Bijdrage Gert-Jan Segers aan pl. debat over richtlijn inz. voorkoming en bestrijding mensenhandel

woensdag 27 maart 2013 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Gert-Jan Segers aan een plenair debat met minister Opstelten van Veiligheid en Justitie

Onderwerp:   Implementatie van de richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers ervan

Kamerstuk:    33 309

Datum:            27 maart 2013

De heer Segers (ChristenUnie):

Voorzitter. "We zeggen dat de slavernij is verdwenen uit de Europese beschaving, maar dit is niet waar. Slavernij bestaat nog steeds, maar het betreft nu alleen vrouwen en het heet prostitutie." Dat is wat Victor Hugo in Les Miserables schreef 150 jaar geleden. De tragiek is dat op dit terrein de Europese beschaving sindsdien bitter weinig vooruitgang heeft geboekt.

Het lukt mij niet om trots te zijn op de Nederlandse prostitutiepraktijk. Ons red light district is maar al te vaak een boulevard of broken dreams. Iedere dag worden vrouwen en mannen, die allemaal geschapen zijn naar Gods beeld, in ons land beroofd van hun vrijheid en aangetast in hun waardigheid.

Op ons Europese continent worden ieder jaar 140.000 mensen verhandeld en drie kwart van hen vindt zijn droeve bestemming in de prostitutie. Ik heb pas zelf in Roemenië de verhalen gehoord van meisjes die op 12-, 13-jarige leeftijd in de handen komen van pooiers, om op hun 16de naar Zwitserland verhandeld te worden omdat daar de prostitutie op die leeftijd legaal is, om vervolgens op hun 18de in Nederland achter een raam te worden gezet. Zo'n meisje heeft dan inmiddels vijf jaar werkervaring. Je hart breekt als je zulke verhalen hoort en deze meisjes in de ogen kijkt.

Voor zover we er in Nederland zicht op hebben, zien we in recente jaren een voortdurende stijging van het aantal slachtoffers van mensenhandel en gedwongen prostitutie. De Nationaal Rapporteur Mensenhandel telde vorig jaar ruim 1.200 meldingen van slachtoffers, waarvan het overgrote deel in de prostitutie werkzaam was. Hoezeer de schattingen van gedwongen prostitutie ook uiteen lopen, we weten in ieder geval zeker dat er iedere dag duizenden vrouwen in Nederland tegen hun wil seks hebben, en onvrijwillige seks heet "verkrachting". Het feit dat doorgaans niet de prostituees maar de pooiers en mensenhandelaren daar het meeste geld aan verdienen, heet "diefstal" en "uitbuiting". En het gaat door, dag in, dag uit.

Mag ik de minister in dat kader vragen wat dat pooierschap eigenlijk rechtvaardigt? Als prostitutie inderdaad een vrij en eerzaam beroep is, waarom staan we dan toe dat het overgrote deel van de prostituees een deel of zelfs een groot deel van hun verdiensten moeten afstaan aan iemand die dan "veiligheid" zou bieden? Groenteboeren en fietsenmakers hoeven toch ook niet massaal veiligheid in te kopen bij schimmige figuren? Het is toch de overheid die veiligheid zou moeten bieden?

Veel slachtoffers van gedwongen prostitutie hebben niet de moed om naar de politie te gaan om aangifte te doen. En als een vrouw of een man na een tijd van mishandeling en uitbuiting dan toch de stap zet om aangifte te doen, leidt dit maar in een kleine minderheid van de gevallen tot een strafzaak. In veel gevallen vindt bij gebrek aan bewijs seponering plaats. Waar het toch tot een strafzaak komt, leidt het in vergelijking met andere strafzaken bij een aanklacht van gedwongen prostitutie in vier keer zo veel gevallen tot vrijspraak, omdat zelfs dan het onvrijwillige karakter moeilijk bewezen kan worden. Als het tot een veroordeling komt, krijgt 40% van de daders minder dan een jaar en 50% minder dan vier jaar. Daarna zijn de daders vrije mensen, terwijl de slachtoffers achterblijven met vaak levenslang lichamelijk en psychisch letsel. Kortom, weinig aangiftes, veel sepots, relatief veel vrijspraken en lage straffen; het is een vertoon van onmacht van onze rechtsstaat. Die onmacht is een blijvende aanmoediging voor mensenhandelaren om het betrekkelijk geringe risico op straf voor lief te nemen en veel geld te verdienen, terwijl hun slachtoffers er een onnoemlijk hoge prijs voor betalen.

Het is mooi dat de maximumstraffen voor mensenhandelaren en gedwongen prostitutie omhoog zijn gegaan. Het is goed om in de EU-richtlijn te lezen dat dit Europees beleid wordt. Maar zolang de opgelegde straffen zo laag blijven, is de maximumstraf een papieren tijger. Ik vraag de minister of hij met het OM in overleg kan gaan om te bezien hoe de strafeis daadwerkelijk omhoog kan gaan.

Een belangrijk doel van het Nederlandse beleid is zichtbaarheid van onze prostitutie. Een belangrijk bezwaar tegen bijvoorbeeld het strafbaar stellen van de klant is de angst dat prostitutie ondergronds gaat en onzichtbaar wordt. Afgezien van het feit dat prostitutie altijd op zoek moet naar klanten en dus zichtbaar zal moeten zijn, is dat doel van zichtbaarheid na dertien jaar legalisatie niet bereikt. Vrouwen worden door pooiers en mensenhandelaren van de ene naar de andere stad versleept om te voorkomen dat zo'n Roemeense of Bulgaarse vrouw een sociaal netwerk ontwikkelt en niet langer afhankelijk is van haar pooier.

Uit onderzoek van het Regionale Informatie en Expertise Centrum (RIEC) Noord-Holland bleek dat uit het aanbod van prostitutie in advertenties slechts 17% vergund was. Dus maar liefst 83% bleek prostitutie te zijn zonder vergunning. En dat na dertien jaar legalisering. En dat terwijl wij naar andere landen wijzen en zeggen dat, als zij prostitutie niet legaliseren, hun prostitutie ondergronds gaat.

De minister wil terecht door met de Wet regulering prostitutie en bestrijding van misstanden in de seksbranche. Ik noem maar eens de hele titel van het wetsvoorstel. Ik deel zijn hoop dat de Eerste Kamer dit wetsvoorstel snel aanneemt, zodat er extra barrières worden opgeworpen tegen mensenhandel. De verhoging van de prostitutieleeftijd is een belangrijke stap. Ook de registratie van alle prostituees is een belangrijk middel om mogelijke slachtoffers eerder op het spoor te komen. Wij zien dit wetsvoorstel als een stap in de goede richting. Ik heb wel een aantal vragen daarover. Allereerst, wat heeft de minister geleerd van twee jaar ervaringen die Utrecht met registratie en een leeftijdsgrens van 21 jaar heeft opgedaan? Daar bleek immers dat ook geregistreerde meerderjarige prostituees slachtoffer van dwang en mensenhandel kunnen zijn. Welke voorlichting wordt er gegeven aan prostituees als zij zich registreren?

De EU-richtlijn vraagt om extra bescherming van jonge slachtoffers. Nederland voorziet daarin bij slachtoffers tot 18 jaar, maar met de Wet regulering prostitutie en bestrijding van misstanden in de seksbranche gaat de prostitutieleeftijd omhoog naar 21 jaar. Mijn fractie had samen met collega Agema van de PVV een amendement voorbereid bij dit wetsvoorstel, de implementatie van de richtlijn, weermee activiteiten die jongeren tot 21 jaar tot prostitutie aanzetten, strafbaar worden gesteld. Na overleg met collega's en specialisten hebben wij ervan afgezien om dat amendement bij deze richtlijn in te dienen, omdat dat een zorgvuldiger traject behoeft. Maar ik wil de minister wel vragen of hij bereid is om separaat een dergelijk voorstel tot wijziging van de strafwet te doen. Ik overweeg op dat punt een motie in te dienen.

De voorzitter:

Voordat u verdergaat en voordat ik mevrouw Berndsen het woord geef, wil ik even melden dat maximaal twee interrupties toegestaan worden, bestaande uit twee onderdelen: vraag en vervolgvraag.

Het woord is aan mevrouw Berndsen voor een interruptie.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik heb geen interruptie maar een puntje van orde. Vanavond hebben wij het over de implementatie van de richtlijn enzovoort. Ik hoor de heer Segers nu het debat heropenen over de prostitutiewet, die nu bij de Eerste Kamer ligt. Dat vind ik een wonderlijke figuur, want daar zouden wij het vanavond niet over hebben. Als wij die discussie nu gaan voeren, ga ik daar natuurlijk ook het nodige over zeggen, maar dat was ik eigenlijk niet van plan, omdat dat wetsvoorstel bij de Eerste Kamer ligt.

De voorzitter:

Mijnheer Segers, procedureel heeft mevrouw Berndsen gelijk.

De heer Segers (ChristenUnie):

De brief is pas op het allerlaatste moment afgevoerd van de agenda. Wij hebben bij de regeling aan de interruptiemicrofoon gestaan en gezegd dat wij die graag gezamenlijk met het wetsvoorstel willen bespreken. Daarnaast vind ik het lastig om over een wetsvoorstel, zoals de implementatie van de EU-richtlijn, te spreken zonder dat in een bredere context te zien.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik snap dat wel, maar wij hebben het nu over de implementatie van de richtlijn. Met alles wat wij nu zeggen over de prostitutiewet, lopen wij de Eerste Kamer voor de voeten, die daar nu wat van moet vinden. En wij kunnen dat wetsvoorstel op dit moment niet meer aanpassen, hoe graag ik dat overigens ook zou willen. Het is voor mij meer een procedureel puntje, ook voor u, voorzitter, in de zin van: wat gaan wij nu doen?

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik ben het daarmee eens.

De voorzitter:

Ik kijk even rond. Hoe denken de anderen daarover?

Mevrouw Hilkens (PvdA):

Even ter verduidelijking, ik snap de verwarring maar bij de regeling twee of drie weken geleden -- hou mij ten goede -- heeft de heer Van der Staaij een dertigledendebat aangevraagd over de aangehouden wet op de prostitutie. Toen hebben de VVD- en PvdA-fractie voorgesteld om dat als agendapunt bij het debat van vandaag te betrekken om zo een extra debat op de plenaire agenda te voorkomen.

En dat is geaccordeerd.

De heer Van der Staaij (SGP):

Het klopt dat ook bij de SGP-fractie de behoefte bestond om het wetsvoorstel in een breder kader te kunnen beschouwen. Aan de ene kant moeten we de Eerste Kamerdiscussie niet gaan voeren. Aan de andere kant heeft de Tweede Kamer hierover al lang geleden gesproken, en moet er de mogelijkheid zijn om erover te blijven spreken, misschien bovenop of naast het wetsvoorstel dat bij de Eerste Kamer ligt. Wat doen we nu? Doen we genoeg in het kader van mensenhandel?

De heer Van der Steur (VVD):

Volgens mij heeft iedereen gelijk. Het debat van vanavond gaat over implementatie van de richtlijn. Ik denk dat het aan de minister is om sowieso te antwoorden op vragen daarover. Het was overigens ooit een hamerstuk; dat weten we. We hebben echter ook gezegd dat de heer Van der Staaij gefaciliteerd moest worden om zijn onderwerp hier aan de orde te kunnen stellen. Op zichzelf heeft mevrouw Berndsen dus gelijk, maar ik geloof toch dat het goed is om er beknopt over te spreken, om zaken in een brede context te plaatsen, zoals de heer Segers zegt.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Dan heb ik toch nog een procedureel puntje, voorzitter. Ik hoor de heer Segers namelijk zeggen dat hij overweegt om een motie in te dienen. Wat doen we dan met een motie …

De heer Segers (ChristenUnie):

Nee, nee …

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

… op een wetsvoorstel dat nog bij de Eerste Kamer ligt?

De heer Segers (ChristenUnie):

Mag ik daarop reageren, mevrouw de voorzitter?

De voorzitter:

Ja.

De heer Segers (ChristenUnie):

Het punt is dat de richtlijn voorziet in extra bescherming van 21-minners, van jongeren. Daar wilde ik een amendement op indienen, en toen is in overleg met de collega's gezegd dat dit niet de koninklijke weg is. Dat moet echter wel bezien worden in relatie tot verhoging van de prostitutieleeftijd naar 21 jaar. Ik kan dat dus niet los zien van elkaar, maar het is wel degelijk een onderwerp dat voortvloeit uit de EU-richtlijn. Het betreft de extra bescherming van jongeren.

De voorzitter:

Ik stel voor dat wij dit debat gewoon voeren. Natuurlijk heeft mevrouw Berndsen ook gelijk; alleen de implementatie van de richtlijn staat geagendeerd. Iedereen is echter vrij om zijn eigen inbreng te houden en die in te vullen zoals hij wil. Ik doe echter wel een dringend beroep op u allen om niet te breed en uitgebreid te spreken, anders lokt u anderen ook daartoe uit. In de planning is rekening gehouden met een kort debat. Mijnheer Segers, ik geef u het woord en ik hoop dat u zich eraan houdt.

De heer Segers (ChristenUnie):

Ja, maar dan wijs ik u er wel op dat ik voor vijftien minuten heb ingetekend. Dat is willens en wetens geweest.

De voorzitter:

Ja, dat is ook vastgelegd.

De heer Segers (ChristenUnie):

Voorzitter, ik vervolg mijn betoog. Tot nu toe heb ik alleen onderwerpen besproken die wel degelijk raken aan de EU-richtlijn. Daarover dus geen misverstand. Het toeval wil alleen dat ik nu één separaat punt wil behandelen waar ik de minister nog een vraag over wil stellen. Dat betreft de andere barrière die is opgeworpen, namelijk de inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Bij de begrotingsbehandeling van afgelopen najaar heb ik een breed ondertekende motie ingediend, waarin stond dat de Kamers van Koophandel niet moeten inschrijven bij verdenking van mensenhandel. Op verzoek van de minister heb ik die motie aangehouden, en sindsdien heb ik alleen informeel in Amsterdam iets over de uitvoering ervan gehoord. Ik zou graag van de minister zelf willen horen hoe die uitvoering ter hand is genomen.

Ik deel het uitgangspunt van de minister dat we moeten streven naar een landelijk en uniform beleid, om een waterbedeffect tegen te gaan. Er zijn inderdaad nog altijd gemeenten die denken dat er in hun regio geen prostitutie is en die dus ook geen zicht hebben op mogelijke misstanden. In dat licht vind ik het moeilijk te begrijpen dat het aanbod van hulpverlening -- ook daarover gaat de EU-richtlijn -- in de vorm van uitstapprogramma's, gemeentelijk beleid is. De minister schrijft in zijn brief over een positief verloop van de warme overdracht van uitstapprogramma's, terwijl mijn fractie ook geluiden bereiken dat dit hulpaanbod bij lokale bezuinigingen kind van de rekening is. Is de minister bereid om een overzicht te laten maken van het aanbod van vóór de overdracht en het huidige aanbod? Ik overweeg ook op dit punt een motie in te dienen.

Een ander punt van zorg hierbij is de categorale opvang van slachtoffers van loverboys. Daarover heeft de Nationaal Rapporteur Mensenhandel haar zorgen uitgesproken. Hoe peilt de minister of er voldoende aanbod van specialistische hulpverlening aanwezig is? Is de minister bereid om hierover in overleg te treden met de staatssecretaris van VWS en dit voor de Kamer inzichtelijk te maken?

Mijn laatste punt betreft de verantwoordelijkheid van de klant en de keuze van de minister om op dit punt de EU-richtlijn niet te implementeren. De minister had ervoor kunnen kiezen om de klant strafbaar te stellen die weet of moet kunnen weten dat een prostituee slachtoffer is van uitbuiting. Onze Nationaal Rapporteur Mensenhandel heeft in reactie op dit wetsvoorstel een brief gestuurd en daar ook om gevraagd. Zij heeft dat ook bij andere gelegenheden gedaan. Ook een andere bekende strijder tegen mensenhandel, Henk Werson, is daar een voorstander van. Ook andere experts hebben mij verzekerd dat een dergelijke strafbaarstelling daadwerkelijk tot veroordelingen kan leiden, klanten preventief waarschuwt en hen wijst op hun verantwoordelijkheid om signalen van mensenhandel te melden. Ik beschouw het als een gemiste kans dat de minister de implementatie van de EU-richtlijn niet heeft aangegrepen om dit te regelen. Ik wil graag het initiatief nemen om dit alsnog te regelen en ga de komende weken met experts om de tafel zitten om te werken aan een tekst voor een initiatief op dit punt.

In een gesprek met de Roemeense rapporteur mensenhandel vertelde hij me hoe ze daar de strijd tegen mensenhandel opvoeren, voorlichting geven en zo proberen, het aanbod vanuit Roemenië in te dammen. Maar, zo zei hij, wat heeft het voor zin als wij het aanbod proberen in te dammen als jullie niets aan de vraag doen? Zolang de vraagkant onaantastbaar blijft, zullen mensenhandelaren altijd wegen vinden om vrouwen aan te voeren om aan die vraag te voldoen. Zoals gezegd, hoop ik dat de nieuwe wet regulering prostitutie snel van kracht wordt. Dat zou een stap in de goede richting zijn. Het is echter de grote vraag of de nieuwe wet ook in staat is om grote stappen te zetten in de strijd tegen mensenhandel. We moeten rekening houden met het feit dat de geboekte winst nog niet voldoende zal zijn. Daarom is het van belang om de komende twee à drie jaar voluit te gebruiken om te leren van het beleid van andere landen en van aanbevelingen van nationale rapporteurs van andere landen. Dat helpt ons, mocht de nieuwe wet onvoldoende slagkracht hebben in de strijd tegen het kwaad van de moderne slavernij, om op basis van inzichten van andere landen nieuwe wegen in te kunnen slaan. Want ook wij kunnen leren van Fransen, Belgen en Ieren, en misschien, heel misschien, zelfs wel van Zweden.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

« Terug

Nieuwsarchief > 2013

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari