Bijdrage Gert-Jan Segers aan het wetgevingsoverleg Personeel Defensie

maandag 03 november 2014 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Gert-Jan Segers als lid van de vaste commissie voor Defensie aan een wetgevingsoverleg met minister Hennis-Plasschaert van Defensie

Onderwerp:   Personeel Defensie

Kamerstuk:    34 000 - X

Datum:           3 november 2014

De heer Segers (ChristenUnie): Mijnheer de voorzitter. Het kostbaarste bezit van Defensie zit hem niet in vastgoed of in F-16's of de opvolger daarvan maar in het personeel, de duizenden werknemers van Defensie. Tot onze tevredenheid hebben we gezien dat er sprake is van een trendbreuk: na draconische bezuinigingen komt er in de Defensiebegroting nu eindelijk voor het eerst weer geld bij. De vraag is dan echter wel in hoeverre een belangrijk deel daarvan naar het personeel gaat. De minister zegt dat personeel het belangrijkste is wat zij heeft, dat dat het belangrijkste bezit van Defensie is. Waaruit blijkt dat bij de besteding van de extra middelen? Kan de minister dat inzichtelijk maken?

Ik stip heel kort vier specifieke onderwerpen aan. Het eerste is de schuldenproblematiek. Collega Knops heeft daarover al het een en ander gezegd. Ik sluit me daarbij aan. Bij een werkbezoek aan een willekeurige landmachtdivisie constateerde militaire vakbond VBM dat 11% van de militairen in de schuldhulpverlening zit. Dat is echt een zorgelijk hoog percentage. Er zijn voorbeelden van militairen die niet willen of kunnen doorstromen naar een andere functie omdat het reizen dan kosten met zich brengt die ze niet kunnen opbrengen. Ook kunnen verhuizingen vanwege het sluiten van posten, plekken of kazernes grote gevolgen hebben voor de financiële positie van militairen en hun gezinnen. Mijn concrete vraag aan de minister is of de minister na het toesturen van de resultaten van het in kaart brengen van de schuldenproblematiek -- die toezegging is inderdaad in april gedaan -- bereid is om het bedrijfsmaatschappelijk werk verantwoordelijk te maken voor de schuldsaneringshulp aan militairen en om daarvoor dan ook een aantal extra fte's beschikbaar te maken omdat dat nu al het werk niet aankan. Is zij bereid om het daar neer te leggen en extra zorg aan dit punt te besteden?

Mijn tweede punt is de zorg voor het thuisfront. De impact van de uitzendingen van militairen is groot voor henzelf maar ook voor het thuisfront, voor de gezinnen van de mannen en vrouwen die worden uitgezonden. Er zijn relatieproblemen. Het is soms lastig om het gewone leven weer op te pikken. Er is echtscheiding en dreiging van echtscheiding. Dat zijn zorgen. Dat zijn zaken die ons aan het hart moeten gaan.

Is de minister bereid om te kijken naar positieve en negatieve factoren die bijdragen aan het al of niet welbevinden van het thuisfront van de uitgezonden militairen? Dan kun je denken aan de uitzendduur, de beschikbaarheid van maatschappelijk werk, geestelijke verzorging voor het thuisfront, maar ook heel simpele dingen als de aanwezigheid van wifi, zodat contact met het thuisfront mogelijk is. Is de minister bereid om zo'n thuisfrontcheck uit te voeren?

Mijn derde punt is de ontevredenheidsbarometer. Er is al eerder gesproken over de dissatisfiers. Het gaat soms om iets heel simpels, zoals de beschikbaarheid van een gezonde en enigszins betaalbare maaltijd op de kazerne of voldoende toegang tot internet. Er is een direct verband tussen dergelijke zaken en het onvermogen om gekwalificeerd personeel aan te trekken en vast te houden. Is de minister bereid om aan een nieuwe personeelsrapportage een nieuwe top tien toe te voegen van dissatisfiers, met een actieplan? Wat zijn de kleine ergernissen en wat kunnen we eraan doen om soms met heel kleine middelen ervoor te zorgen dat militairen wel tevreden zijn?

Ik sluit mij aan bij de zorgen die collega Eijsink heeft uitgesproken over de geestelijke verzorging. Twee jaar geleden is een motie van mijn hand aangenomen, waarin werd gevraagd om niet extra of buitensporig te bezuinigen op geestelijke verzorging. Is de minister bereid om voor de begrotingsbehandeling van volgende week te laten weten hoe aan die motie uitvoering wordt gegeven bij de maatregelen die nu op het gebied van geestelijke verzorging worden genomen? Mij hebben dezelfde zorgwekkende geluiden bereikt als collega Eijsink. Het zou mooi zijn als wij daarover voor de begrotingsbehandeling een brief kunnen ontvangen.

De heer Jasper van Dijk (SP): Het gaat even over het gezinsleven, het thuisfront. Ik lees en hoor berichten dat de ChristenUnie zegt dat je de uitzendperiode moet terugbrengen naar drie maanden, maar als ik het goed beluister, zegt de heer Segers nu dat hij er onderzoek naar wil laten doen. Is dat nu helemaal verkeerd begrepen door de media of is het een voorstel om de uitzendtermijn terug te brengen naar drie maanden? Heeft hij daar dan ook de beschikbare middelen voor, want dat gaat geld kosten?

De heer Segers (ChristenUnie): Voor alle helderheid, mijn voorstel is niet om de uitzendduur in te korten, maar ik vraag de minister om daarnaar te kijken. Naar ik meen is de duur van uitzending naar Irak nu drie maanden in plaats van vier maanden, tot grote tevredenheid van het personeel. Als we weten dat die ene maand bijdraagt aan het welbevinden van het thuisfront, en uiteindelijk ook van de militair zelf, dan kan dat een middel zijn. Ik zou graag een onderzoek willen, waarin wordt gekeken naar de uitzendduur van vijf of zes maanden, langer of korter. Wat is de impact daarvan? Is het vaststellen van die uitzendduur een factor die we bij een volgende missie kunnen meenemen?

De heer Jasper van Dijk (SP): Dan stel ik vast dat de heer Segers door de media verkeerd is begrepen. Daarin las ik dat militairen niet langer dan drie maanden zouden mogen worden uitgezonden. Dat is dus verkeerd weergegeven, want de heer Segers pleit slechts voor een onderzoek.

De heer Segers (ChristenUnie): Dat is correct, met de aantekening dat de uitzendduur wel een factor kan zijn. Ik vraag de minister om serieus te bekijken of we winst kunnen boeken door iets vaker en iets korter uit te zenden.

De heer Knops (CDA): Op de site van de NOS staat een heel duidelijke quote dat het de heer Segers een goed idee lijkt om de uitzendduur te beperken. Dat heeft hij zojuist toegelicht. Ik moet zeggen dat dit mij niet zo verstandig lijkt, omdat er allerlei consequenties aan vastzitten. Ik waardeer de inzet om te bekijken hoe je de relatie tussen militairen en het thuisfront kunt versterken, maar dat terzijde.

De heer Segers zinspeelde in zijn vragen aan de minister op meer geld voor personeel. Hij heeft zelf aan de onderhandelingstafel gezeten en meegepraat over meer geld. Hij noemt dat ook een trendbreuk. Heeft hij meer ingezet en minder gekregen? Wat is het probleem, waardoor hij in deze setting vraagt om meer geld, terwijl hij zelf aan tafel zat?

De heer Segers (ChristenUnie): Als je meepraat over de begroting -- iets wat ik de CDA-fractie overigens van harte kan aanbevelen -- kunnen er redenen zijn om een aantal heel specifieke eisen neer te leggen. Dat hebben we bijvoorbeeld vorig jaar gedaan. Wat mij betreft is dat echter eerder uitzondering dan regel. De zorg voor het personeel hebben wij inderdaad heel nadrukkelijk meegegeven. Er is dus geld toegevoegd aan het budget voor Defensie. Wat ons betreft is de zorg voor het personeel inderdaad een zorgpunt. Er is bijvoorbeeld nog steeds geen cao. Dat punt hebben wij uitdrukkelijk meegegeven.

De heer Knops (CDA): U zegt dus: ja, we hebben aan tafel gezeten; we hebben ons best gedaan maar we hadden graag meer willen hebben. Daar sluit het CDA zich graag bij aan. Wij hadden het komende jaar 250 miljoen extra vrijgemaakt, nog iets meer dan u, behoorlijk veel meer zelfs. Ik concludeer hieruit dat de andere partijen die aan tafel zaten blijkbaar minder wilden. Dat kan niet anders dan de conclusie zijn.

De heer Segers (ChristenUnie): Het is uiteindelijk aan de minister om voorstellen te doen voor de wijze waarop zij met het geld omgaat. Daarom vraag ik ook waaruit bij de besteding van de middelen blijkt dat het personeel de ruggengraat van de organisatie is. Dat is mijn vraag aan de minister. Ik begrijp dat de CDA-fractie zich bij deze vraag aansluit. Het verschil is dat als je aan de onderhandelingstafel zit, het over echte middelen gaat als er een besluit valt, en niet over een tegenbegroting.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik heb ook een vraag over de uitzendtermijn. De Kamer heeft eerder in den breedte gezegd dat je ook moet kijken naar het belang van Defensie. We hebben discussies gehad over de uitzendtermijn van zes maanden naar Irak. Die termijn werd toen voor de eerste keer vier maanden, afhankelijk van functieduur et cetera. Begrijp ik het goed dat de heer Segers zegt dat dit belang ook vooropstaat en dat je beide belangen goed moet afwegen? Ik hecht er namelijk ook aan dat beide belangen goed worden afgewogen. Een kortere uitzendtermijn kan voor de betrokkene heel fijn zijn, maar voor de organisatie kan het een ramp zijn. Het ligt natuurlijk ook aan het soort missie.

De heer Segers (ChristenUnie): Uiteraard. Een en ander moet in samenhang worden afgewogen. Beide belangen liggen op tafel. Ik vraag nu speciale aandacht voor het belang van het thuisfront. Kijk daar eens daar. Mochten er kleine aanpassingen mogelijk zijn die bijdragen aan het welbevinden, dan moeten we die voortgang boeken. Uiteraard moeten ook het belang van Defensie en de kwaliteit van de missie worden meegewogen. Als je vaker moet wisselen, is er een langere inwerktijd. Dat moet in de realiteit worden afgewogen. Beide belangen liggen op tafel. Ik vraag nu aandacht voor het ene belang, maar dat andere ligt er nadrukkelijk ook.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Daar ben ik het helemaal mee eens. De Partij van de Arbeid heeft ook weleens het volgende voorgesteld. Dat sluit ook aan bij hetgeen de heer Segers heeft gezegd. Soms is het namelijk niet mogelijk. F-16-piloten zijn bijvoorbeeld heel vaak weg. Wij hebben gevraagd welke satisfiers de organisatie apart kan inbrengen voor dit specifieke thuisfront, op langere en korte termijn. Ik neem aan dat de heer Segers ook daarvoor openstaat? Er zijn specialistische functies die schaars zijn. Die moeten dus ingezet worden, hoe vervelend dat ook is. Daarom stellen wij voor om speciale satisfiers of ondersteuning te bieden aan het thuisfront. Ook dat kan gedifferentieerd en met maatwerk gebeuren.

De heer Segers (ChristenUnie): Dat is een mooie toespitsing voor de vraag of er nog speciale zorg is. Speciale kennis en speciale eenheden die vaker worden uitgezonden, vragen om extra zorg en aandacht. Wat mij betreft wordt deze vraag doorgespeeld naar de minister.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

« Terug

Nieuwsarchief > 2014

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari