Bijdrage Gert-Jan Segers aan het algemeen overleg Onderzoeksopzet Cees H

donderdag 23 april 2015 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Gert-Jan Segers als lid van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie aan een algemeen overleg met minister van der Steur van Veiligheid en Justitie

Onderwerp:   Onderzoeksopzet Cees H

Kamerstuk:    34 000 – VI

Datum:           23 april 2015

De heer Segers (ChristenUnie): Mevrouw de voorzitter. We hebben in de Kamer en daarbuiten al veel gesproken over de schikking met Cees H. Die zaak blijft ons achtervolgen zolang de waarheid niet op tafel ligt. Vandaar dat de motie-Slob c.s. is ingediend, met als grote doel dat de waarheid op tafel moet komen. Ik dank de minister dat hij deze handschoen heeft opgepakt, dat hij die motie wil uitvoeren en die uitvoering voortvarend oppakt.

Ik heb nog wel een aantal vragen en opmerkingen daarover. Allereerst mis ik eigenlijk een overkoepelende vraag, over de waarheidsvinding. Dat moet het grote doel zijn: de waarheid moet op tafel komen. Daar moet het dus om draaien. Er vallen heel veel vragen onder. Voor welk bedrag is destijds toestemming gegeven? Heeft de toenmalige officier van justitie binnen de richtlijnen gehandeld? Wat was de informatiepositie van het College van pg's? Hoe kan het dat de minister en al zijn ambtsvoorgangers heel lang hebben geloofd in een schikkingsbedrag van 2 miljoen gulden? Hoe kan het dat nader onderzoek door Van Brummen de toenmalige minister heeft afgebracht van die conclusie, terwijl hij verder moest oordelen op basis van dezelfde documenten als in het voorjaar? Wat is er al die tijd binnen het ministerie gebeurd? Wist niemand dan hoe het zat? Waarom voelden medewerkers zich niet vrij om te spreken? Of hebben zij dat wel gedaan? Concluderend: wat is de waarheid?

Het is goed dat de commissie de schikkingsovereenkomst zelf zal toetsen aan de hand van de toen geldende regelgeving en dat zal spiegelen aan het huidige beleid, zeker omdat het gaat om de periode vlak na de commissie-Van Traa en de commissie-Kalsbeek.

Een tweede belangrijk punt is voor mij de informatievoorziening vanuit het ministerie. Ik sluit mij aan bij collega Van Nispen. De onderzoeksopzet spreekt over "lekken". Dat woordje is echt een graat in mijn keel. Ik vind het niet verstandig om een kwalificerend woord als "lekken" te gebruiken. Ik stel voor om dat te veranderen. Waarom spreken we niet over "de omgang met informatie binnen het ministerie en vanuit het ministerie naar buiten toe"? Want hebben de medewerkers zich wel vrij gevoeld om te spreken? Dat is voor mij een heel belangrijke vraag. "Lekken" is echt heel kwalificerend. In de dagen rondom het aftreden van de bewindslieden zijn ook kwalificerende woorden over het hele ministerie gebruikt, terwijl duizenden medewerkers dagelijks naar eer en geweten en naar hun beste kunnen de publieke zaak dienen. Hen moeten we niet over één kam scheren. Het onderzoek kan in dat opzicht ook veel rechtzetten: wat is het gevolg van de cultuur binnen het ministerie en wat is het gevolg van bijvoorbeeld de wijze van archivering? Laten we niet te makkelijk zwartepieten naar een mogelijk lek maar gericht zijn op waarheidsvinding. Zonder de bronnen van Nieuwsuur had dat bonnetje nog steeds ergens in de digitale krochten van het ministerie verkeerd. Laten we ook onze zegeningen tellen dat dit deel van de waarheid boven water is gekomen.

Ik kom op mijn derde punt. Medewerkers zijn verplicht om alle medewerking te verlenen aan het onderzoek. Dat is terecht. Maar daar moet wel iets tegenover staan, namelijk dat mensen veilig kunnen spreken. De commissie moet een veilige plek zijn om gevraagd en ongevraagd informatie te brengen. En wat als de medewerkers geen kant op konden met informatie of wisten dat die tot problemen met leidinggevenden zou leiden? Wat zijn volgens de minister de gevolgen voor deze medewerkers? Als men enerzijds terecht verplicht wordt om mee te werken, vind ik anderzijds ook dat de veiligheid gegarandeerd moet worden. Graag ontvang ik een reactie op dat punt.

Ik heb nog een andere vraag. Kan de minister bevestigen dat het rapport gelijktijdig verzonden zal worden naar beide Kamers en regering? De onderzoeksopdracht is immers vanuit de Kamer verzonden. Dat zou parallel lopen aan de manier waarop het destijds verliep met de commissie-Davids.

In de onderzoeksopdracht staat dat in protocollen wordt vastgelegd welke bijzondere voorzieningen worden getroffen indien informatie wordt verlangd. Ik wil verzoeken dat de Kamer ook over deze protocollen geïnformeerd wordt en daarover zo nodig kan spreken met de minister. Het uitgangspunt moet zijn dat de commissie bevoegd is om kennis te nemen van alle informatie die zij nodig acht en die zich binnen de relevante overheidsdiensten bevindt. Kan de minister dat bevestigen? En gaat hij de Kamer over de protocollen informeren? Ook daarbij is er een parallel met de commissie-Davids.

In de commissie ontbreekt een persoon met goede kennis van ICT. Of denkt de minister daaraan als hij het heeft over archivering? Mijn vraag is dus of het ICT-deel van de kennis geborgd is in de commissie.

Mijn laatste punt betreft de beschikbaarheid van de commissie nadat het rapport verzonden is. Ik denk dat het goed is als de commissie zich beschikbaar houdt om na verschijning van het eindrapport met de Kamer in gesprek te gaan. Ik vraag de minister om ook op dat punt de opdracht aan te vullen.

Concluderend: wij en de commissie zullen niet kunnen rusten voordat de waarheid op tafel ligt en we dit dossier echt kunnen sluiten. Ik denk dat dit in ieders belang is, en het zou ook het grote doel moeten zijn.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

« Terug

Nieuwsarchief > 2015

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari