Bijdrage Gert-Jan Segers aan het algemeen overleg Integratieonderwerpen

woensdag 12 november 2014 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Gert-Jan Segers op het plenair debat Integratieonderwerpen voor de commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Onderwerp:   Integratieonderwerpen

Kamerstuk:    32 824

Datum:           12 november 2014

De heer Segers (ChristenUnie): Voorzitter. Het Nederlanderschap heeft weinig te maken met de kleur van je huid, maar alles met meedoen, fundamentele waarden en fundamentele vrijheden. Dat betreft precies de portefeuille van deze minister. Het interessante is dat de minister zoekt naar manieren om de fundamentele waarden te onderstrepen. Hij doet dit door middel van een participatiecontract, waarmee nu een begin wordt gemaakt. De eerste ervaringen zijn er. Een deel van de Kamer heeft er soms wat neerbuigend over gesproken. Daaraan heb ik niet meegedaan, omdat het onderstrepen van de waarden cruciaal is. Wat zijn de eerste bevindingen? Is het inderdaad een manier om het gesprek aan te gaan over de waarden en vrijheden die je geniet en ook anderen gunt?

Het ingewikkelde bij integratie is dat het waarden en denkbeelden betreft en dat de overheid beperkte middelen heeft om daarin te sturen. Gelukkig maar. Wij willen immers geen gedachtepolitie en we willen het denken van mensen niet sturen. Tegelijkertijd draait het wel om de waarden en fundamentele vrijheden. Wat je dan krijgt, is heel veel onderzoek en gesprekken. Dat voelt altijd wat onbevredigend. Bovendien vraagt de Kamer aan de minister om nog eens onderzoek te doen naar dit en nog eens te spreken met die. We kunnen zo weinig doen. Dat is het frustrerende van dit debat.

Het knelt op het punt van financiering van religieuze gemeenschappen in Nederland door onvrije landen. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) heeft ernaar gekeken en hierover een advies uitgebracht dat een stukje verder gaat. In de reactie van de minister proef je tegelijkertijd reserve. De rechtsstaat die we willen verdedigen, biedt immers ook vrijheid aan degenen die daarover misschien wat andere gedachten hebben. Nogmaals, we willen geen gedachtepolitie. Het interessante is wel dat de RMO de aanbeveling doet om bijvoorbeeld het nationaal belang breder te definiëren: kijk er niet alleen naar in economische termen, maar ook in termen van samenleving en waarden. Is dat niet een handvat waarmee de minister uit de voeten kan? Is dat niet iets waarmee hij of zijn naaste collega, de minister van Buitenlandse Zaken, verder aan de slag wil? Is het pleidooi van de RMO om het onderwerp via de weg van diplomatie veel nadrukkelijker te agenderen?

Het is wat ongemakkelijk om te zien dat onze minister van Buitenlandse Zaken, althans de vorige, zeer actief was met de stickers die de heer Wilders uitbrengt en al het ongemak die deze opleveren voor de relatie met Saoedi-Arabië. Dat is begrijpelijk. Ik wil echter dezelfde actieve houding wat betreft de financiering vanuit de onvrije landen richting organisaties die misschien wel in salafistisch vaarwater zitten. Dit leidt tot mijn volgende vraag.

Excuus dat het weer een vraag naar onderzoek betreft. Moeten wij echter niet kijken naar de relatie tussen salafisme en jihadisme? In gesprekken met mensen die in radicaal vaarwater hebben gezeten en daaruit geraakt zijn, kwam iedere keer naar voren dat salafisme en jihadisme heel dicht op elkaar zitten en twee kanten van dezelfde munt zijn. Zijn er, gelet op het belang van de rechtsstaat, het belang van de bescherming van vrijheden en het nationaal belang, niet meer gronden of mogelijkheden om veel kritischer te kijken naar de financiële stromen?

In reactie op een motie van mijn hand die alweer anderhalf jaar geleden is aangenomen, is het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) bezig met onderzoek. Het duurt wel heel lang. Hoe staat het ermee? Wanneer kunnen we erover spreken? Kunnen we het onderzoek van het WODC samen met het advies van de RMO nogmaals agenderen en bespreken? Dat zal dan zijn zodra het WODC klaar is.

In de strijd tegen jihadisme heeft de minister gezegd dat het CMO een van de bondgenoten is. Twee belangrijke spelers daarbinnen, de heer Van der Blom en de heer ElForkani, hebben contact met een imam uit Qatar, de heer Suwaidan. Dit is een heel concreet voorbeeld van banden tussen daar en hier en de invloed van daar en hier. De heer Suwaidan zegt vreselijke dingen over joden en over een strijd tegen Israël. Twee bondgenoten van de minister afficheren zich heel duidelijk met deze geleerde en zoeken hierin hun heil. De minister wil heel kritisch kijken naar de invloed van imams. Hij heeft zelfs het woord "haatimams" in de mond genomen. Is dit nu zo'n casus die de minister nog eens heel nadrukkelijk wil bekijken?

Wat betreft de parallelle gemeenschappen en de Turkse integratie sluit ik mij aan bij eerder gestelde vragen. Hoe concreet wordt het? Wat is de betekenis van de uitspraak van de minister dat hij het gebrek aan transparantie over de lange arm van Turkije niet langer wil laten bestaan? Is diplomatie hiervoor niet de aangewezen weg?

Tot slot heb ik een vraag voor de minister die ik vorig jaar ook heb gesteld. De Armeense genocide vond vorig jaar 99 jaar geleden plaats. Komend voorjaar is het 100 jaar geleden. De uitnodiging is vorig jaar uitgegaan. De minister heeft gezegd dat hij een en ander welwillend zal bekijken. Het is niet van een bezoek gekomen. Is de minister bereid om op de uitnodiging in te gaan als aanstaande april wordt herdacht dat 100 jaar geleden de Armeense genocide plaatsvond, ook gezien de, ik meen Kamerbreed, aangenomen motie-Rouvoet c.s.? Daarin staat dat de erkenning van de Armeense genocide iedere keer ter sprake moet worden gebracht in de contacten met Turkije. Is dit niet het moment om betrokkenheid en solidariteit met de Armeense gemeenschap uit te spreken en dit zichtbaar te maken door middel van een bezoek aan de herdenking van de genocide?

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

 

« Terug

Nieuwsarchief > 2014

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari