Bijdrage Eppo Bruins aan het plenair debat inzake de wijziging van de Wet op het primair onderwijs etc. i.v.m. invoering lerarenregister en registervoorportaal

woensdag 05 oktober 2016 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Eppo Bruins aan de plenaire behandeling van een wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs  

Onderwerp:   Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met de invoering van het lerarenregister en het registervoorportaal

Kamerstuk:    34 458          

Datum:           5 oktober 2016

De heer Bruins (ChristenUnie):
Voorzitter. Hoe belangrijk een leraar is, hoorde ik gisteren weer. De Tweede Kamer werd overmeesterd door 30 mannen, 30 meesters. Zij hebben mij en een aantal collega's een soort petitie aangeboden. Ze hadden al hun leerlingen gevraagd waarom het zo belangrijk is om een meester te hebben. Meester Wim uit Hoofddorp is volgens zijn leerlingen een superman, een supermaster, want "hij kan goed uitleggen, vertelt best mooie verhalen en hij is grappig". De meester van basisschool Kunstrijk, uit Arnhem, vindt het volgens zijn leerlingen niet zo erg om iets tien keer uit te leggen. En meester Roy is de beste. Een leerling schrijft: "Ik ben trots op mijn meester". Het is fantastisch om die meesters hier te hebben. Eens in de zoveel tijd overmeesteren zij een school met alleen maar juffen. Dan worden de juffen een dag naar huis gestuurd en dan nemen de meesters het over. Wat hebben die meesters nodig? Gisteren merkte ik dat zij eigenlijk niet zo heel erg bezig zijn met zo'n lerarenregister. Zij zeggen: geef ons rust, ruimte en autonomie; wij gaan die boel wel trekken en wij gaan er iets moois van maken; wij hebben het mooiste vak van de wereld; geef ons autonomie.

Die complimenten — we hebben ook grote posters gekregen met allerlei opmerkingen van leerlingen — zijn de mooiste complimenten die een leerkracht kan krijgen. Vandaag, de Dag van de Leraar, staat de leraar centraal. Daarbij gaat het om meesters en juffen. Laten we dat zo zeggen, want zij zijn in een goede mix nodig, zodat een school een goede afspiegeling is van de maatschappij, waar onze kinderen later in zullen moeten leven.

Het is belangrijk dat de leraren als beroepsgroep het stuur in handen krijgen. Het lerarenregister is in de visie van de ChristenUnie hooguit een middel en zeker geen doel. Dat is dan ook de kern van mijn bijdrage vandaag. Hoe kunnen wij deze beroepsgroep versterken zodat het onderwijs aan kinderen beter wordt? Is het tijdpad dat wordt geschetst, realistisch? Ligt het initiatief inderdaad in handen van het onderwijsveld en van de leraren? Op die vragen probeer ik vandaag een antwoord te krijgen zodat ik een goed oordeel kan vellen over hetgeen dit wetsvoorstel behelst.

Ik heb allereerst een vraag over de aanleiding van het wetsvoorstel. In het primair onderwijs doet zich het probleem van onbevoegde docenten niet voor, terwijl dit wel een aanleiding voor dit wetsvoorstel is. In het voortgezet onderwijs is slechts beperkt sprake van volledig onbevoegde leraren. Toch wordt onbevoegd lesgeven als aanleiding genoemd voor het wetsvoorstel. Hoe zit dit nu precies? Misschien is de aanleiding bijvoorbeeld meer status voor de leraar, maar ik verwacht niet dat een register dat nu per se zal bewerkstelligen. Daarom hoor ik graag van de staatssecretaris wat precies het doel is. Wanneer is dit register geslaagd? Kunnen wij dit vandaag helder krijgen?

Vorige week kwam de Onderwijsraad met het advies om leraren meer tijd te geven voor onderlinge samenwerking en feedback. Schoolbesturen moeten hiervoor de ruimte geven en de overheid moet op gepaste afstand blijven. Dat is een verstandig advies. Het gaat erom dat ook de eigen en gezamenlijke opvattingen, overtuigingen, normen en waarden die achter goed lesgeven schuilgaan, worden gedeeld en ter discussie mogen worden gesteld, aldus de Onderwijsraad. Als schoolbesturen meer ruimte moeten geven voor de ontwikkeling van docenten en docenten zich meer moeten gaan bijscholen, zijn die randvoorwaarden dan wel op orde? De heer Grashoff sprak hier ook al over. Scholen hebben soms de grootste moeite om een week lang docenten voor de klas te hebben staan en de klassen niet te groot te laten worden. Docenten moeten voor bijscholing veel tijd steken in hun opleiding. Ik constateer dat deze randvoorwaarden op dit moment niet op orde zijn. De tijd en ruimte voor ontwikkeling zijn onvoldoende aanwezig. Doen wij het dus wel in de goede volgorde? Zouden wij niet eerst de randvoorwaarden op orde moeten hebben voordat wij het lerarenregister verplicht stellen? Ik krijg hierop graag een reactie.

De ChristenUnie is van mening dat de kwaliteit van het onderwijs wordt bepaald door sterke onderwijsteams. Sterke onderwijsteams zijn divers, meesters en juffen, en sterke onderwijsteams kenmerken zich door goed leiderschap, bij de schoolleider en bij de docent, en ook zelfleiderschap van de docent. Als een onderwijsteam 100% bevoegd is, betekent dit niet per definitie dat er sprake is van een sterk onderwijsteam. Goed onderwijs wordt vooral bepaald door een sterke identiteit van de school, een gedragen visie op de pedagogisch-didactische aanpak, betrokkenheid van ouders en van de omgeving van de school, goed werkgeverschap, en mogelijkheden en ruimte voor leraren om bij te scholen. Over de interne feedback en leiderschap zei de Leraar van het Jaar, Wouter Siebers: wat daarbij ontzettend belangrijk is, is vertrouwen in je eigen expertise. Hij zei: leraren zijn soms maar een volgbaar volkje en ik zeg: doe het op je eigen manier.

Dit leiderschap zie ik graag breder terug in het onderwijs. De staatssecretaris heeft een aantal maanden geleden de leraren opgeroepen om te stoppen met overbodige administratieve handelingen en om tegen de inspectie nee te verkopen. Hij zei: Als zo'n leraar een goed verhaal heeft dat het geen enkele bijdrage levert aan goed onderwijs, dan heeft hij aan mij een goede als het gaat om steun. Ik vond dat een mooie uitspraak. Hoe zal dit wetsvoorstel de positie van docenten op dit punt versterken? Gaat het lerarenregister niet te veel voorbij aan de rol van de sterke onderwijsteams? De werkgever is verantwoordelijk voor een sterk team en in de Wet op de beroepen in het onderwijs staat letterlijk in de toelichting: Scholen worden bij uitstek in staat geacht zelf de bekwaamheid van het personeel te onderhouden. Voor mijn gevoel fietst het lerarenregister daar nu een beetje doorheen. Wat is de samenhang tussen het onderwijs- en het personeelsbeleid op de scholen in dit landelijke lerarenregister? Eigenlijk denk ik dat als wij het heel netjes zouden doen, het lerarenregister het sluitstuk moet zijn van een proces waar wij met zijn allen naartoe willen, namelijk de ontwikkeling van die professionele onderwijsteams.

In de toekomst volgt zelfs een sanctie als een leraar niet tot registratie overgaat. De Raad van State stelt dat de regering hiermee de schoolbesturen passeert die verantwoordelijk zijn voor de bekwaamheid van het personeel. Ik heb nog wel een goed antwoord nodig op de vraag hoe wij uit die spagaat komen. Schoolbesturen zijn namelijk formeel ook niet betrokken bij het bepalen van de herregistratie-eisen en de validatiecriteria. Waarom is dat niet wettelijk geborgd?

Voor mij is ook een belangrijke vraag waarom we een initiatief van onderop wettelijk moeten vastleggen en we het van bovenaf moeten verplichten. Het initiatief voor het vrijwillig lerarenregister is uit de beroepsgroep gekomen en dit wetsvoorstel moet volgens de staatssecretaris en de minister een stevige basis geven voor dit initiatief. Is dat echt nodig als het lerarenregister een middel is en dus geen doel?

De ChristenUnie wil dat er een lerarenregister is dat gedragen wordt door het veld. Zouden we de toets van de commissie-Dijsselbloem niet moeten loslaten, in lijn met mijn aangenomen motie in het kader van Onderwijs2032? Het is toch weer een onderwijsvernieuwing en Dijsselbloem zegt dat dit betekent dat overtuigend moet worden aangetoond dat overheidsinterventie noodzakelijk en goed onderbouwd is, dat er goed onderzoek is gedaan en dat er voldoende draagvlak is. Ik ben er nog niet van overtuigd dat dit het geval is, dus ik wil graag een reactie daarop.

Een register is in zekere zin statisch van aard, maar de wereld verandert steeds sneller en de maatschappelijke context wordt steeds complexer. Zitten we straks niet met een statisch register in een heel dynamische werkelijkheid? Dat wat er op ons afkomt, is een enorme uitdaging: het lerarentekort werd al eens genoemd door de heer Grashoff en er komt een zware nadruk te liggen op bevoegde docenten. Maar ik vraag mij af of het lerarenregister de zij-instroom van praktijkmensen niet in de weg zal staan. We willen de algemene toegang van onbevoegde leraren niet weigeren: ik denk dat we zij-instromers en hij-instromers enorm hard nodig hebben, bijvoorbeeld technische vakmensen, meester-gezelrelaties in het mbo. Rijd die mensen naar binnen in plaats van dat je ze eerst gaat vragen om zich in een register te zetten. Dat moeten we juist niet doen in het mbo waar we vakmensen zo hard nodig hebben om dit land draaiende te houden.

Voor nieuwe docenten die nog niet bevoegd zijn, komt er een registervoorportaal. Ik moet eerlijk gezegd een beetje denken aan het katholieke voorgeborchte: je weet dan nog niet of je in de hemel komt of in de hel. Het registervoorportaal … Ik weet het niet. Wordt dat niet iets van: ik hoor er net niet bij, of ik moet nog afwachten of ik erbij hoor? Ik kan daar nog niet zo veel mee, dus ik hoor daar vandaag heel graag wat meer over. Tegen de CDA-collega zeg ik overigens dat dit niet in mijn tekst staat.

Ik kom op de professionele standaard dat ook deel uitmaakt van het wetsvoorstel maar dat nog niet is ingevuld. Het beroepsprofiel is tien jaar geleden door de leraren zelf opgesteld, maar uit de schriftelijke ronde maak ik op dat de professionele standaard eigenlijk nog niet bestaat en dat ook nog niet duidelijk is welk doel deze heeft. Kan de staatssecretaris hierop nader ingaan? Hoe ziet hij dit proces voor zich? Waar gaat dit heen, welke tijdlijn geldt en zullen de leraren ook zelf aan zet zijn?

Tot slot zeg ik dat wij signalen hebben ontvangen van docenten waaruit blijkt dat zij zich zorgen maken over de privacy: de openbaarmaking van hun persoonsgegevens in het lerarenregister. Ze staan straks met naam en school in het register vermeld dat openbaar is via internet. Als je bevoegdheid en nascholing wilt bevorderen, vraag ik mij af of dat register openbaar moet worden gemaakt. Welke mate van openbaarheid heeft de staatssecretaris voor ogen? Is het niet voldoende om het register goed bij te houden, inclusief de prikkels voor bijscholing, en gewoon te kunnen zeggen dat je geregistreerd bent, wat je registratienummer is en dat het daarmee ophoudt wat de openbaarheid betreft?

Ik sluit af zoals ik begonnen ben. "Meester Wim: hij is de beste van de klas en hij is de grappigste meester van de wereld. Hij geeft goede lessen, zoals spelling, taal en rekenen en niet te vergeten natuur. Hopelijk ben je nog lang onze meester. Groetjes, Bram."

Informatie: www.tweedekamer.nl

Nieuwsarchief > 2016

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari