Inbreng verslag (wetsvoorstel) Gert-Jan Segers inzake Voorstel van wet van het lid Van Tongeren tot intrekking van de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens

donderdag 23 april 2015 00:00

Inbreng verslag (wetsvoorstel) van ChristenUnie Tweede Kamerlid Gert-Jan Segers als lid van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie met betrekking tot een Voorstel van wet van het lid Van Tongeren tot intrekking van de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens

Onderwerp:   Voorstel van wet van het lid Van Tongeren tot intrekking van de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens

Kamerstuk:    33 939

Datum:           23 april 2015

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van het initiatiefwetsvoorstel van het lid Van Tongeren tot intrekking van de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens. Zij zijn van mening dat zorgvuldig moet worden omgaan met opslag van persoonsgegevens. Bewaartermijnen van gegevens van burgers door de overheid en in het bijzonder door bedrijven moeten daarom beperkt worden waar dat mogelijk is. Zij zijn niet voor algemene en ongerichte opslag van gegevens zonder dwingende noodzaak. Zij hebben evenwel enkele vragen bij het onderhavige wetsvoorstel.

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat de regering bij brief van 10 april heeft laten weten de voorlopige voorziening met betrekking tot de bewaarplicht in kort geding niet aan te vechten en zo snel mogelijk met een wijzigingswetsvoorstel te komen. Waarom meent de initiatiefnemer anders dan de regering dat geen noodzaak bestaat om met aangepaste wetgeving te komen, maar dat het verstandiger is om helemaal terug te keren naar de wet- en regelgeving van voor de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens? Wat bedoelt de initiatiefnemer in dit verband met de laatste zin van het algemene deel van de Memorie van Toelichting? Acht de initiatiefnemer de situatie van voor de Wet bewaarplicht telecommunicatie afdoende zoals zij stelt in het Nader Rapport of meent zij toch dat er na intrekking van de bewaarplicht nieuwe wettelijke bevoegdheden nodig zijn inzake het raadplegen en bewaren van verkeersgegevens zoals zij lijkt te stellen in dat gedeelte van de Memorie van Toelichting? Indien de initiatiefnemer meent dat die nieuwe bevoegdheden nodig zijn, hoe zien deze er dan uit? En waarom acht de initiatiefnemer het ondanks de uitspraak van de voorzieningenrechter wenselijk om vooruit te lopen op een voorstel van de regering voor een met betere waarborgen omkleedde vorm van bewaarplicht?

De voorzieningenrechter constateert in r.o. 3.7. dat “uit het arrest van het Hof niet [kan] worden afgeleid dat een dergelijke ruime bewaarplicht hoe dan ook niet evenredig is ten opzichte van het beoogde doel”, zo lezen de leden van de fractie van de ChristenUnie in het gewezen vonnis. Deelt de initiatiefnemer het juridische oordeel van de regering in haar brief van 10 april dat volgens de voorzieningenrechter “de bewaarplicht als zodanig niet ter discussie staat”?

Wat vindt de initiatiefnemer van een aangepaste bewaarplicht binnen de juridische randvoorwaarden zoals die nu zijn geschetst door het Hof en de voorzieningenrechter, zo willen de leden van de fractie van de ChristenUnie weten.

Welke betekenis heeft volgens de initiatiefnemer de Eprivacyrichtlijn voor een eventuele herintroductie van een beter geborgde bewaarplicht voor de regering, nu de uitzondering in de dataretentierichtlijn is weggevallen?

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat defacto wordt voorgesteld om met dit initiatiefwetsvoorstel terug te keren naar de situatie van voor de Wet bewaarplicht telecommunicatie. Zij lezen dat de Raad van State opmerkt dat die oude situatie op verschillende punten mogelijk niet langer voldoet aan de voorwaarden uit het Arrest van het Hof en die gelden op grond van onder andere het Handvest. Meent de initiatiefnemer dat haar initiatiefwetsvoorstel voldoet aan het geldende recht met betrekking tot privacy? Zo ja, op welke gronden? Kan de initiatiefnemer op de voorbeelden van de Raad van State reageren?

De leden van de fractie van de ChristenUnie lezen dat het volgens de initiatiefnemer mogelijk blijft om specifieke gegevens van internet- en telecomaanbieders op te vragen na intrekking van de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens en dat deze mogelijkheid volstaat. Kan de initiatiefnemer aangeven op welke gronden dit kan worden aangenomen?

Kan de initiatiefnemer aan de leden van de fractie van de ChristenUnie aangeven hoe lang internet- en telecomaanbieders gegevens gemiddeld bewaren in het kader van bedrijfsvoering?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de initiatiefnemer het oordeel dat het onderhavige initiatiefwetsvoorstel beperkte gevolgen zal hebben voor de opsporing en vervolging van criminaliteit nader kan onderbouwen?

Zij vragen de initiatiefnemer of zij van de regering of betrokken organen advies heeft gevraagd over de gevolgen van het initiatiefwetsvoorstel voor opsporing en vervolging van criminaliteit? Zo nee, is de initiatiefnemer alsnog bereid dit te doen? Zo ja, hoe luidde dit advies?

Zij vragen voorts of de initiatiefnemer van mening is dat het onderhavige wetsvoorstel ook beperkte gevolgen zal hebben voor het werk van de inlichtingendiensten?

Zij vragen de initiatiefnemer of zij van de regering of betrokken organen advies heeft gevraagd over de gevolgen van het initiatiefwetsvoorstel voor de operationele praktijk van inlichtingen en veiligheidsdiensten en de impact daarvan op de veiligheid in het algemeen en terrorismebestrijding en zware criminaliteit in het bijzonder. Zo nee, is de initiatiefnemer alsnog bereid dit te doen? Zo ja, hoe luidde dit advies?

De leden van de fractie van de ChristenUnie merken tot slot op dat in de artikelsgewijze toelichting over artikel 18.1 wordt gesproken, terwijl artikel 18.7. van de telecommunicatiewet lijkt te worden bedoeld.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

« Terug

Nieuwsarchief > 2015

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari