minister Van Middelkoop van Defensie over:

- de brief van de ministers van Buitenlandse Zaken, van Defensie en voor Ontwikkelingssamenwerking d.d. 25 april 2008 inzake de verlenging van de Nederlandse militaire bijdrage aan de EU-geleide troepenmacht in Bosnië-Herzegovina, operatie “Althea”, met twaalf maanden (29521, nr. 70).

 

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

 

De voorzitter: Dit algemeen overleg gaat over de verlenging van de Nederlandse militaire bijdrage aan de EU-geleide troepenmacht in Bosnië-Herzegovina, operatie Althea. De minister voor Ontwikkelingssamenwerking laat zich verontschuldigen; hij is aanwezig bij de top van de Afrikaanse Unie. Ik heet de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie van harte welkom. Dit algemeen overleg duurt maximaal twee uur; in de eerste termijn hanteer ik per woordvoerder een spreektijd van drie minuten.

 

Mevrouw Van Gennip (CDA): Voorzitter. Ik hoop dat ik ze niet nodig heb. De EUFOR-missie was en is van groot belang voor de veiligheid en stabiliteit van Bosnië zelf, van de Balkan en van heel Europa. De missie dient dan ook het belang van Nederland. De missie heeft sinds 2004 veel vooruitgang geboekt, met name op het gebied van de veiligheid. Het aantal militairen was daardoor al eerder afgebouwd van 6000 naar 2500. Op dit moment is er een gemengd beeld op het politieke en maatschappelijke vlak. De gemeenteraadsverkiezingen in het najaar zullen daarvan een werkelijke toetsing zijn.

Bosnië-Herzegovina heeft de nodige vooruitgang doorgemaakt en EUFOR heeft daaraan een belangrijke bijdrage geleverd. De ondertekening van de SAO op 16 juni, na de brief aan de Kamer, is een belangrijke en grote stap vooruit, voor Bosnië-Herzegovina zelf en voor Europa, evenals de intensified dialogue met de NAVO.

Mijn fractie bekijkt deze verlenging vanuit een positieve grondhouding maar wil er wel van overtuigd blijven dat de inzet van EUFOR en van de 85 Nederlandse functionarissen tot resultaten blijft leiden. Ik stel daarom vijf concrete punten aan de orde. Ten eerste: het kabinet schrijft dat de voortgang van de hervormingen een gemengd beeld geeft. Ik hoor daar graag een nadere appreciatie van, met name over twee zaken. Er moeten aan drie voorwaarden worden voldaan voordat kan worden overgegaan tot volledige terugtrekking. Hoe ver staat het met die voorwaarden? Wat is de verwachting? Hoe apprecieert de minister de politieke stabiliteit in het licht van onafhankelijkheidseisen van Republika Srpska naar aanleiding van de onafhankelijkheid van Kosovo?

Ten tweede: de samenwerking met het ICTY. De CDA-fractie hecht daar zoals bekend zeer aan. Hoe verloopt op dit moment de samenwerking tussen het ICTY en de Bosnische autoriteiten? Op welke manier kan EUFOR hierin een taak vervullen?

Ten derde: de maatschappelijke en politieke hervormingen leiden tot een daadwerkelijk samenleven en samenwerken van verschillende etnische groeperingen. Op welke manier ondersteunt en initieert de Europese Unie inspanningen om die etnische groeperingen dichter bij elkaar te brengen?

Ten vierde: de strijd tegen de georganiseerde misdaad vormt niet alleen in Bosnië-Herzegovina maar in de hele Balkan een immense uitdaging. Op welke manier ondersteunt de EU de verschillende Balkanlanden in de aanpak van de grensoverschrijdende criminaliteit, bijvoorbeeld bij politieopleidingen?

Ten vijfde: zonder een langetermijnperspectief heeft veiligheidsopbouw weinig waarde. Wat is het economisch perspectief van Bosnië-Herzegovina? Welke programma’s zijn er met Bosnië-Herzegovina? Hoe succesvol zijn deze voor dat land en voor de Nederlandse ondernemers?

 

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Onlangs hebben wij op vergelijkbare wijze over de situatie in de Balkan gesproken naar aanleiding van de EU-missie in Kosovo. Wat voor Kosovo gold, geldt in meerdere opzichten ook voor Bosnië. De EU kent een nauwe en langdurige betrokkenheid bij de Balkan-regio en is zeer gediend bij stabiliteit en rust in deze contreien. Hier ligt ook een belangrijk Nederlands belang.

Met de lopende EU-missie in Bosnië wordt goed werk verricht; al is de omvang van de missie danig ingekrompen, de militaire presentie zorgt voor een stabiele omgeving waarbinnen de samenwerking tussen de diverse gremia in het Bosnische staatsbestel goed kan gedijen en de wederopbouw gestalte kan krijgen. Daar moeten wij vooral mee doorgaan. De ingezette hervormingen moeten kunnen beklijven. Te vroeg weggaan zou het opgebouwde werk kunnen verstoren en dan zijn wij verder van huis. Daarbij komt dat de EU-inzet bijdraagt aan het bestrijden van grensoverschrijdende misdaad, illegale migratie en andere ongerechtigheden waar Europa mee kampt. Er worden met deze missie dus ook aanzienlijke eigen belangen gediend.

De Nederlandse verlenging betreft 85 personen. In de brief is geen gewag gemaakt van veiligheidsrisico’s. Het is op zich een goed teken dat daar niet veel aandacht aan besteed hoeft te worden, hoewel het wel een beetje een vast ingrediënt is in de artikel 100-brieven. Ik vraag de ministers daarom om daar nog expliciet op in te gaan.

Mijn laatste vraag is welke consequenties de Kosovo-kwestie op dit moment nog heeft voor de situatie in Bosnië en de politieke omgeving waarin deze missie het werk moet doen.

 

De heer Brinkman (PVV): Voorzitter. Het moge helder zijn dat deze missie verschilt van de missie waarover wij het vorige debat voerden. De PVV-fractie is hierover vorig jaar behoorlijk helder geweest.  De veiligheidssituatie was toen al redelijk goed en is het laatste jaar alleen maar stukken verbeterd. Ook toen zette de PVV-fractie vraagtekens bij het nut van deze missie en die vraagtekens zijn alleen maar groter geworden.

            Mijn fractie heeft toen ingestemd met de missie onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat het de laatste keer zou zijn dat wij militairen naar Bosnië stuurden in het kader van de missie Althea. Ik geef de minister kans om aan te geven waarom de veiligheidssituatie daar het nodig maakt dat wij er nog 85 man naartoe sturen. Als hij dat niet kan uitleggen, dan is mijn fractie tegen deze missie.

 

De heer Poppe (SP): Voorzitter. De ontwikkelingen in Bosnië worden sterk beïnvloed door de politieke ontwikkelingen in Kosovo en de koers van Servië. Dat heeft weer van alles te maken met de interne verhoudingen tussen de entiteiten daar. In dat licht is het begrijpelijk dat de EUFOR-troepenmacht niet verder wordt gereduceerd. Die blijft voorlopig op het huidige niveau gehandhaafd, zo schrijft de minister. Voor de SP-fractie is duidelijk dat de gemeenteraadsverkiezingen in oktober en de ontwikkelingen in Kosovo en Servië maatgevend zijn voor het verder doorvoeren van afspraken van militairen en stabilisatietaken. Ik hoor graag wat de regering van die ontwikkelingen vindt en verwacht en of er informatie is.

            Nederland is inmiddels drie en een half jaar bij de missie betrokken, en het einde is nog niet in zicht. Dat is weliswaar vervelend maar wel een feit. Of ziet de regering wel een reëel in te schatten einddatum van de militaire aanwezigheid van Nederland en EUFOR in het algemeen? Wat is in dat geval de verwachting?

            In de EU is eensluidend gereageerd op de expliciete oproep van generaal McColl om geen troepen terug te trekken. Was dat een aansporing of stond ons standpunt al vast? Ik vraag dit omdat andere landen ook te kennen hebben gegeven dat het allemaal niet te lang moet duren.

            Ik heb nog een paar andere vragen. Op welke wijze zet EUFOR zich in voor het ontmantelen van het ondersteuningsnetwerk van Karadzic? Wat zijn die ondersteuningsnetwerken precies? De LOT, Liaison and Observation Teams, zijn vooral inlichtingendiensten. Op welke manier wordt met de Amerikanen daarin samengewerkt? Zijn die eigenlijk nog wel actief op zoek naar boeven, oorlogsmisdadigers, of wachten ook zij de ontwikkelingen rond Kosovo af? Is het de minister bekend of de militaire deelnemers aan deze missie gedurende de laatste drie jaar problematische ervaringen hebben opgedaan? Ik bedoel dan natuurlijk tussen de oren, PTSS oplopen. Ik ken veel Bosnië-gangers van pakweg tien jaar geleden. De vraag is of er nu ook signalen of meldingen zijn bij het Veteraneninstituut over mogelijke gevallen van posttraumatisch stress syndroom.

            Wat zijn de verdere plannen voor corruptiebestrijding? In de brief worden de oude klachten als illegale houtkap en vrouwenhandel niet meer expliciet genoemd in vergelijking met eerdere brieven. Betekent dat dat de problemen er niet meer zijn of kleiner zijn geworden?

            De SP-fractie spreekt haar waardering uit voor de inspanning van de Nederlandse ambassade in Sarajevo en de faciliteiten die de minister voor Ontwikkelingssamenwerking daarvoor verschaft. Mijn fractie hoopt op continuering van de inzet wat gepaard zou moeten gaan met corruptiebestrijding en het handhaven van uitgangspunten van goed bestuur in Bosnië-Herzegovina.

            Waar hangt het voorgenomen bezoek van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan Srebrenica voor 2010 vanaf? Hij heeft dat toegezegd. Ik weet niet of de regering die vraag namens de minister voor Ontwikkelingssamenwerking kan beantwoorden maar dat hoor ik dan wel.

 

De voorzitter: Niet alleen is de minister voor Ontwikkelingssamenwerking niet aanwezig, maar ook staat het onderwerp Srebrenica niet op de agenda. Alleen de artikel 100-brief over de verlenging van de Althea-missie staat op de agenda. Ik verklaar de laatste vraag dus buiten de orde van de vergadering.

 

Mevrouw Peters (GroenLinks): Voorzitter, ik maak graag een punt van orde. De artikel 100-brief gaat specifiek op dat punt in. Ik vind dat de punten Srebrenica en transitional justice wel degelijk onderdeel uitmaken van het onderwerp van het debat.

 

De voorzitter: Prima. De specifieke vraag over de minister stond echter niet in de brief. Maar goed, wij laten de beantwoording over aan de ministers.

 

De heer Poppe (SP): Dat is een verstandige opmerking van de voorzitter.

 

De voorzitter: Het woord is aan de heer Van Dam.

 

De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter. Sinds 2004 al draagt Nederland bij aan de troepenmacht in Bosnië-Herzegovina die ook vandaag de dag nog nodig is. De etnische spanningen nemen toe, niet in de laatste plaats door de ontwikkelingen rond Kosovo. Wij hebben in 2006 in het debat aangegeven dat de verlenging die op dat moment aan de orde was de laatste zou zijn. Wij zijn daar vorig jaar op teruggekomen vanwege de politieke ontwikkelingen in Bosnië en de noodzaak voor de internationale troepenmacht om daar langer te blijven. Wij zijn evenwel ook akkoord gegaan met verlenging omdat duidelijk sprake was van een afbouwscenario, ook ten aanzien van de Nederlandse aanwezigheid. De situatie is momenteel zo onduidelijk en onzeker dat er geen sprake is van verdere afbouw van de internationale troepenmacht. Ik kan mij dat wel voorstellen, maar ik vraag toch aan de regering wat het perspectief daar verder op is, met name op de verdere afbouw van de Nederlandse bijdrage. Daar hebben wij vorig jaar over gesproken. Die Nederlandse bijdrage zou in stapjes verder naar beneden gaan, maar met deze verlenging wordt het niveau van het afgelopen jaar gewoon gehandhaafd. Ik vraag dit ook omdat in onze ogen niet moet gelden dat bij missies altijd automatisch een jaar eraan wordt geplakt. Ik wil hier graag nu wat meer over horen.

            De tweede vraag die hierbij speelt, is de volgende. Dit is geen heel grote missie maar ook zeker niet een heel kleine. Wij hebben het over een bijdrage van 85 militairen. De minister van Defensie zei vorige week in de Volkskrant in relatie tot Darfur dat hij zorgen heeft over de belasting van de krijgsmacht. De vraag van mijn fractie is dan meteen: hoe valt dat te relateren aan deze missie? Wij gaan hier met 85 man opnieuw een jaar heen. Zouden deze militairen, die naar Bosnië gaan, ook ingezet kunnen worden in Uruzgan, Tjaad of Darfur? Ik zou daar graag duidelijkheid over hebben, hoewel de situatie in Bosnië maakt dat mijn fractie op zich met een positieve grondhouding naar deze missie kijkt.

 

Mevrouw Peters (GroenLinks): Voorzitter. Er lijkt maar moeilijk beweging te komen in de politieke situatie van Bosnië. Er blijft openlijke verdeeldheid tussen de verschillende autoriteiten op verschillende niveaus. Grote stappen voorwaarts zijn te veel gewenst. De aanstaande gemeenteraadsverkiezingen lijken alleen maar reden tot zorg over het toenemen van de etnische spanningen. Die etnische spanningen spelen vooral op het politiedossier een rol; daar gaan mijn vragen ook over. De EU heeft dat Stabilisatie- en associatieakkoord getekend, maar eigenlijk was aan al die voorwaarden voor de politiehervormingen niet helemaal voldaan, zo begrijp ik uit de stukken. De speciale vertegenwoordiger van Bosnië merkte op dat het ook maar de vraag is of daaraan ooit zal worden voldaan, of ooit de gewenste centrale politie-entiteiten die alleen langs lijnen van functionaliteiten over de regio’s zijn verspreid, zullen worden bereikt. Daar zijn grondwetsherzieningen voor nodig; die zijn op de lange termijn geschoven. Hoe realistisch zijn die voorwaarden nog? Ik vraag dit ook in het licht van het feit dat bij Servië heel strikt op de stabilisatie- en associatievoorwaarden is gezeten. Wij moeten geloofwaardig blijven in hoe wij verder dooronderhandelen met Bosnië. Hoe moet dat dus met het politiedossier?

            Bosnië schijnt redelijk goed mee te werken met het Joegoslaviëtribunaal, maar die Karadzic waar wij met smart op zitten te wachten, loopt die nog in Bosnië rond? In hoeverre wordt nagegaan dat die positieve samenwerking goed blijft? Dat is ook belangrijk voor het toenaderingsproces.

Processen van transitional justice zijn naar mijn overtuiging in ieder post-conflictland belangrijk voor de stabilisatie. Srebrenica is daarvan een heel grote casus. Het verheugt mij dat de ministers sowieso als het OS-programma wordt afgebouwd, doorgaan met hulp aan Srebrenica waar dat nodig is. De hamvraag voor mij is evenwel: hoe komt het nou dat ondanks al die hulp, zeker ook van Nederland, dertien jaar na het vredesakkoord toch nog veel van die vrouwen in kampen zitten? Hoe komt het nou dat veel van die hulp kennelijk toch nog niet specifiek bij die vrouwelijke overlevenden terecht komt?

De rechtszaken zijn essentieel voor de Bosnische bevolking om vrede met het verleden te sluiten. Ik vind het betreurenswaardig dat het zo ver heeft moeten komen dat er twee rechtszaken lopen tegen Nederland. Deze zijn ingesteld door Bosniërs. Meestal is er sprake van een patstelling als partijen elkaar voor de rechter treffen. Los van het feit dat de procedure verder niet moet worden afgewacht en de minister van Buitenlandse Zaken daar natuurlijk niet over gaat, ben ik wel benieuwd of er daarnaast, parallel aan de juridische procedures, manieren zijn om partijen dichter bij elkaar te brengen en tot verzoening te komen. Wat doet Nederland daaraan?

Bosnië heeft aan de voet gestaan van alle Balkanoorlogen. Er is een grootscheepse internationale poging ondernomen om Bosnië tot stabilisatie en opbouw te brengen. Mijn fractie wil niet dat dat mislukt, ook al duurt het lang en valt het tegen. Mijn fractie staat dus heel positief tegenover verlenging van deze missie.

 

De heer Van Baalen (VVD): Voorzitter. In het MIVD-jaarverslag over 2007 staat eigenlijk dat de situatie niet zodanig is dat de internationale troepenmacht zich kan terugtrekken. De wezenlijke problemen zijn niet opgelost. Die wezenlijke problemen hebben te maken met de stabiliteit, de politie en de politiek, maar ook met zaken als de drugshandel, mogelijke schuilplaatsen voor terroristen et cetera. Die internationale presentie is dus noodzakelijk. Dan is het van belang om te kijken welke specifieke rol Nederland kan spelen. Nederland heeft ervaring, kent het gebied en wordt vertrouwd. Ik hoor graag van de regering een nadere duiding van de reden dat juist Nederland wederom een bijdrage levert. Ik sta daar open en positief tegenover, ook omdat ik ervan uitga dat het “Uruzgan-proof” is; deze bijdrage is mogelijk. Waarom precies Nederland? Ook de Oost-Europese bondgenoten, zowel binnen de EU als de NAVO, kunnen een bijdrage leveren. Ik hoor dus graag een verduidelijking van de reden dat Nederland wederom aan zet is.

 

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. De EUFOR-missie in Bosnië is niet een alledaags onderwerp in de media maar is wel een heel belangrijke missie. Ik spreek namens mijn fractie dan ook de waardering uit voor de belangrijke bijdrage die de militairen leveren aan het bevorderen van de veiligheid en de stabiliteit in deze regio. Door de toegenomen stabiliteit is de omvang van de EU-troepenmacht in de afgelopen tijd behoorlijk teruggebracht. In de brief ontbreekt echter inzicht in de voortgang van de missie en een duidelijk eindperspectief. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het verloop van de missie en hoe lang blijft de aanwezigheid van de EUFOR in Bosnië-Herzegovina nog noodzakelijk? Ik hoor graag een stand van zaken met betrekking tot de drie voorwaarden waaraan voldaan moet zijn voordat de missie wordt beëindigd. In hoeverre wordt de voortgang van de missie doorkruist door het moeizame verloop van het hervormingsproces als gevolg van de etnische spanningen?

            De ontwikkelingsrelatie met Bosnië-Herzegovina wordt uitgefaseerd. Er zal sprake blijven van een steun aan de Srebrenica gerelateerde projecten. Betekent dit dat het budget op het huidige niveau van 5 mln. euro gehandhaafd wordt?

            Ik sluit mij aan bij de vraag van collega Van Gennip over de grensoverschrijdende criminaliteit en de bestrijding daarvan door de EU. Hoe wordt daar verder vorm aan gegeven, onder andere in de politieopleidingen?

            De hoofdaanklager van het Joegoslaviëtribunaal is tevreden over de medewerking. Ondanks alle hulp die ook de EU en deze missie geven, zijn Karadzic en Mladic echter nog steeds niet opgepakt. Wat is de voortgang op dat gebied?

 

Antwoord van de bewindslieden

 

Minister Verhagen: Voorzitter. Ik dank de leden van de Kamer voor hun inbreng. Ik deel de appreciatie van meerdere leden dat de laatste maanden belangrijke stappen gezet zijn in het hervormingsproces in Bosnië-Herzegovina. Op 10 april is de politiewetgeving aangenomen die belangrijk is voor een aantal instellingen op staatsniveau. Dat is een belangrijke voorwaarde. De voorwaarde was niet  gericht op de implementatie maar op het aannemen van de wetgeving. Uiteraard zal in de verdere voortgang wel op de implementatie worden gelet. In de Stabilisatie- en associatie-overeenkomst is voorzien in fasen en evaluaties van hetgeen men moet waarmaken. De voorwaarden waren, net als bij Servië: samenwerking met het Joegoslaviëtribunaal en aanvaarding van wetgeving tot politiehervorming. Dat is immers van groot belang om überhaupt instellingen op staatsniveau te realiseren. De voorwaarden waren vervuld voor de ondertekening van het Stabilisatie- en associatie-akkoord; dat is op 6 juni jongstleden getekend. In geen van de overleggen is daar ook maar één keer door de Kamer tegen geprotesteerd, integendeel. De Kamer heeft juist bezwaar gemaakt tegen het feit dat het tekenen van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst uitgesteld werd vanwege het feit dat de vertaling nog niet gereed was. De Kamer heeft meerdere maanden de gelegenheid gehad om daar bezwaar tegen te maken, maar zij heeft dat niet gedaan. Het is absoluut duidelijk dat de daadwerkelijke hervorming van politiebevoegdheden op zich laat wachten. Bosnië koppelt daar min of meer de herziening van de grondwet aan vast. Ik ben het met mevrouw Peters eens dat dat op zich een zorgelijke ontwikkeling is wat de implementatie van de SAO in de weg zal staan. Daar moet althans nauwlettend op worden toegezien.

            Er zijn stappen gezet op het punt van defensiehervorming. De voormalige entiteitslegers staan sinds juni 2007 onder één commando. Bosnië-Herzegovina heeft zich coöperatief getoond in relatie tot samenwerking met het ICTY. De hoofdaanklager heeft mij dat ook persoonlijk in een gesprek in maart jongstleden verzekerd. Hij heeft bevestigd dat er wat hem betreft sprake was van een bevredigende samenwerking. Wij kunnen het op dat punt dan weer beter weten dan de openbaar aanklager, maar als iemand weet of er sprake is van een goede en bevredigende samenwerking, dan is het de hoofdaanklager wel die toegang moet hebben tot documenten en die meemaakt hoe autoriteiten daarmee omgaan.

            Er zijn uiteraard zorgen, met name over de wijze waarop binnen de bestaande staatsstructuur wordt samengewerkt tussen entiteiten, met de staatsregering van Bosnië-Herzegovina. In de afgelopen jaren zagen wij op dit punt een zeer nadrukkelijke, felle botsing tussen de high representative en de Republica Srpska. Het is absoluut duidelijk dat zowel de stabiliteit als de veiligheidssituatie ook in het afgelopen jaar om aandacht vraagt, vooral vanwege de mogelijk negatieve effecten in relatie tot de ontwikkelingen in de regio Kosovo. De aanwezigheid van EUFOR in Bosnië-Herzegovina blijft dus van belang voor het behoud van die fragiele stabiliteit en voor het realiseren van een langduriger stabiliteit. EUFOR functioneert overigens ook nog als Over the horizon force voor Kosovo, zoals bekend.

            De heer Voordewind sprak wat negatief over de voortdurende inspanningen van EUFOR en NAVO in relatie tot het oppakken van de nog voortvluchtige verdachten voor het Joegoslaviëtribunaal. Juist die voortdurende inspanningen hebben ertoe geleid dat onlangs Zupljanin is gearresteerd door de Servische autoriteiten. Het gaat dus niet alleen om het element van druk uitoefenen via de voorwaarden op de Servische autoriteiten, maar ook om de voortdurende inspanningen van de verschillende partijen.

            De minister van Defensie zal ingaan op de afbouw van de Nederlandse activiteiten. De heer Voordewind vroeg hoe het staat met de ontwikkelingen rond de veiligheidsstructuren. Hij koppelt daaraan de vraag: waarom nu weer een verlenging? Op centraal overheidsniveau zijn belangrijke structuren opgezet. Legers van separate entiteiten bestaan niet langer. Politiehervorming blijft dus het belangrijkste onderwerp dat eraan komt in relatie tot die veiligheidsstructuur. De Bosnische politiek buigt zich over de vraag welke stappen nodig zijn in die politiehervorming. Dat is al een heel belangrijke reden om door te gaan.

            De minister van Defensie gaat in op de belangrijkste taken die nog niet zijn afgerond, inclusief de vraag waarom het onverstandig is om vanuit Nederland ermee te stoppen, al dan niet eenzijdig.

            Mevrouw Van Gennip en anderen gingen specifiek in op de OS-inspanningen en de economische ontwikkelingen en dergelijke. Nederland heeft in de Westelijke Balkan een in toenemende mate meer gelijkwaardige relatie opgebouwd met een aantal landen in plaats van een donorrelatie. Nederland investeert nog steeds 15 mln. euro via ontwikkelingssamenwerking. De Nederlandse ambassade beheert die gelden en heeft ook een apart programma voor Srebrenica. Een aantal leden vroeg daar ook specifiek naar. De prioriteiten van dat bilaterale OS-programma zijn goed bestuur, mensenrechten, ontwikkeling van de private sector en de terugkeer van vluchtelingen.

            Gelet op de groeiende welvaart en de economische groei van Bosnië-Herzegovina is de inzet van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking gericht op het afbouwen van die partnerrelatie vanaf 2011. De Kamer is daarover in oktober 2007 geïnformeerd. Het is evenwel duidelijk dat ook na de uitfasering van de OS-relatie de Srebrenicagerelateerde activiteiten worden doorgezet. Met de toekomstige integratie van Bosnië-Herzegovina in de Europese structuren ontstaat een andere focus. Nederland zal ook via Matra en verschillende bedrijfsleveninstrumenten specifiek inzetten op die elementen. Dat sluit ook beter op de ontwikkelingen. De private sector gaat dus via het OS-programma, direct gericht op het verbeteren van het investeringsklimaat.

            Mevrouw Van Gennip vroeg ook naar de samenwerking met het ICTY. Ik heb daar iets over gezegd, maar ook hiervoor geldt dat de verdachten van Srebrenica in het kader van transitional justice worden opgepakt.

            De heer Poppe vroeg hoe de dialoog met de Srebrenica-nabestaanden is en of minister Koenders daar nog naartoe gaat. Ten eerste zet de ambassade de dialoog met de nabestaanden onverminderd voort. Zowel met individuen als met vertegenwoordigende organisaties is veelvuldig contact. Aan hen wordt ondersteuning verleend.

            Mevrouw Peters vindt het diep triest dat er rechtszaken tegen Nederland worden aangespannen. Niemand kan het recht ontzegd worden om een rechtszaak aan te spannen. Zolang de rechtszaken lopen, kan ik daar weinig over melden. Waarschijnlijk spreekt de rechtbank zich rond 10 juli uit over de vraag of überhaupt de Nederlandse rechter bevoegd is in een zaak die tegen de Verenigde Naties is aangespannen. In de twee zaken waarin specifiek de Nederlandse Staat gedaagd is, zal op 10 september een uitspraak worden gedaan. Zolang dat loopt, kan ik er weinig over zeggen.

            Mij rest een laatste opmerking over de georganiseerde criminaliteit en de verschillende activiteiten daaromtrent. Op dit punt is een duidelijke link te leggen met de verlenging van de EUFOR-missie. Juist EU PM en EUFOR werken samen in de bestrijding van de georganiseerde misdaad. Die samenwerking verloopt naar wens. De Europese Politie Missie coördineert de steunaanvragen van de lokale politie aan EUFOR. Ook coördineert de Europese Politie Missie het beschikbaar stellen van inlichtingen door EUFOR aan de lokale politie, juist om op dat punt effectief te kunnen optreden ten aanzien van de georganiseerde misdaad. Zij hebben elkaar nodig omdat zij over en weer gebruik maken van ondersteuning en het uitwisselen van inlichtingen.

 

Mevrouw Van Gennip (CDA): Ik stel graag een verhelderende vraag over het grensoverschrijdende aspect daarvan.

 

Minister Verhagen: Juist in een regio waarin de grensoverschrijdende aspecten een rol spelen, is georganiseerde misdaad aan de orde. De georganiseerde misdaad maakt gebruik van de hele regio op alle elementen van mensenhandel, smokkel et cetera. Daar is de samenwerking tussen de Politie Missie en EUFOR van essentieel belang; de lokale politie wordt daarmee in staat gesteld om daar adequaat op te reageren.

 

De heer Poppe (SP): In vorige brieven werden illegale houtkap, vrouwenhandel en dat soort zaken, dus de lokale maffia, mogelijk internationaal opererend, expliciet genoemd. Dat is nu niet het geval. Is daar een reden voor of is daar deze keer even geen aandacht aan besteed? Is de situatie misschien zo verbeterd, ook door lokaal politieoptreden, dat het onderwerp niet meer hoeft te worden genoemd?

 

Minister Verhagen: Juist de Europese Politie Missie en EUFOR werken samen bij de bestrijding hiervan. Dat is ook noodzakelijk. Er is geen aanleiding om op dit punt de aandacht te laten verslappen. Dat is ook niet het geval. In vergelijking met de vorige brief zijn er nieuwe elementen en specifieke besluitvorming aan de orde. Nieuwe ontwikkelingen gaven aanleiding om de brief te formuleren zoals die geformuleerd is.

 

De heer Poppe (SP): Ik kan dit echt niet volgen.

 

Minister Verhagen: Ik herhaal het nog een keer. In de brief worden nieuwe ontwikkelingen beschreven die specifiek aanleiding vormen om de missie te verlengen. De eerdere argumentatie blijft evenwel gewoon overeind. Ik heb dat hier herhaald. Dat is niet om geheimzinnig te doen. Als de georganiseerde misdaad en de mensenhandel de volgende keer nog steeds grote problemen vormen, dan zeg ik toe dat ik het onderwerp in de brief opneem. U moet niet achter iedere komma achterdochtig vermoeden dat wij iets voor u geheim houden.

 

De heer Poppe (SP): Nu doet u erg achterdochtig. Ik stel gewoon een vraag: waarom staat het er niet meer in?

 

De voorzitter: Ik beschouw dit als een mooie, afrondende opmerking in deze discussie. Ik geef het woord aan de minister van Defensie.

 

Minister Van Middelkoop: Voorzitter. Ik voeg met mijn verantwoordelijkheid graag nog wat toe aan de opmerkingen van de minister van Buitenlandse Zaken. Wat doen wij daar? Waarom willen wij nog een jaar blijven? Vooral dat laatste is door verschillende leden aan de orde gesteld, wat voor mij zeer herkenbaar is. Het zwaartepunt van de operatie EUFOR Althea ligt bij de zogenaamde Liaison and Observation Teams, de LOT. Dat zijn teams die informatie vergaren over de veiligheidssituatie en over de sociale, politieke en economische ontwikkelingen in het inzetgebied. Het is als het ware de laatste presentie van onze inzet die ooit begonnen is met de Dayton-akkoorden ergens in de jaren negentig. De Nederlandse bijdrage maakt deel uit van de totale EUFOR-capaciteit die bestaat uit een multinationaal manoeuvrebataljon van ongeveer 800 militairen en twee compagnieën van de integrated police unit. Ik wijs er nog een keer op dat er in totaal 31 landen actief zijn in deze missie, waarvan 24 EU-landen en 7 niet-EU-landen waaronder zelfs landen als Argentinië en Chili, de zogenaamde “non-EU-nations contributing to EUFOR”. Nederland is actief in vier van die LOT-huizen en heeft leiding over het regionaal coördinatiecentrum voor de LOT in noordwest-Bosnië. Daarnaast is Nederland actief in de eerdergenoemde integrated police unit en in het hoofdkwartier van EUFOR-Althea in Sarajevo, met een klein aantal stafofficieren. In totaal levert Nederland nu ongeveer 85 militairen.

            In oktober 2006 is het na de verkiezingen in Bosnië-Herzegovina een stuk rustiger geworden. De veiligheidssituatie is stabieler geworden. Wij praten nu over een afgeslankte missie. Eind 2006, begin 2007 is de Nederlandse presentie teruggegaan van 235 militairen naar de 85 militairen waarover wij nu spreken en waarvan wij een continuering van de missie vragen. Het totaal is van 6000 EUFOR-militairen naar 2500 militairen. De veiligheidssituatie is een stuk stabieler geworden en daaruit vloeit de vraag voort: hoe lang nog? De heer Van der Staaij heeft een vraag gesteld over het veiligheidsrisico, ongetwijfeld met het toetsingskader in zijn achterhoofd. Hij gaf al aan dat het veiligheidsrisico niet zo groot is dat daar veel tekst over geleverd kan worden. De collega van Buitenlandse Zaken heeft daar het nodige over gezegd. De factor van de misdaad is bekend bij onze militairen in het gebied. Ongetwijfeld moeten zij bij sommige contacten voorzichtig danwel argwanend zijn. Misschien moeten zij iets meer dan in Nederland voorzichtig zijn in het verkeer, maar meer kan ik er niet van maken. Er zijn geen bijzondere veiligheidsrisico’s vergelijkbaar met bijvoorbeeld de situatie in Bagdad.

            In de afgelopen periode is het karakter van EUFOR sterk veranderd; de robuuste militaire missie die het ooit was is overgegaan in een operatie die veel meer is gericht op nation building. De LOT functioneren daarin als de ogen en oren van de commandant EUFOR-Althea. Zij verschaffen de zo belangrijke situational awareness, een goede kijk op de situatie.

            Ik kom op het punt dat door collega Verhagen voor een deel al behandeld is, namelijk het moment van het mogelijkerwijs stoppen van de missie. De operationeel commandant generaal McColl heeft de EU-landen inderdaad opgeroepen om de troepen niet voortijdig terug te trekken. Ook Solana, de hoge vertegenwoordiger, heeft die oproep gedaan. Op een van de RAZEB-bijeenkomsten heb ik zelf ook het onderwerp van de beëindiging aan de orde gesteld, als ik het mij goed herinner zelfs mede als een soort echo van een vorig debat waarin kritische opmerkingen door de heer Van Dam werden gemaakt. Ik herkende die en vond die legitiem. De heer Van Dam zelf zei nu dat er geen sprake is van afbouw. De stelligheid van die uitspraak is nog iets te matigen. Zoals gezegd zijn wij al met een afgeslankte missie bezig. In de laatste RAZEB van 26 mei waar ik het onderwerp ook heb opgevoerd, is mij gemeld dat de commandant van EUFOR-Althea bezig is met het ontwikkelen van scenario’s voor een mogelijke, verdere gefaseerde verkleining van de missie. Ik zeg niet dat dat gebeurt maar de voorbereidingen worden wel getroffen. Als wij op een volgend moment tot de conclusie komen dat het allemaal nog wat minder kan, dan zijn de plannen daarvoor beschikbaar. Daarbij is te denken aan het afnemen in aantal van 2500 naar 500 militairen of halvering van de LOT-huizen.

            Ik ben blij met de vraag over de relatie tussen deze missie en de belangrijkste missie waar wij momenteel deel van uitmaken, die in Afghanistan. Eigenlijk is de vraag omgekeerd al aan de orde geweest. Toen wij spraken over de artikel 100-brief bij de verlenging, heb ik uitgelegd dat wij op dat moment met andere missies al bezig waren en dat die konden worden voortgezet. Ik heb daarbij ook gezegd dat daarnaast nog een enkele kleine missie mogelijk zou zijn maar dat het daarna zou ophouden. Ik kijk naar de heer Van Baalen die zich de heftigheid, of politieke indringendheid, van dat debat waarschijnlijk wel herinnert. Een voorbeeld in dit verband is de zojuist beëindigde missie in de buurt van Somalië; het verslag van die missie zal de commissie, op verzoek van de heer Irrgang, een dezer dagen bereiken. Een ander voorbeeld is de missie in Tjaad. Ook dat is een qua omvang bescheiden missie. Gevraagd is of deze militairen eventueel kunnen worden ingezet in Uruzgan. Op het punt van de capaciteit is dat ongetwijfeld mogelijk, maar er is geen sprake van concurrentie. Voor Tjaad geldt hetzelfde, met dien verstande dat bij Tjaad voor mariniers is gekozen. Wellicht zijn de militairen die nu in Bosnië gelegerd zijn daar echter ook voor geschikt, maar het is niet aan de orde.

            De heer Van Dam refereerde aan een artikel in de Volkskrant van enige tijd geleden. Wij kunnen ons natuurlijk verschuilen achter het feit dat noch de geïnterviewde noch de journalist verantwoordelijk is voor de kop van het artikel, die iets brisanter was dan ik mij had voorgenomen. Tijdens mijn laatste reis naar Afrika heb ik inderdaad indringend over deze situatie gesproken. Wij hebben nog altijd geen besluit genomen, en gelukkig maar. Ik ben ervan overtuigd dat het verstandig is om het niet te doen, om aan de VN te melden: vergeet het maar. Wij denken nog steeds na, zoeken nog steeds naar mogelijkheden. Is er concurrentie met deze missie? Ik denk het helemaal niet. Het verzoek dat er lag, ligt en voorlopig nog zal liggen, betreft het zeehospitaal. Dat is in Bosnië niet aan de orde. De heer Van Dam kan er verzekerd van zijn dat wij ook heel serieus met het andere verzoek van de VN omgaan. Mocht hij de indruk hebben dat ik het op deze manier wegzet, dan is dat onterecht want daar is geen sprake van.

 

De voorzitter: Ik geef het woord in tweede termijn aan mevrouw Van Gennip. Ik deel mee dat er nog een derde termijn komt waarin de woordvoerders al dan niet instemming kunnen verlenen met het verlengen van deze missie.

 

Nadere gedachtewisseling

 

Mevrouw Van Gennip (CDA): Voorzitter. Ik maak een opmerking en ik stel een vraag die nog is blijven liggen. Ik neem aan dat met de laatste woorden van de minister van Defensie niet op een verkapte manier een artikel 100-procedure zijn ingegaan.

 

Minister Verhagen: Wij hebben de Kamer een brief gestuurd waarin stond dat de mogelijkheid van eventuele deelname werd onderzocht. Dat is nog steeds de stand van zaken.

 

De voorzitter: Ik constateer als voorzitter dat wij, conform de afspraken die  in de commissie-Bakker destijds zijn gemaakt, in de notificatieprocedure zitten waarin wij geen vragen stellen danwel mededelingen doen over deze procedure. Het onderwerp betreft Bosnië.

 

Mevrouw Van Gennip (CDA): Dat geldt dus ook voor de minister.

 

De voorzitter: Ja, maar als de minister iets wil zeggen, dan mag hij dat doen.

 

Mevrouw Van Gennip (CDA): Ik heb expliciet een vraag gesteld over de drie voorwaarden waaraan de regering zelf refereert in de brief, voordat er verder afgebouwd kan worden. De minister van Defensie is zojuist ingegaan op die derde voorwaarde, namelijk of de militaire leiding nog behoefte heeft aan ondersteuning. Met betrekking tot de eerste twee hoor ik een specifieke appreciatie van hoe ver wij daarmee zijn.

 

Minister Van Middelkoop: Kan dat even herhaald worden?

 

Mevrouw Van Gennip (CDA): Ik lees de voorwaarden voor die in uw eigen brief staan. Ten eerste moet sprake zijn van duurzame stabiliteit. Dat wil zeggen dat alle militaire en stabilisatietaken moeten zijn voltooid. Ten tweede moeten de veiligheidsstructuren zijn opgezet en functioneren. Ten derde heeft de hoge vertegenwoordiger geen behoefte meer aan militaire ondersteuning. Ik heb in eerste termijn expliciet gevraagd om op elk van deze drie voorwaarden aan te geven hoe ver het ermee staat zodat er een bepaalde inschatting mogelijk is van hoe het gaat en van wanneer een eventuele verdere afbouw aan de orde kan zijn. Op de derde voorwaarde bent u uitgebreid ingegaan. Ik heb geen antwoord gekregen op de vraag waar wij ongeveer zitten in het proces in relatie tot de voorwaarden die u zelf hebt gesteld in uw eigen brief.

 

De voorzitter: U stelt uw vragen en in tweede termijn zal de regering deze vragen beantwoorden.

 

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de regering voor de beantwoording in eerste termijn. Ik heb inderdaad een vraag gesteld over de Srebrenica-gerelateerde projecten. Ik begrijp van de minister dat die door worden gezet, ook al wordt de OS-relatie afgebouwd. Mijn vraag is of dat op het huidige niveau van 5 mln. wordt doorgezet of dat het uiteindelijk minder wordt.

 

De heer Brinkman (PVV): Voorzitter. Ik heb geluisterd naar woorden over extreem verslechterde veiligheidssituaties. Ik heb daarnaar gevraagd maar ik heb daar niets over gehoord. Ik hoor minister Verhagen spreken over een fragiele stabiliteit. Dan denk ik: daar is ook in België sprake van. Ik hoor de minister van Defensie zeggen: meer stabiel, afgeslankte missie en geen bijzondere veiligheidsrisico’s. Er is dus geen verandering gekomen in het standpunt dat ik in eerste termijn heb aangegeven. Mijn fractie zal de missie dus niet steunen.

 

De voorzitter: Dat kunt u straks in derde termijn ook nog een keer zeggen.

 

De heer Poppe (SP): Voorzitter. Ik heb een aantal vragen gesteld waarop tussen een heleboel regels door misschien antwoord is gekomen, maar wat niet echt tot mijn brein is doorgedrongen. De bijdrage aan de LOT bestaat uit 85 mensen die zich met veel bezig moeten houden: boeven vangen en lokaliseren, politie helpen en ondersteuningsnetwerken onderzoeken van oude oorlogsmisdadigers die nog vrij rondlopen. Als dat niet gebeurt, zal er vanuit de bevolking minder energie los komen om het allemaal wat beter te maken. Zolang Europa niet in staat is om de oude oorlogsmisdadigers op te pakken, wat toch eigenlijk wel verwacht wordt, en de georganiseerde misdaad kan welen en tieren, wordt de stabiliteit onder het gewone volk niet bevorderd. Daar heb ik vragen over gesteld waar ik eigenlijk geen antwoord heb gekregen. Zijn die ondersteuningsnetwerken van Karadzic bekend? Wat zijn dat nou precies? Zijn die 85 mensen in staat om zodanig resultaten te boeken dat zij ook concreet gemeld kunnen worden hier? Nu spreekt de regering van samenwerking, ook met de politie, en over dat de georganiseerde misdaad wel wordt bestreden en dat er politiewetgeving is aangenomen. Dat zijn allemaal positieve dingen. Over de effecten waar gewone mensen op letten, dus wat gebeurt er in je naaste omgeving in het dal waar je woont of in de stad waar je woont en hebben de oude oorlogsmisdadigers nog invloed op mensen in je omgeving, hoor ik te weinig. Dat zijn juist de dingen die de gewone mensen vertrouwen moeten geven dat er vooruitgang is. Dat mis ik in de informatie. Wat doen die 85 mensen van die LOT precies elke dag? Dat hoeft niet nu gezegd te worden, maar ik hoop dat de regering wel begrijpt wat ik bedoel. Als die dingen niet uit de samenleving worden gehaald, blijft de instabiliteit voortduren. Dat zal namelijk altijd van invloed blijven op het gewone dagelijkse leven.

 

De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter. Ik dank de bewindspersonen, en in het bijzonder de minister van Defensie waar mijn vragen aan gericht waren, voor de heldere beantwoording. Ik zei in eerste termijn al dat dit niet het moment is om weg te gaan; er ligt een duidelijk verzoek. Mijn fractie vindt echter wel dat zodra de mogelijkheid van afbouwen zich voordoet, daartoe ook moet worden overgegaan. De Nederlandse bijdrage moet zo spoedig als mogelijk is, worden teruggebracht.

            Ik ben ook heel blij met de duidelijke antwoorden over de relatie tussen deze missie en andere missies danwel andere ambities. De vraag of de krijgsmacht het aankan, kan duidelijk beantwoord worden met ja. Dat is uiteraard relevant, ook voor een verlengingsbesluit als dit. Dat was dan ook duidelijk binnen de orde naar mijn mening.

            Ik moet zo naar de plenaire zaal. In het geval ik voor de derde termijn wordt weggeroepen, geef ik nu alvast aan dat deze missie de ondersteuning van mijn fractie krijgt op basis van deze beantwoording.

 

Mevrouw Peters (GroenLinks): Voorzitter. Min of meer in vervolg op wat mevrouw Van Gennip net inbracht, citeer ik de speciale EU-vertegenwoordiger in Bosnië, daags na de ondertekening van het stabilisatieakkoord in de Frankfurter Allgemeine. Hij zegt daarin dat centralisering van de politie eigenlijk maar gedeeltelijk is geslaagd en dat de oorspronkelijke EU-eis van één federale politiemacht niet te verwezenlijken is. Dat maakt de vraag naar hoe het dan verder moet, pregnanter. Moeten de eisen worden aangepast of gaan wij door op het traject waarvan wij nu al inschatten dat het niet te verwezenlijken is? Hoe is die missie anders ooit af te bouwen?

            Ik heb nog een vraag gesteld over Srebrenica die niet beantwoord is. Ik weet hoe het kader zit en hoeveel geld ernaartoe gaat. De vragen daarover zijn allemaal keurig beantwoord. Nu is mijn vraag echter hoe het komt dat die vrouwen dertien jaar na Dayton nog steeds in die kampen zitten.

            Ook voor mij geldt helaas dat ik zo naar de plenaire zaal moet. Voor het geval dat ik de derde termijn niet kan meemaken, merk ik op dat mijn fractie deze missie steunt.

 

De heer Van Baalen (VVD): Voorzitter. Die internationale presentie is noodzakelijk. Ik heb geen goed antwoord gekregen op de vraag waarom juist Nederland de bijdrage moet leveren. Er zijn ook andere landen die kunnen bijdragen. Er is een reden dat Nederland zegt: wij willen nog eens die 85 militairen leveren. Waarom is Nederland nu wederom aan zet? Ik ga helemaal geen verstoppertje spelen; ik verleen graag namens mijn fractie steun aan de missie. Ik vind echter dit element van belang.

 

Minister Verhagen: Voorzitter. Ik ben vrij uitvoerig ingegaan op de tweede voorwaarde in relatie tot de veiligheidsstructuur. Mevrouw Van Gennip vraagt om nadere informatie daarover. De veiligheidsstructuur hangt samen met de eerste stap: politiehervorming. Daar is vooruitgang in geboekt, ook door de wetgeving. Op het punt van de implementatie is nog het nodige te doen. In vergelijking met vorig jaar is een verbetering bereikt maar nog niet zodanig dat het mogelijk is om weg te gaan.

            Mevrouw Peters vraagt naar de appreciatie van de speciale vertegenwoordiger: is dat te somber, te pessimistisch? Er zal daar altijd een zekere mate van lokale organisatie van de politie blijven. Wij maken ons op dat punt geen illusie. Wij proberen echter wel om tot één centrale organisatie te komen omdat er geen onderscheid mag zijn, geen separate diensten in de zin van dat Srpska een eigen politietje houdt. Dan is er immers geen situatie te behalen waarin men zich veilig voelt. Iedereen in de staat Bosnië-Herzegovina moet zich overal beschermd weten door de politie. De beste garantie daarvoor is een centrale autoriteit.

            De taken zijn gericht op beëindiging van de vijandelijkheden, demobilisatie, waarborgen van een veilige omgeving en vrije verplaatsing, opruimen van mijnenvelden, controle over luchtruim en wapenbeheersing. Dit zijn de elementen die ook in het Dayton-akkoord zijn vastgelegd. Hierin is vooruitgang geboekt, ook in vergelijking met vorig jaar. De Bosnische autoriteiten dragen de verantwoordelijkheid voor ontmijning, wapenbeheersing en de beheersing van het luchtruim. EUFOR monitort daar de implementatie van. De Bosnische autoriteiten nemen echter steeds meer taken voor hun rekening. Het is de bedoeling dat er geen toezicht meer nodig is om die implementatie te garanderen, zodat de burger zich veiliger voelt en niet meer bang is. Dat is nu met de aanwezigheid van EUFOR te regelen omdat de implementatie nog wordt gemonitord. Volgende stappen zijn gericht op het overdragen van deze verantwoordelijkheid zodat met een gerust hart kan worden gezegd: men doet het nu zelf.

 

De heer Poppe (SP): De jongeren daar zien de criminelen rondrijden met Mercedessen. Zij willen geen timmerman worden want daar krijgen zij nooit een Mercedes mee. Om een stabielere samenleving te bereiken, moeten de restanten van de burgeroorlog waarin de criminelen een grote rol hebben gespeeld, duidelijk aangepakt worden, met EUFOR en met de lokale politie. Ik vraag om resultaten daarin, zodat niet alleen de burger zich veiliger voelt, maar ook de jeugd perspectieven ziet om inkomen te hebben uit een gewone baan zonder crimineel te moeten handelen.

 

Minister Verhagen: Ja, precies, en dat is nog niet zodanig georganiseerd dat de internationale gemeenschap en de EU de handen ervan af kunnen trekken. Als het allemaal zo geweldig was als wenselijk is, dan spreken wij niet meer over verlenging. Laten wij elkaar niets wijs maken. De vraag is of het te realiseren is. Dat is absoluut het geval, want er is een verbetering te bemerken. Tegelijkertijd heeft, juist gelet op de ontwikkelingen in Kosovo, een terugval plaatsgevonden. Daar sprak ik over. Er was geen tegenspraak tussen wat ik zei en wat de minister van Defensie zei. De minister van Defensie refereerde aan de afbouw die in 2006 heeft plaatsgevonden. Ten opzichte van het toenmalige besluit en nu is er totaal geen afbouw, integendeel. Op verzoek van de commandant en de hoge vertegenwoordiger van de EU is gevraagd om juist niemand terug te trekken en met deze, vanaf 2006 afgeslankte missie nog een periode door te gaan.

            De heer Voordewind vroeg hoe het met die 5 mln. in Srebrenica zat. Daar heb ik een antwoord op gegeven. Ik heb gezegd dat ondanks het feit dat de OS-relatie wordt afgebouwd, de Srebrenicafaciliteit doorgaat. Dat betreft die 5 mln. euro. Daaraan zit geen beperking of einde. Ik heb het bedrag niet genoemd maar die 5 mln. blijft ook in de optie van de afbouw van de OS-relatie doorgaan.

            Mevrouw Peters vraagt hoe het mogelijk is dat er nog steeds vrouwen van Srebrenica in kampen zitten. Wij hebben zelf honderden miljoenen guldens besteed aan hervestiging en ondersteuning. Sinds de invoering van de euro zijn daaraan tientallen miljoenen euro’s besteed. Of iemand uiteindelijk ervoor kiest om uit een bepaald vluchtelingenkamp terug te gaan, is niet aan ons en is ook niet onze verantwoordelijkheid. Wij bieden extra ondersteuning, juist ten behoeve van deze groep mensen. Daar zijn wij dan ook op aan te spreken. Ons kan echter niet gevraagd worden om ervoor te zorgen dat de mensen uit het kamp vertrekken. Die keuze moeten mensen zelf maken. Dat is een verantwoordelijkheid van de autoriteiten daar. In het algemeen geldt dat hervestiging van vluchtelingen een van de doelstellingen is waar de inspanningen van zowel de EU als van de internationale gemeenschap in den brede op gericht is.

 

Mevrouw Peters (GroenLinks): Voorzitter. Ik ken veel van de verhalen van de vrouwen die daar opgesloten zitten. Zij zitten daar echt niet uit vrije wil. Die assumptie moet ik toch tegenspreken. Zij willen graag terug maar zij hebben geen plek om naartoe terug te keren. Is de minister bereid om met mij te zeggen: wij moeten oppassen dat het beleid voor het steunen van de vrouwen van Srebrenica niet faalt. Is hij bereid om toe te zeggen dat Nederland zich maximaal blijft inzetten voor het terugkeren van die mensen naar een normale plek zodat de kampen dicht kunnen?

 

Minister Verhagen: Wij blijven ons inzetten voor het ondersteunen van deze groep mensen, ook in financiële zin. Verder zetten wij ons ervoor in dat zij in staat zijn om een eigen keuze te maken. Daar zetten wij ons voor in.

 

Minister Van Middelkoop: Voorzitter. Ik kan heel kort zijn. Fijn dat de heer Van Dam er nog is want daarmee kan ik in zijn aanwezigheid constateren dat wij als verschillende partners van dezelfde coalitie elkaar heel goed hebben begrepen op het punt van de taxatie van verschillende missies. Zo kunnen wij weer een eindje verder regeren. Dank daarvoor. De heer Van Dam maakte nog de opmerking dat wij er niet langer moeten blijven dan nodig is. Ik zou zeggen: tell me. Dat is vanzelfsprekend. Aan zijn adres, maar ook aan dat van de heer Van Baalen, merk ik op dat er geen specifiek antwoord te geven is op de vraag “waarom Nederland” behalve het volgende. Ten eerste wordt gevraagd om capaciteit waarover wij beschikken. Ten tweede vraagt de Europese Unie, waarvan wij lid zijn, dat van ons. Nogmaals, wij bevinden ons in fase zoveel van een heel lang proces dat ooit begonnen is en zeer intensief gevolgd is, ook in dit huis, in Joegoslavië. De Kamer zal het ermee eens zijn -- vandaar dat collega Verhagen en ik met recht kunnen wijzen op de verzoeken van McColl en Solana -- dat als je voorstander bent van een zekere ontwikkeling van de EVDB, in welke vorm dan ook, je verzoeken van de EU-functionarissen wel serieus moet wegen, zeker als je die verantwoordelijkheid eenmaal op je hebt genomen. Ik heb wel eens vaker in andere missies gezegd dat het één ding is om te besluiten om ergens naartoe te gaan, maar dat de beslissing om te stoppen waar anderen doorgaan misschien nog wel zwaarder is. Die beslissing doet zich op dit moment niet voor. Nederland zal daarom ook voor het komend jaar willen blijven functioneren binnen de EU-missie Althea. EU staat voor de Europese Unie waar wij, zoals de heer Van Baalen weet, lid van zijn.

 

De voorzitter: Ik verzoek de woordvoerders in derde termijn om aan te geven of zij al dan niet instemmen met de verlenging van de Nederlandse militaire bijdrage aan de EU-geleide troepenmacht in Bosnië-Herzegovina, operatie Althea.

 

Mevrouw Van Gennip (CDA): Voorzitter. De CDA-fractie is ervan overtuigd dat deze bijdrage nu zinvol is. Als wij over een jaar weer komen te spreken over verlenging, dan verwacht mijn fractie wel dat er een iets concretere discussie kan worden gevoerd over de voortgang en de verwachtingen. Op dit moment stemt de CDA-fractie evenwel in met de verlenging van de Nederlandse bijdrage aan EUFOR voor twaalf maanden. Zij wenst onze mensen daar wijsheid en sterkte toe.

 

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Ook de fractie van de ChristenUnie stemt in met de missie. Zij wenst de militairen veel succes toe.

 

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. De SGP-fractie steunt de verlenging en wenst de betrokken militairen van harte sterkte met hun waardevolle werk.

 

De heer Brinkman (PVV): Voorzitter. De veiligheidssituatie rechtvaardigt volgens de fractie van de PVV niet deze inzet. Zij steunt derhalve niet het voorstel van de regering maar wenst de soldaten desalniettemin veel succes in Bosnië.

 

De heer Poppe (SP): Voorzitter. De SP-fractie steunt de verlenging maar wil wel dat de inzet is dat er over een jaar geen vrouwen meer in kampen zitten. Mijn vragen waren allemaal gericht op de normalisering van de samenleving. Daar moet meer informatie over komen zodat duidelijk is dat het ook daadwerkelijk gebeurt. Alleen met materieel rondrijden is natuurlijk niet voldoende. Ik zie aan het knikken van de minister van Buitenlandse Zaken dat hij begrijpt wat ik bedoel. Over hooguit een jaar wil ik op dat punt resultaten zien.

 

De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter. Ook mijn fractie steunt de verlenging van deze missie, met dezelfde kanttekeningen als mevrouw Van Gennip maakte. Die gelden in principe altijd. Ik wens de militairen die deze missie gaan uitvoeren uiteraard een zeer goede missie toe.

 

Mevrouw Peters (GroenLinks): Voorzitter. Ik knoop goed in mijn oren dat de minister van Buitenlandse Zaken zich ervoor inzet dat de vrouwen van Srebrenica binnen afzienbare tijd kunnen wonen waar zij zelf graag willen. Mijn fractie steunt deze missie.

 

De heer Van Baalen (VVD): Voorzitter. Gebleken is dat deze missie Uruzgan-proof is. Gebleken is dat internationale Europese betrokkenheid van groot belang is. De minister van Defensie heeft aangegeven, op plausibele wijze, waarom Nederland daarbij betrokken moet blijven. De VVD-fractie steunt deze missie en wenst soldaten en thuisfront alle goeds toe.

 

De voorzitter: Ik constateer dat de fracties van D66, Partij van de Dieren en de Lijst Verdonk niet aanwezig waren bij dit debat, dat de fractie van de Partij voor de Vrijheid geen steun kan verlenen aan deze missie en dat de overige aanwezige fracties instemming verlenen aan de verlenging van de militaire bijdrage aan de EU-geleide troepenmacht in Bosnië-Herzegovina, operatie Althea, voor de periode van één jaar.

 

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Ormel

 

De voorzitter van de vaste commissie voor Defensie,

Van Baalen

 

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Van der Kolk-Timmermans

 

 

« Terug

Reacties op 'Bijdrage Joël Voordewind aan AO'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2008

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari