Bijdrage Eppo Bruins aan het algemeen overleg RBZ - Handel

woensdag 14 september 2016 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Eppo Bruins aan een algemeen overleg met minister Ploumen voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Onderwerp:   RBZ / Handel

Kamerstuk:    21 501 – 02  

Datum:           14 september 2016

De heer Bruins (ChristenUnie): Voorzitter. We spreken als Kamer heel regelmatig met de Minister over TTIP en CETA. Voordat de voorzitter mijn spreektijd start, wil ik graag de Minister bedanken voor haar constructieve en open manier van communi-ceren met de Kamer, zowel in de debatten als de brieven.

De voorzitter: Uw spreektijd loopt al!

De heer Bruins (ChristenUnie): Ik kon het proberen! Ik vind echt dat de Minister het onderwerp heeft gedemythificeerd. Zij heeft het echt tot realisme gebracht. Ik spreek de hoop uit dat we ook vandaag weer een open debat kunnen voeren op goed inhoudelijk niveau. Rondom TTIP is er goed nieuws. Voor zover de Kamer kan nagaan, houden de Europese onderhandelaars de rug recht. Volgens de Minister ligt de bal nu bij de Verenigde Staten. Volgens sommige andere lidstaten zijn de onderhandelingen mislukt. Hoe het ook zij, ik lees dat het belangrijkste knelpunt in de verschillende standaarden van milieu en voedsel zit. Kan de Minister bevestigen dat de EU niet onderhandelt over onze beschermingsniveaus van mens en milieu en dat er dus alleen harmonisatie kan zijn als de VS de Europese normen accepteren, en niet andersom?

CETA is een gemengd akkoord geworden, waardoor de Kamer zich kan uitspreken over zaken als ICS en de lijsten met uitzonderingen per sector. Een belangrijke vraag is: hoe en wanneer kan de Kamer dit gaan doen? En gaat dit gebeuren voordat CETA wordt ondertekend? Andere lidstaten hebben al blokkades opgeworpen voor voorlopige inwerkingtreding. De Nederlandse regering heeft nog geen positie ingenomen over de onderdelen die uitgezonderd zouden moeten worden van voorlopige toepassing, al kondigt de Minister aan dat wel te gaan doen voor onder meer ICS. Dat is ook goed nieuws. Betekent dat dan ook dat Nederland niet instemt met CETA als ICS wel voorlopig in werking treedt? De ChristenUnie is net als de SP nog steeds voorstander van een helder tijdpad. Het verdrag mag niet eerder in werking treden dan na ratificatie in alle lidstaten. Anders krijgen we gedoe, en dat willen we niet. Zou het niet een goed idee zijn om te wachten op de uitspraak bij het Europees Hof van Justitie die verwacht wordt in maart 2017? Zouden we niet eerst daar duidelijkheid over moeten hebben?

In mijn aangenomen motie wordt verzocht om de zeven uitgangspunten van de SER als inzet van Nederland te hanteren. Volgens de Minister voldoet CETA aan deze zeven uitgangspunten. Ik heb twijfels over de uitgangspunten 3 en 4. Die gaan over het handhaven of zelfs verhogen van het Europese beschermingsniveau en de beleidsruimte voor overheden om mens en milieu te beschermen. De Minister schrijft: niets dwingt ons onze standaarden te verlagen. Dat begrijp ik. Maar als standaarden verschillend zijn, is er een oneerlijk speelveld als het gaat om productiewijze en regelgeving. De ChristenUnie heeft er een voorkeur voor om eerst de standaarden te harmoniseren voordat er vrijhandelsafspraken worden gemaakt. Dat is het creëren van een level playing field. Met name voor de boeren is dit cruciaal, maar eigenlijk geldt dit voor alle sectoren waar standaarden in productiewijze verschillen.

Ik vind de garanties voor bescherming van mens en milieu nog erg dun. Mijn vraag aan de Minister is: staat het voorzorgsbeginsel nog overeind na CETA? Staat het Europese beginsel dat voedsel en andere producten pas op de markt komen als we zeker weten dat ze veilig zijn, nog overeind?

Ik constateer dat de eenzijdige investeringsarbitrage in ICS nog steeds overeind staat en dat er geen garantie is voor een goede publieke belangenafweging. Wel onderzoekt het kabinet een ICS-achtige instantie. Dat volg ik met interesse. Kan de Minister al iets vertellen over de denkrichting die de regering hierbij heeft.

Ik wil ten slotte nog iets zeggen over de lesser duty rule. Mijn collega Teeven heeft daar ook al even over gesproken. De ChristenUnie wil belangrijke industrie in Nederland beschermen tegen oneerlijke concurrentie zoals staatssteun of dumping. De EU doet niet genoeg om dumping tegen te gaan. De WTO geeft ruimte en keuzevrijheid – dat hebben we gezien in de antwoorden van de Minister – maar de EU heeft zichzelf dwingend opgelegd om de lesser duty rule maximaal toe te passen. Is de Minister bereid om dit te blijven aankaarten in de EU, zodat we ons niet onnodig buitenspel zetten? Zal zij in Bratislava pleiten voor een herziening van de handelsdefensie-instrumenten waaronder die lesser duty rule, bijvoorbeeld door deze niet toe te passen bij overcapaciteit? Kan de Minister aangeven hoe precies wordt aangetoond dat de Europese staalindustrie op dit moment geen schade meer ondervindt van de Chinese dumping? Met andere woorden: hoe weet de Minister dat de hoogte van de duty op dit moment hoog genoeg is? Ik zie een bewering dat dat zo is, maar ik zou dit heel graag onderbouwd zien met cijfers, ofwel hier in het debat of desnoods in een brief achteraf, met een onderbouwde berekening.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl

« Terug

Nieuwsarchief > 2016

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari