Bijdrage Gert-Jan Segers aan het plenair debat over het initiatiefwetsvoorstel van het Lid Bosman

woensdag 12 maart 2014 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Gert-Jan Segers als lid van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie aan het plenair debat over het initiatiefwetsvoorstel van het lid Bosman over regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland

Onderwerp:   Voorstel van wet van het lid Bosman; Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland

Kamerstuk:    33 325

Datum:            12 maart 2014

De heer Segers (ChristenUnie):
Er valt inhoudelijk veel over deze wet te zeggen. Dat ga ik ook doen, maar allereerst een compliment aan de heer Bosman voor het vele werk dat in de wet is gaan zitten, het lange traject en het geduld dat hij heeft gehad. Het is niet niks wanneer een Kamerlid zijn eigen wet opstelt en die ook in de Kamer verdedigt. Dat is een prestatie en dat mag worden vermeld. Ik zei zojuist ook al in de richting van de heer Azmani dat wij elkaar zo maar zouden kunnen vinden in een gedeeld verlangen om de problematiek bij de wortel aan te pakken. We hebben het over criminaliteit en over overlastgevende jongeren. Tegelijkertijd is dat een ambitie die wij delen met heel veel mensen in het Caribisch deel van het Koninkrijk. De heer Azmani sprak zojuist wat denigrerend over weer een projectje. Maandag had ik een gesprek met voormalig VVD-wethouder de heer Meijer, mevrouw Jansen en mevrouw Koster van Curaçao. Zij zaten om de tafel om inderdaad over zo'n "projectje" te spreken. Maar wat was dat? Het ging om mensen die zich in hun vrije tijd ervoor inzetten om jongeren met gedragsproblemen te helpen; hier, maar vooral daar. Zij willen daar hun schouders onder zetten. Zo zaten wij rond de tafel. Ik dacht toen: dit is een prachtige symboliek. Dit zou de aanpak moeten zijn binnen het Koninkrijk. Ja, wij stuiten soms op problemen bij jongeren, die zich moeilijk aanpassen en voor overlast zorgen. Maar het is een gezamenlijke opdracht om voor hen te zorgen, onze schouders eronder te zetten, voor hen te kiezen en hun een alternatief te bieden. Zij doen dat en ik doe graag met hen mee.

Wij zijn onlosmakelijk verbonden met Aruba, Curaçao en Sint-Maarten, door onze gemeenschappelijke historie. Dat is ook neergeslagen in het Statuut. Dit is van grote waarde. Ik zei dat al tegen de heer Azmani in een interruptie. Ons Statuut gaat uit van ongedeeld Nederlanderschap en gelijkwaardigheid van de verschillende landen van het Koninkrijk. Deze eilanden maken vanuit onze geschiedenis deel uit van ons Koninkrijk. Daarbij komt dat niet de eilandbewoners ons land die gemeenschappelijke geschiedenis hebben ingetrokken. Nederland heeft dat ten aanzien van de eilandbewoners gedaan. Gelukkig ligt die tijd achter ons. Nu geldt dat wij elkaar nodig hebben. Wij werken niet voor niets al jaren aan betere samenwerking. Er zijn op tal van terreinen belangrijke en vruchtbare initiatieven, veel meer dan zomaar een projectje.

Ik ga even terug in de tijd. Ooit was er een regiment Poolse soldaten die op Haïti belandden en betrokken raakten bij een strijd, maar in 1801 de kant van de opstandelingen in Haïti kozen. Als beloning kregen zij en hun nakomelingen het staatsburgerschap van Haïti; ongedeeld en fair. Wat doen wij dan met dit wetsvoorstel? Wij gaan nu weer terug naar onze eigen geschiedenis. Het effect van dit wetsvoorstel is dat er een wig wordt gedreven tussen ons en de eilanden, tussen de ene Nederlander en de andere Nederlander. Het staatsburgerschap wordt uitgehold. Wij pakken een van de meest essentiële burgerrechten af van mensen die door de loop van de geschiedenis op ons grondgebied terecht zijn gekomen, namelijk het recht op vrije vestiging binnen het Koninkrijk.

Mijn vraag is: is de indiener zich bewust van de impact van alleen al het indienen van dit wetsvoorstel? Heeft hij er een idee van welk beeld er is ontstaan? Op de eilanden Sint-Maarten en Curaçao zijn moties aangenomen die voor zich spreken. Er wordt afstand genomen van het wetsvoorstel. Het gaat wat hen betreft om eenzijdig door Nederland te nemen maatregelen, die het gemeenschappelijk karakter van de problemen miskennen. Het gaat om maatregelen die, in de bewoordingen van de moties daar, discriminerend, stigmatiserend en waardigheidondermijnend zijn ten aanzien van Koninkrijksgenoten, afkomstig van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Wat die eilanden betreft, wordt dit wetsvoorstel resoluut verworpen.

Toch wordt er in dit wetsvoorstel van uitgegaan dat alle bestuursorganen meewerken. Ik wijs de indiener op artikel 14, betreffende de gegevensuitwisseling. Er wordt van uitgegaan dat Aruba, Curaçao en Sint-Maarten meewerken aan het verstrekken van gegevens. Hoe ziet de indiener de verhouding tussen de emotie die dit wetsvoorstel heeft opgeroepen, en de moties die zijn aangenomen, en het feit dat wij uiteindelijk toch verwachten dat zij gaan meewerken aan de uitvoering van deze wet?

De indiener gaat ervan uit dat dit wetsvoorstel kan bijdragen aan het oplossen van integratieproblemen in ons land. In de memorie van toelichting worden uitvoerig criminaliteitscijfers opgevoerd. De heer Azmani heeft dat zojuist ook gedaan. Ik ben er echter niet van overtuigd dat dit wetsvoorstel een oplossing biedt voor de problemen die worden beschreven. Integratieproblemen los je niet op door kansarmen te weren. Hiervoor is juist samenwerking met de eilanden nodig. OCaN wijst ons terecht op het punt dat je integratieproblematiek niet moet oplossen zonder de Antilliaanse gemeenschap erbij te betrekken, maar samen met de Antilliaanse gemeenschap. Ik noem het UNICEF-rapport: zorgdragen voor veilige en gezonde omstandigheden in de opvoeding. Verder noem ik het aanpakken van armoede en sociale uitsluiting in het Koninkrijk, het aanpakken van discriminatie op de arbeidsmarkt en een stevige aanpak van drugs- en wapenbezit. Dit wetsvoorstel is wat de ChristenUnie betreft echt een paardenmiddel. Ik gebruik dat woord toch maar, mijnheer Azmani. Mevrouw de voorzitter, dat er in andere landen van het Koninkrijk ook vestigingseisen worden gehanteerd, zorgt er niet voor dat het voor Nederland ook gerechtvaardigd is om dat te doen. Dit wordt door het College voor de Rechten van de Mens onderstreept. De rechtvaardiging van de bestaande toelatingsregeling houdt namelijk verband met de bijzondere geografische kenmerken van de eilanden. Ik noem de kleinschaligheid van de eilanden en de beperkte opnamecapaciteit. Anders gezegd, dergelijke kleine landen hebben een toegangsregeling broodnodig om de eigen bevolking te beschermen tegen bijvoorbeeld een uitverkoop aan rijke Nederlanders.

Mijn fractie trekt dan ook een andere conclusie dan de indiener. Dit voorstel gaat, wat ons betreft, wel degelijk in tegen het Statuut. De grondslag van toelating doet ertoe. Wij constateren dat de grondslag van de indiener geheel anders is dan de grondslag van het Statuut. Zoals de Raad van State zegt: het Nederlanderschap is een zaak van het Koninkrijk. Zo staat het ook in artikel 3 van het Statuut. Dit wetsvoorstel gaat over het Nederlanderschap, maar voor inwoners van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten krijgt het Nederlanderschap een andere inhoud dan voor alle andere Nederlanders. Het wordt daarmee ontdaan van een wezenskenmerk, namelijk vrije vestiging. Een rechtvaardigheidsgrond hiervoor is er niet, anders dan dat er toelatingsregelingen voor Aruba, Curaçao en Sint-Maarten gelden. Een uitspraak van de Hoge Raad, die er vroeg of laat ongetwijfeld zal komen, zal dat mijns inziens bevestigen. Wat er ook van zij, omdat het over het Nederlanderschap gaat, gaat het over een aangelegenheid waar het Statuut over gaat. Is dat al niet duidelijk op grond van het reeds aangehaalde artikel 3, dan wordt het toch zeker duidelijk op grond van artikel 11, laatste lid, waarin staat dat de eilanden Aruba, Curaçao en Sint-Maarten zelf kunnen aangeven of zaken hun belang raken. Dus moet je handelen volgens het Statuut.

Mijn fractie verbaast zich over artikel 2, lid 3. Hierin wordt gesteld dat de wet niet van toepassing is op Nederlanders van wie de vader of moeder in het Europese deel van Nederland door afstamming of optie het Nederlanderschap heeft verkregen, of aan wie het Nederlanderschap is verleend. Voor wie op de BES-eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba het Nederlanderschap heeft verkregen, zal deze wet wel gelden. Ik constateer dat hiermee niet alleen onderscheid wordt gemaakt binnen het Koninkrijk, maar ook nog binnen het land Nederland zelf. Graag een reactie. Hoe ziet de indiener dat? Ik zie hem knikken, wellicht omdat hij het niet begrijpt. Mensen die op de BES-eilanden het Nederlanderschap hebben verkregen, komen te vallen onder deze wet. Dat zou dus een onderscheid zijn binnen het land Nederland zelf.

Ik leg de indiener ook graag de casus voor van twee kinderen die op dezelfde school zitten. Het ene kind is van ouders die het Nederlanderschap hier hebben verkregen, maar geboren zijn op Curaçao. Het andere kind is geboren op Curaçao, van mensen die al generaties op Curaçao verblijven. Zelfde geboortegrond, zelfde nationaliteit, zelfde school, zelfde omstandigheden, en toch maak je hier onderscheid. Doet dat geen afbreuk aan het wezenskenmerk van een rechtstaat? Ik leg de indiener de casus maar voor.

Voorzitter. Begrijpt mijn fractie het nu goed dat Antilliaanse Nederlanders worden uitgesloten van bijstand, sociale huisvesting en bijna alle andere overheidsvoorzieningen, doordat zij de eerste zes maanden in Nederland, en ook daarna, niet in de basisadministratie geregistreerd mogen worden, tenzij zij over toelating voor vestiging beschikken? Ik wil er niet over nadenken welke implicaties dit kan hebben. Heeft de indiener hierover nagedacht? Het meest schrijnend is misschien wel dit. Er komt een soort van vreemdelingentoezicht op Nederlanders uit de Cariben, wederom ongeacht of ze uit Aruba, Curaçao of Sint-Maarten komen, of van de BES-eilanden. Een redelijk vermoeden is genoeg om hen staande te houden en de nationaliteit vast te stellen. Hoe moet dat, op grond waarvan? Collega Voortman vroeg dat net ook al bij interruptie aan collega Azmani. In het verlengde hiervan is er dus zelfs vreemdelingenbewaring van toepassing op Nederlanders. Dat gaat dus heel erg ver. Graag hoor ik een reactie daarop.

Ik ben mij ervan bewust dat de indiener in de nota naar aanleiding van het verslag aangeeft dat de relatie tussen toegangsvoorwaarden en integratieproblemen genuanceerd ligt. Er wordt zelfs gesteld dat integratie helemaal niet het doel is van de wet. Met dit wetsvoorstel wordt gepoogd, een evenwichtige regeling te treffen voor vrij verkeer binnen het Koninkrijk. Als dat echter het doel is, dan is dit wetsvoorstel toch niet het juiste middel? Dit gevoel bekroop mij helemaal toen ik de laatste nota van wijzigingen zag: door middel van een horizonbepaling vervalt de wet zodra er een rijkswet tot stand wordt gebracht. We weten allemaal heel goed waarom een rijkswet niet haalbaar is. Waarom spreken we dan überhaupt nog over deze wet?

De commissie-Meijers onderstreept uitvoerig, waarom dit wetsvoorstel ingaat tegen internationale verdragen. Ze noemt onder andere het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie van de VN, het Europees Verdrag voor de Rechten van Mens, het internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag betreffende de Europese Unie. Dit brengt mij bij een belangrijke vraag die ik de indiener wil stellen. Hij heeft deze kritiek op zijn wetsvoorstel ook gelezen. Waarom zet hij dan toch door? Als hij dit leest, waarom denkt hij dan toch dat dit middel proportioneel is, gezien de kritiek van de commissie-Meijers? Deze commissie verwijst ook terecht naar een uitspraak over de Commonwealth Immigration Act 1968, een vergelijkbare wet waarmee moest worden voorkomen dat Britse staatsburgers van Aziatische afkomst die in Kenia of elders in Afrika wonen, het recht hadden om zich in Groot-Brittannië te vestigen. De Commissie voor de rechten van de mens oordeelde dat deze wet de menswaardigheid van deze groep aantast. Ziet de indiener de overeenkomst tussen zijn wet en deze Commonwealth Immigration Act? Degradeert dit wetsvoorstel Antilliaanse Nederlanders tot tweederangs staatsburgers?

We beleven hier iets unieks: we hebben een Vreemdelingenwet, die voor elke niet-Nederlander toelating en verblijf regelt. Als deze wet wordt aangenomen, krijgen we daarnaast nóg een vreemdelingenwet: een nieuw type vreemdeling wordt dan de Nederlander die van Aruba, Curaçao of Sint-Maarten komt. Deze vreemdeling staat niet aan verwijdering bloot — dat is een term uit de Vreemdelingenwet — maar aan teruggeleiding. Dat is op zijn minst curieus. Ik ben ervan overtuigd dat we vooruit moeten kijken en samen met Aruba, Curaçao en Sint-Maarten de problemen die we ondervinden moeten aanpakken. We zijn met elkaar verbonden door onze geschiedenis, en daarom moeten we de handen ineenslaan en niet met de ruggen naar elkaar toe gaan staan.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

 

 

 

 

« Terug

Nieuwsarchief > 2014

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari