Bijdrage Eppo Bruins aan het plenair debat over de wijziging Wet primair onderwijs i.v.m. invoering vaststellen handelingsdeel ontwikkelingsperspectief na overeenstemming ouders

woensdag 12 oktober 2016 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Eppo Bruins aan een plenair debat met staatssecretaris Dekker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Onderwerp:   Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van het vaststellen van het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief na overeenstemming met de ouders

Kamerstuk:    34 446          

Datum:           12 oktober 2016

De heer Bruins (ChristenUnie):
Voorzitter. Iedere ouder wil het beste onderwijs voor zijn of haar kind. Zeker als er extra ondersteuning nodig is, is het belangrijk dat ouders kunnen meepraten. Voor de ChristenUnie is de positie van ouders belangrijk. Het gaat immers over hun kind. In 2014 is het stelsel van passend onderwijs ingevoerd, waarbij "op overeenstemming gericht overleg" in de wet is ingevoerd. In de memorie van toelichting zie ik geen reflectie terug op de werking van dit onderdeel van de Wet passend onderwijs. Bij de start van het wetsvoorstel is onder meer door de ECPO gewaarschuwd voor de borging van de positie van ouders. Ik vraag de staatssecretaris: wat is de stand van zaken nu? Heeft de staatssecretaris bijvoorbeeld van onderwijsconsulenten veel signalen over mislukkende oogo's gekregen?

Ik heb veel schrijnende gevallen gezien van kinderen die thuiszitten omdat de school niet de juiste zorg kan leveren of van ouders die met de handen in het haar zitten omdat het handelingsplan niet voldoet om het kind zich goed te laten ontwikkelen. De ouders die ons benaderen met de problemen die ze ondervinden, treffen scholen die niet bereid zijn tot overleg en die ook geen toenadering hebben gezocht. Ze lopen vast in het systeem. Scholen, zo zeggen ouders, zitten in deze gevallen in de zendmodus, waarbij er geen overeenstemming is, laat staan een overleg. Zij negeren dus de wettelijke plicht om een op overeenstemming gericht overleg te voeren en passeren de ouders. Dat is eigenlijk het probleem. Kent de staatssecretaris die signalen ook? En hoe groot is dit probleem? Dat vraagt ook de Raad van State. De Raad van State wijst terecht op het belang van een evenwicht tussen de zorgplicht van scholen enerzijds en de wensen van ouders anderzijds. Dat is ook voor de ChristenUnie cruciaal.

De heer Van Meenen (D66):
Ik wil even terug naar het oogo, zoals dat in het onderwijs genoemd wordt. Dat bestaat al heel lang, maar dan in de relatie tussen scholen en gemeenten. Daarbij zitten de scholen in de positie waarin de ouders nu zitten: zij hebben een vraag, bijvoorbeeld gericht op huisvesting, en dan is de gemeente eraan gehouden om daarover een op overeenstemming gericht overleg te houden. Dat is feitelijk een verhullende term voor: je hebt als school gewoon helemaal niks te vertellen. Dat is eigenlijk ook de positie van de ouders. Is de heer Bruins op de hoogte van die praktijk? En hoe kijkt hij er vanuit dat perspectief naar dat de PO-Raad en de VO-raad nu doen alsof oogo een wondermiddel is waarmee ineens alle problemen kunnen worden opgelost?

De heer Bruins (ChristenUnie):
De heer Van Meenen slaat de spijker op de kop met zijn opmerking. Voor de ChristenUnie is precies dit punt cruciaal. Als oogo werkt, waar heb je dan instemmingsrecht voor nodig? Als oogo een doekje voor het bloeden is of een afkorting die in de praktijk eigenlijk niets betekent, dan moeten we heel goed bekijken wat die scholen dan aan het doen zijn. Het kan namelijk niet zo zijn dat je afspreekt om een oogo, op overeenstemming gericht overleg, te houden, maar dat dat in de praktijk niets betekent. Daar moeten we in dit debat achter zien te komen.

De heer Van Meenen (D66):
Ik kan de heer Bruins wel een stukje op weg helpen. Je hebt in de praktijk wel zo'n overleg, een oogo, maar het is niet verplicht om tot een uitkomst te komen. We maken hier geen wetten voor de 95% of misschien wel 98% van de gevallen waarin het in Nederland gewoon goed gaat, in dit geval dus ook met kinderen. We maken hier juist wetten om af te dwingen dat, als het nodig is, er ook een positie voor de ouders is. Dat is althans mijn opvatting. Ik ben benieuwd hoe de heer Bruins daarop reageert.

De heer Bruins (ChristenUnie):
De heer Van Meenen suggereert eigenlijk dat scholen op grote schaal hun wettelijke plicht negeren en dat de term "oogo" eigenlijk niets betekent. Ik hoor heel graag van de staatssecretaris welke signalen hij hoort en hoe groot dit probleem is, ook omdat dit voor de Raad van State een vraag was toen hij het wetsvoorstel bekeek.

De heer Van Meenen (D66):
Ter correctie: ik suggereer helemaal niet dat scholen in groten getale hun wettelijke plicht negeren. Ik zeg juist dat het in 98% van de gevallen op scholen gewoon goed gaat. Kinderen vinden daar de juiste zorg. Maar je maakt een wet voor de gevallen waarin het niet goed gaat.

De voorzitter:
Dank u wel. De heer Bruins vervolgt zijn betoog.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Eén ouder wees er terecht op dat niet alleen de school maar zeker ook de ouders een zorgplicht voor hun kind hebben. Ouders willen dat hun kind zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen, thuis en op school. Het is ook niet zo zwart-wit dat de school wel de professionele kennis over begeleiding en zorg heeft en de ouders niet. Ook ouders winnen deskundig advies in en hebben een visie op de ontwikkeling van hun kind. De vraag voor vanavond is: hoe vinden we hierin de balans, hoe geven we de gezamenlijke verantwoordelijkheid vorm? Als de huidige regels worden gehandhaafd en scholen en samenwerkingsverbanden doen wat ze behoren te doen, dan zou de situatie als volgt moeten zijn, zo zeg ik ook nog in reactie op wat de heer Van Meenen zei: scholen gaan in overleg met de ouders, zij komen met de ouders tot een oplossing die het beste voor het kind is en die door beide partijen gedragen wordt — de school en de ouders brengen hierbij elk hun eigen expertise en creativiteit in — en het samenwerkingsverband zorgt voor de juiste middelen om het handelingsplan uit te voeren. Ik hoor graag van de staatssecretaris of hij deze visie deelt. Is hij het met mij eens dat de invulling van de zorgplicht ook betekent dat de oplossing mede gedragen moet worden door de ouders? Sluit dit dan niet al aan bij de huidige wettelijke situatie van het op overeenstemming gerichte overleg of bij de praktijk, om op dit punt maar even met de heer Van Meenen mee te gaan? Is hier dan ook niet direct een sterk raakvlak met het goed regelen van de doorzettingsmacht binnen samenwerkingsverbanden, waarop de commissie voor OCW in AO's verschillende malen heeft gewezen en ten aanzien waarvan we ook de toezegging van de staatssecretaris hebben liggen dat dat op afzienbare termijn goed wordt geregeld?

In de schriftelijke beantwoording erkent de staatssecretaris dat het wetsvoorstel een groot risico op juridisering met zich brengt. Mevrouw Siderius noemde dat ook al. Kan hij nader toelichten wat hij daarmee bedoelt? Ik hoor bijvoorbeeld dat de stap naar de klachtencommissie vaak groot is, omdat ouders de vertrouwensrelatie met de school niet op het spel willen zetten. Graag krijg ik hierop een reactie.

Vóór de invoering van het passend onderwijs hadden ouders instemmingsrecht wat betreft het toenmalige handelingsplan. Dit handelingsplan was sterk verweven met het toenmalige rugzakje, het budget dat de leerling volgde. Het lag daarom in de rede om ouders een stevige invloed op de aanwending van dat geld te geven. Destijds heeft de ChristenUnie ook voor dit voorstel gestemd, maar de positie van ouders is inmiddels verzwakt en gek genoeg is de positie van scholen niet sterker geworden. Er is dus een andere balans, maar welke balans dat is, is eigenlijk nog onduidelijk, omdat het passend onderwijs nog maar net begonnen is. Scholen zijn nu afhankelijk van het budget vanuit samenwerkingsverbanden. Schoolbesturen hebben in dit systeem wel de zorgplicht, maar niet de zeggenschap over het geld. Dat kan gaan knellen. Als ouders forse eisen stellen aan het handelingsplan en meer uren begeleiding eisen, dan betekent dat in het nieuwe systeem van passend onderwijs niet automatisch dat de school hiervoor meer budget in handen heeft.

De heer Van Meenen (D66):
Ik bestrijd dat de positie van de scholen niet versterkt is. In ieder geval is dat wel ten opzichte van de ouders het geval. Die zijn iets kwijtgeraakt en dat zijn de scholen niet kwijtgeraakt. Is de heer Bruins het met mij eens dat het samenwerkingsverband niet een los van de scholen staand orgaan is, maar dat dat gewoon de gezamenlijke scholen zijn, bestuurd door de schoolbesturen?

De heer Bruins (ChristenUnie):
Dit is weer een heel mooie over theorie en praktijk, deze vraag van de heer Van Meenen. Wij zien dat de samenwerkingsverbanden op sommige plekken goed werken — dat geldt met name op plekken waar directeuren heel direct met elkaar in overleg treden — maar we horen ook dat het op sommige plekken nog niet goed gaat. Van leraren die een kind graag zorg en onderwijs aanbieden omdat ze het graag willen helpen hoor ik dat ze het er enorm moeilijk mee hebben dat dit toch nog een hele stap is, en dat het echt een heleboel tijd en administratie vergt voordat daar zekerheid over is. Op sommige plekken werkt het gewoon nog niet zo goed, en dan zie je dat ouders wel een zwakkere positie hebben gekregen, maar dat scholen niet de kracht erbij hebben gekregen die dat in balans zou brengen.

De voorzitter:
Afrondend, mijnheer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):
Er zijn ongetwijfeld samenwerkingsverbanden waarbij het niet goed werkt. Maar of die kracht nu bij het samenwerkingsverband als orgaan ligt, of bij de scholen: het gaat om een kracht aan de kant van de scholenorganisatie. Dan hebben die scholen met elkaar iets verkeerd afgesproken, maar dat kan toch nooit het recht van ouders in de weg staan?

De heer Bruins (ChristenUnie):
Mijn punt is dat de schoolbesturen of de leraren, afhankelijk van de vraag hoe goed een en ander georganiseerd is in de samenwerkingsverbanden, formeel gezien toch in de mangel kunnen komen te zitten tussen het samenwerkingsverband en de ouders. Of dit zo is, hangt heel erg af van de wijze waarop dit georganiseerd wordt. Ik hoor heel graag van de staatssecretaris hoe hij over deze mangel denkt, over deze extra laag die het samenwerkingsverband in sommige gevallen vormt.

Met het wetsvoorstel zal een onderscheid gaan optreden in de rechten van ouders tussen het ontwikkelingsperspectief en het handelingsplan. Bij het onderwijskundige doel is er op overeenstemming gericht overleg nodig en bij de instrumentkeuze, de uitwerking in het handelingsplan, is instemming van de ouders nodig. Dat kan een probleem opleveren wanneer school en ouders verschillend denken over het ontwikkelingsperspectief en het handelingsdeel. De Raad van State noemt het onderscheid kunstmatig en ik vraag me af of het wel of niet met een schaartje is te knippen. Ouders zouden zelfs indirect het ontwikkelingsperspectief kunnen beïnvloeden door hoge eisen aan het handelingsplan te stellen, bijvoorbeeld omdat zij vinden dat hun kind op een hoger niveau zou moeten uitstromen, met behulp van extra begeleiding. De staatssecretaris stelt in de schriftelijke beantwoording dat een aangescherpt handelingsplan tot een bijstelling van het uitstroomprofiel kan leiden. Dat kan toch niet de bedoeling zijn, aangezien we de leerkracht als professional beter in stelling willen brengen? Slaan we het uitstroomadvies van de leerkracht hierbij dan zomaar in de wind?

In het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs wordt nu ook een handelingsdeel in de wet opgenomen, en daarmee wordt dit in lijn gebracht met het regulier onderwijs. Maar in dat speciaal onderwijs is vaak nog mist over het zorggeld dat vanuit ouders moet worden ingezet, en datgene wat uit onderwijsgeld komt. Deze scheidslijn is voor ouders — mevrouw Siderius had het hier ook al zijdelings over — nog onhelder. Wordt dit met het handelingsdeel scherper inzichtelijk voor de ouders? Is dat een voordeel dat we uit dit wetsvoorstel kunnen halen?

Ik maak me zorgen — dat is mijn laatste punt — over de flinke toename in de administratieve lasten van 3,1 miljoen euro. In de memorie van toelichting staat dat het om 70.000 leerlingen x 1 uur x €45 gaat. Dat betekent dus 70.000 uur extra administratie voor leerkrachten in het speciaal onderwijs. Dit gaat toch ten koste van de uren in de klas? Hebben leraren niet al genoeg papierwerk te verrichten?

Ik meld in mijn eerste termijn nog dat ik, na alle wanhopige mails van ouders over scholen die niet in overleg willen treden, neutraal sta tegenover dit wetsvoorstel, maar dat ik nog steeds van mening ben dat op overeenstemming gericht overleg dat niet werkt zoals het hoort te werken, eigenlijk de klacht is van ouders, en niet zozeer dat ze instemmingsrecht nodig hebben. Ik wacht dus heel graag het vervolg van dit debat af.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl

Nieuwsarchief > 2016

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari