Peter Ester: 'Nederland moet crisis creatiever gebruiken'

Peter Ester - Foto: Anne Paul Roukema / ChristenUniedonderdag 22 november 2012 10:47

'We moeten ons niet blindstaren op de crisis, maar die juist veel creatiever gebruiken.' Dat zei ChristenUnie-senator Peter Ester tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen in de Eerste Kamer. 'Er moet iets fundamenteels veranderen in het klassieke denken over economische groei. Een paradigmatische verschuiving waarin we onze economie ombouwen tot een duurzame economie waarin vergroening en innovatie centraal staan en sociale indicatoren als welzijn weer hun plaats opeisen.'

Algemene Financiële Beschouwingen 2012 in de Eerste Kamer, plenaire inbreng ChristenUnie-fractie, 20 november 2012, Peter Ester

Voorzitter,

Allereerst wil mijn fractie de nieuwe minister van Financiën gelukwensen met zijn benoeming. Wij zien uit naar een goede samenwerking. Uiteraard betrekken we in deze felicitatie ook de Staatssecretaris. Graag wil mijn fractie minister de Jager van harte bedanken voor de samenwerking in de afgelopen jaren. Wij hebben groot respect voor de onvermoeibare inzet waarmee hij in de afgelopen zes jaar gewaakt heeft over de Nederlandse staatskas en de rol die hij speelde in het crisismanagement rond de europerikelen.

Miljoenennota 2013

MdV, de financiële context waarbinnen we vandaag spreken over de Miljoenennota 2013 is er één van voortdurende economische kommer en kwel. De economie krimpt. Een nieuwe recessie dreigt. De overheidsschuld is inmiddels meer dan 430 miljard euro, ofwel zo’n 25.000 euro per Nederlander. In 2013 loopt deze schuld op met 40 miljoen euro per dag. Ongekende bedragen. De werkloosheid klimt naar de 7% en groeit naar de 550.000. Aantallen die aan de jaren negentig doen denken. Het aantal vacatures is gedaald tot het laagste niveau sinds 2004. Meer dan 100.000 jongeren zijn werkloos. De prijsdaling van huizen is in twee jaar tijd zo’n 15%. Een op de zes woningbezitters heeft een negatieve overwaarde. De inflatie stijgt naar bijna 3%. Bedrijven hebben het moeilijk. 10.000 bedrijven gaan er per jaar failliet; een kwart meer dan voor het begin van de crisis in 2008. De zorguitgaven stijgen harder dan voorzien en zullen zonder hervormingsmaatregelen in de periode 2011-2015 met 15 miljard stijgen; ofwel van 60 naar 75 miljard euro. Veertien van de vijftien indicatoren in de CBS Conjunctuurklok presteren onder hun langjarig gemiddelde.

Deze zorgwekkende economische context maakt scherp financieel beleid gekoppeld aan noodzakelijke hervormingen van de arbeidsmarkt, de woningmarkt en de zorg, absoluut noodzakelijk. OESO en IMF wezen Nederland daar nog eens nadrukkelijk op. Nederland betaalt nu letterlijk de rekening voor te late hervorming van economische kerninstituties. We hebben indachtig het Genesis-verhaal over Jozef en de Farao nagelaten om de vette jaren van voorspoed te gebruiken om ons te wapenen tegen de magere jaren van tegenspoed. En magere jaren zijn het: Nederland bezuinigt maar liefst 46 miljard euro in zeven jaar tijd. Ofwel een bedrag van 10.000 euro voor een gezin met twee kinderen.

De politieke context is er daarbij niet eenvoudiger op geworden. En dat heeft zijn weerslag op de beoordeling van de Miljoenennota voor volgend jaar. Voor een deel gaat het om begrotingsmaatregelen die nog uit de koker van het vorige kabinet komen, voor een deel betreft het maatregelen uit het Lenteakkoord en voor een weer ander deel bevat het maatregelen uit het deelakkoord. Voor de VVD is dit zelfs het derde akkoord dat men voor 2013 sluit. Bovendien beschikken we nu over het nieuwe Regeerakkoord dat weer een eigen politieke en financiële weging maakt. Al met al een complexe zaak. Dat geldt zeker voor de burgers. Denk alleen aan de wijzigingen in de ophoging van de AOW-leeftijd. In drie jaar tijd is Nederland geconfronteerd met een vijftal opeenvolgende voorstellen die allen een versnelling aanbrengen in de AOW-leeftijd. Daar zijn goede redenen voor maar het wekt wel de indruk van haast en suggereert lichtvaardigheid. We moeten voorkomen dat dit schouwspel de burger tot politiek cynisme verleidt. Nederland heeft nu rust en helderheid nodig aan het AOW-front.

De Miljoenennota 2013, MdV, is dus een bricolage van beleidsvoornemens uit verschillende politieke kokers. Toch zal deze Miljoenennota niet als onbeduidend de politieke annalen ingaan. In deze Miljoenennota worden immers belangrijke taboes geslecht rond de hypotheekrente, de arbeidsmarkt en de zorg. In die zin is er sprake van een doorbraak. Dat geldt zeker voor het hypotheekdossier. Het Lenteakkoord heeft hiervoor de basis gelegd. Daarmee markeert de Miljoenennota 2013 een politieke en financiële trendbreuk. Daar was ons land ook hard aan toe. Het nieuwe regeerakkoord profiteert daar ten volle van.

Het doet mijn fractie deugd, MdV, dat ook in het deelakkoord veel van het Lenteakkoord overeind is gebleven dat VVD, CDA, D66, GroenLinks en de ChristenUnie eerder dit jaar overeenkwamen. Tachtig procent, zo is mijn schatting, wordt gecontinueerd. Van de twaalf miljard bezuinigingen uit het Lenteakkoord blijven er 10 miljard staan in het deelakkoord.

Het geeft wel een wat merkwaardige kleuring aan de harde politieke retoriek die het Lenteakkoord van sommige partijen ten deel viel. Het Lenteakkoord zou de economie kapot bezuinigen, zo werd ons voorgehouden, door het vasthouden aan de 3%-norm, de verhoging van de BTW, de verhoging van de AOW-leeftijd en de nullijn voor ambtenaren. Deze punten vonden evenwel moeiteloos hun weg naar het deelakkoord en luttele tijd later naar het Regeerakkoord. Voor een politiek debat in crisistijd is een dergelijke snelle wisseling van toon en positie niet goed; althans niet als het leidt tot in hoge mate vergelijkbare beleidsmaatregelen. Ook dit voedt politiek cynisme.

Mijn fractie wil gegeven deze voorgeschiedenis de Minister de vraag stellen hoe hij de verhouding ziet tussen bezuinigen en investeren in deze Miljoenennota. Is er sprake van een juiste balans in zijn ogen en hoe weegt hij het negatieve oordeel van het IMF hierover?

Het deelakkoord kent, MdV, ook enkele nieuwe financiële maatregelen die mijn fractie deugd doen. Dat betreft bijvoorbeeld de extra investering in startende bèta-leraren en jonge academische leraren in het voortgezet onderwijs. Het is weliswaar een tijdelijke regeling, maar toch. Het is een indicator dat de kwaliteit van ons docentencorps ons wat waard is.

Er zijn ook een aantal begrotingswijzigingen doorgevoerd waar mijn fractie moeite mee heeft. Dat betreft het uitkleden van het duurzaamheidspakket, waarin ook goede maatregelen voor de bouw zaten. Een sector die zit te springen om stimuleringsmaatregelen. Kan de Minister deze keuze nog eens toelichten? Het lijkt er op dat met deze Miljoenennota de vergroening van de Nederlandse economie stokt. Duurzaamheid is even niet belangrijk meer. De 155 miljoen die daarvoor bestemd was, sneuvelt met opmerkelijk gemak. Grootschalige isolatie, groene projectfinanciering, verduurzaming van de agrosector zijn daarmee van de baan. Dat is een verkeerd signaal. Ook het vitaliteitspakket wordt behoorlijk uitgekleed. Verhoging van de AOW-leeftijd betekent dat we werknemers langer fit, productief en weerbaar moeten houden. Gedurende hun hele loopbaan. De teloorgang van het vitaliteitspakket staat haaks op dit adagium. Kan de Minister ook deze keuze nader argumenteren?

Ook zien we een forse lastenverzwaring voor het Nederlandse bedrijfsleven. Meer dan een half miljard als ik goed heb geteld. Kan de Minister met ons delen waarom de regering hier voor kiest in een tijd waarin het bedrijfsleven het water aan de lippen staat en het faillissementen regent? Mijn fractie weet dat structureel het plaatje er over latere jaren wat rooskleuriger uitziet maar de politieke realiteit van de afgelopen tien jaar laat zien dat de omloopsnelheid van kabinetten wel erg hoog is geworden. Het begrip “latere jaren” is daarmee inflatoir.

Ter afsluiting van dit blokje nog een vraag over de positie van de Nederlandse banken. Hoe beoordeelt de Minister de bufferopbouw van Nederlandse banken in het licht van het Basel III-akkoord? Ligt dit op schema? En hoe beoordeelt de Minister de omvang van kredietverlening door de banken aan met name de MKB-sector?

Bankentoezicht en Bankenunie

Dan nu, MdV, het Europese niveau. De Europese regeringsleiders hebben vorige maand op hun 26ste eurocrisistop besloten dat het bankentoezicht er nu toch echt van gaat komen. Makkelijk was dat niet omdat de noordelijke en zuidelijke eurolanden andere prioriteiten stelden. Voor zuidelijke landen is een snelle toegang van hun zwakke banken tot ESM-gelden geboden; voor noordelijke landen is degelijk bankentoezicht essentieel. Mede dankzij de Franse president Hollande werd het pleit beslecht met de bezweringsformule dat het bankentoezicht in de loop van 2013 operationeel wordt. Het toezicht is toebedeeld aan de ECB. De veronderstelling is dat het ECB deze taak ook aankan. Het gaat om toezicht op ruwweg 6.000 banken. Een ongelooflijk aantal. Dat vereist een ongekende inzet van menskracht en middelen. Indien nationale toezichthouders hun toezichthoudende taak niet aankonden, waarom zou dit dan wel voor de ECB gelden? De ECB heeft bovendien geen expertise op het gebied van bankentoezicht. Hoe realistisch is het in de ogen van de regering dat de ECB “in de loop van 2013” het toezicht operationeel op orde heeft? Mijn fractie stelt hier in alle nuchterheid de vraag of Europa zichzelf niet met een onmogelijke opgave heeft opgezadeld.

Maar het verhaal gaat verder dan de effectiviteitsvraag. De kwestie is ook wat toezicht in praktische termen betekent. De ECB kan dwingende voorwaarden stellen indien het een bank steun verleent. Maar hoe ver gaat dit? Kan de ECB de noodlijdende Spaanse Cajas dwingend voorschrijven dat zij zich uit de vastgoedsector moeten terugtrekken? Leidt dat niet tot nationale krenking? Kan zij banken voorschrijven zich in stukken te knippen, zoals de Nederlandse overheid dat deed bij de staatssteun aan ING? Kan de ECB noodlijdende banken dwingen hun nutsactiviteiten te scheiden van hun zakelijke portefeuille? Indien we deze vragen bevestigend beantwoorden, dan betekent dit dat het mandaat van de ECB enorm wordt opgerekt. Dat heeft grote consequenties. De ECB is onafhankelijk en wordt niet door de politiek aangestuurd. Maar de ECB-interventies die ik zojuist aanduidde, behoeven ten principale een politieke afweging en democratische legitimatie. Mijn fractie hoort graag de visie van de regering op de beleidsmatige reikwijdte van de ECB waar het gaat om het ingrijpen in de bankensector. Waar trekt de regering zelf de grens?

Verscherpt Europees Bankentoezicht, MdV, is de voorbode van een Bankenunie. De EU Routekaart naar een Bankenunie spreekt van steun aan “banken en financiële instellingen”. Kan de Minister ons een operationele definitie aanreiken van wat te verstaan onder financiële instellingen? Dit is immers een zeer wijd en rekbaar begrip. Is het in alle gevallen eigenlijk wel duidelijk welke kredietverleners wel en welke niet voor steun in aanmerking komen? Zijn er ook kredietinstellingen die worden buitengesloten?

Een Bankenunie betekent dat alle lidstaten hun verlies moeten nemen voor noodlijdende banken. Hoe beoordeelt de regering het uitgangspunt dat ook Nederland daarmee verantwoordelijk wordt voor de schuldenpositie van tamelijk willekeurige banken in andere lidstaten? Heeft de regering een idee van de impact hiervan op de Nederlandse staatshuishouding? Is er een solide risico-analyse gemaakt? Een Bankenunie zal ertoe leiden dat banken zich aan scherpere gemeenschappelijke regels moeten houden. Gaat het dan in de ogen van de regering alleen om financiële regels of komen ook niet-monetaire regels in beeld? Bijvoorbeeld een bankencode zoals Nederland die kent rond integriteitskwesties. Graag een korte beschouwing van de Minister op dit punt.

Europa zet al met al in op versterkt bankentoezicht met als eindstation een Europese Bankenunie. Wat mijn fractie vanuit een helicopterblik opvalt, is dat de hele beleidsbeweging éénrichtingsverkeer is: van Europa naar de banken. Over de omgekeerde beweging: van banken naar Europa, horen we weinig of niets. Dat is opmerkelijk. De Europese banken zijn medeverantwoordelijk voor de crisis, maar van hen wordt geen financiële bijdrage gevraagd. Merkwaardig. De sector heeft toch zelf direct belang bij financiële stabiliteit en crisisbeheersing? Dit argument gold steeds voor ESM-bijdragen van individuele landen; dat geldt toch evenzeer voor de financiële sector zelf? Deelt de Minister deze constatering van relatieve eenzijdigheid en welke lering trekt hij hieruit?

MdV, ter afsluiting van dit “Europa deel” van mijn bijdrage nog het volgende. Eurocommissaris Lewandowski heeft recent bijna 6 miljard euro extra gevraagd aan de lidstaten om het tekort op de EU-begroting van 2012 te dekken. De Minister heeft eerder deze maand laten weten een suppletoire begroting te zullen blokkeren. Hoe schat de Minister het succes in van deze blokkade, ook gezien de onderhandelingen in Brussel vorige week? Daaraan koppel ik de vraag hoe de Minister in dit verband oordeelt over het feit dat het Europese Rekenhof constateert dat 4% van de EU-uitgaven over 2011, ofwel een bedrag van ruim €5 miljard, onvoldoende verantwoord kunnen worden. Het Rekenhof verleent voor de achttiende keer geen goedkeuring aan de EU-uitgaven. De uitgavendiscipline die de Commissie van EU-landen vraagt, geldt kennelijk niet voor de eigen uitgaven.

Crisisbeheersing & Overheidsfinanciën

MdV, het laatste onderdeel van mijn bijdrage gaat over de omvang van de risico’s waarmee de Nederlandse overheidsfinanciën geconfronteerd wordt. Dan gaat het om risico’s die de garanties van onze EFSF/ESM- en IMF-verplichtingen met zich brengen, maar ook risico’s die verbonden zijn aan onze interne financiële sector, de woningmarkt, de zorg en de pensioenen. De Algemene Rekenkamer heeft onlangs een rapport gepubliceerd waaruit een zeer zorgwekkend beeld blijkt van de financiële verplichtingen die Nederland is aangegaan en het weinig schokbestendige karakter van onze overheidsfinanciën. De risico’s zijn in de afgelopen jaren fors toegenomen. Zo zijn alleen al de expliciete overheidsgaranties na het uitbreken van de kredietcrisis bijna verdubbeld in de periode 2009-2011, van 42% naar 77% van het bbp, hetgeen correspondeert met een ongekend bedrag van € 465 miljard. En er staan forse uitgaven in de sfeer van zorg en pensioenen te wachten die een steeds groter beslag op de overheidsfinanciën zullen leggen. En dat alles bij verslechterde groeivooruitzichten en bij achterblijvende belastinginkomsten.

De houdbaarheid van ons financiële systeem, kortom, is broos en kwetsbaar. Scherp risicomanagement is derhalve een prioriteit van de eerste orde en een goede kennishuishouding is daarbij onontbeerlijk. En daar wringt de schoen. Wat we nodig hebben - en mijn fractie steunt daarin de Algemene Rekenkamer volop - is een integraal en periodiek beeld van de financiële risico’s die de Nederlandse overheidsfinanciën lopen en de effectiviteit van de beheersmaatregelen die daarbij horen. Ook voor het functioneren van het parlement is een omvattend beeld van de financiële risico’s essentieel, zeker als het gaat om het beoordelen van crisisbeleid. Het parlement moet de vinger aan de financiële pols kunnen houden. Mijn fractie wil de regering verzoeken het advies te honoreren van de Rekenkamer rond het periodiek en integraal in beeld brengen van de risico’s voor de overheidsfinanciën.

MdV, ik sluit af. We moeten er rekening mee houden dat Nederland een lange tijd tegemoet gaat van afwezige of beperkte economische groei. Groeipercentages van meer dan 2% zoals Nederland die de afgelopen decennia kende, komen niet terug. De crisis hakt er diep in. Een groot aantal magere jaren ligt in het verschiet. Maar daar moeten we ons ook niet op blindstaren. We moeten de crisis veel creatiever gebruiken en oog hebben voor de noodzaak van een “paradigm shift” in het klassieke denken over economische groei. Een paradigmatische verschuiving waarin we onze economie ombouwen tot een duurzame economie waarin vergroening en innovatie centraal staan en sociale indicatoren als welzijn weer hun plaats opeisen. Waarin het belang van komende generaties serieus wordt genomen. Waar we onze ecologische “foot print” zelfbeperking opleggen en de stap maken naar een “bio-based economy”. Het gaat niet om economische groei, het gaat om duurzame economische groei. Om groei waarin economische ontwikkeling, ecologische ontwikkeling en sociale ontwikkeling hecht op elkaar betrokken zijn. Hier is nog een wereld te winnen. Kan de Minister met de Senaat delen hoe hij oordeelt over dit perspectief van een langere periode van lage economische groei en wat dat betekent voor onze economische kerninstituties?

Wij zien uit naar de beantwoording van de Minister van onze vragen. 

« Terug

Nieuwsarchief > 2012

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari