Bijdrage Carla Dik-Faber aan het plenair debat inzake de Tijdelijke wet Groningen

dinsdag 14 januari 2020 00:00

Bijdrage Carla Dik-Faber aan een plenair debat met minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat

Kamerstuknr. 35250

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Voorzitter. Sinds de beving in Huizinge in de zomer van 2012 zijn er tienduizenden, misschien zelfs inmiddels wel honderdduizend schades gemeld en dan heb ik het nog niet eens over de schades die niet gemeld zijn. We weten allemaal hoe het gegaan is. Er zijn pogingen gedaan om te komen tot snelle en onafhankelijke schadeafhandeling. In plaats daarvan had de NAM veel te lang een grote vinger in de pap en zijn mensen vastgelopen in papieren en in procedures. Niet voor niets hebben de Nationale ombudsman en de Onderzoeksraad voor Veiligheid kritische noten gekraakt over de wijze van schadeafhandeling. Was er aanvankelijk alleen schade aan gebouwen, nu is er ook sprake van immateriële schade, schade aan de gezondheid van mensen doordat ze te maken hebben met stress en met onzekerheid. Met het Nationaal Programma Groningen wordt gepoogd mensen nieuw perspectief te geven. En dat is goed. En er gebeuren ook mooie dingen. Projecten voor duurzame energie, sportvoorzieningen, dorpsvernieuwing en mensen kunnen ook zelf ideeën voor projectenp aandragen.

Tegelijkertijd raken al deze projecten mensen niet in het hart. Mensen zullen pas weer vertrouwen krijgen als zíj centraal staan. Mensen hebben niet gevraagd om schade aan hun woningen of schade aan hun gezondheid. Dan is wel het minste dat de overheid voorziet in ruimhartige afhandeling van schade, en dan ook echt alle schade.

Daarom is het goed dat wij vandaag spreken over de Tijdelijke wet Groningen. Hiermee komt er een publiekrechtelijke afhandeling van alle schade, door het op te richten onafhankelijke Instituut Mijnbouwschade Groningen, met rechtsbescherming bij de bestuursrechter. Daarnaast blijft de mogelijkheid van civielrechtelijke afhandeling van schade, rechtstreeks bij de NAM, met rechtsbescherming bij de burgerlijke rechter.

Voorzitter. Als we spreken over schade, dan gaat het ook over waardedaling, over immateriële schade en over kosten die een gedupeerde moet maken om schade aan te tonen. Ik zei het al: het is goed dat we met dit wetsvoorstel spreken over alle schade. Het is belangrijk dat schade ruimhartig vergoed wordt, zoals dat ook steeds beloofd is door de rijksoverheid en door de minister. Om die reden heb ik een amendement hierover van D66 meegetekend. Dan is het des te verrassender dat het bewijsvermoeden alleen geldt voor fysieke schade aan gebouwen. Ik ben wel benieuwd hoe de minister dit ziet. Kan immateriële schade meeliften op de fysieke schade, aangezien er een causaal verband is? Ik overweeg op dit punt een motie. Laten we voorkomen dat mensen die toch al genoeg voor hun kiezen krijgen ook nog deze strijd moeten aangaan.

Voorzitter. Een besluit over vergoeding van schade volgt uiterlijk acht weken na ontvangst van de aanvraag of twaalf weken na ontvangst van het deskundigenadvies als dit nodig is om tot een adequate beoordeling van de schade te komen. Dit deskundigenadvies kan echter volgens criteria in de wet een jaar op zich laten wachten. Kan dat niet sneller, zo vraag ik de minister. Welke bevoegdheden heeft hij, als minister, als termijnen structureel worden overschreden? De stuwmeerregeling ligt immers nog vers in het geheugen. Het was jammer dat die nodig was.

Voorzitter. Het is goed dat het instituut de mogelijkheid krijgt om een commissie van deskundigen in te stellen. Maar geldt dat ook voor gedupeerden? Kunnen zij een beroep doen op contra-expertise als ze het niet eens zijn met het oordeel van het instituut? Tot nu toe is deze mogelijkheid wel opgenomen in schadeprotocollen. Komt deze contra-expertise dan ook in aanmerking voor schadevergoeding? Graag een reactie van de minister.

Op veel plekken in de stukken lees ik over de wens om schadeafhandeling en versterking zo veel mogelijk in samenhang uit te voeren. Mijn fractie heeft daar ook vaak op aangedrongen. We moeten een dubbel aannemingsproces, twee keer mensen over de vloer en alle stress, zorgen en kosten die daarbij komen kijken, zien te voorkomen. Hoe wil de minister dit organiseren?

In de memorie van toelichting lees ik het volgende: "Wanneer het instituut wegens aard of omvang van de schade meent dat het, hoewel er geen sprake is van een acuut onveilige situatie, noodzakelijk kan zijn om een gebouw of werk versneld of sowieso op te nemen in het versterkingsprogramma, kan het instituut dit met instemming van de aanvrager ter afweging voorleggen aan de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het versterkingsprogramma." Dit alles stelt mij niet gerust. Als ik de zin goed lees, lees ik hier dat het initiatief bij het instituut ligt. Maar zijn de mensen die schade afhandelen hier wel voldoende op gericht? Komen mensen ook altijd wel langs — denk bijvoorbeeld aan de aannemersvariant — en kijken zij ook standaard of versterking aan de orde is?

Dan de bescherming van persoonsgegevens. Natuurlijk is die belangrijk, maar om schadeafhandeling en versterking in samenhang uit te voeren, zal er toch een bepaalde mate van uitwisseling van informatie moeten zijn. Ik hoor graag van de minister hoe een integraal proces, stap voor stap, er voor de bewoners uitziet, hoe zij hierin maximaal ontzorgd kunnen worden en waar zij terechtkunnen, bij dat ene loket waar deze Kamer al zo vaak op heeft aangedrongen en waar ook een motie van mij, door velen ondertekend, over is aangenomen. Ik heb op dit punt een amendement in voorbereiding.

Het Instituut Mijnbouwschade heeft niet de bevoegdheid om 10.000 oude schadegevallen die zijn behandeld door de NAM en het CVW opnieuw inhoudelijk te beoordelen. Wat de ChristenUnie betreft, krijgt het instituut wel de bevoegdheid om in het geval van zeer ernstige schade en/of een buitengewoon procesverloop alsnog de dossiers opnieuw te beoordelen. Ik steun dan ook het amendement over de hardheidsclausule dat hierover is ingediend.

Vanuit de regio worden door diverse geledingen — maatschappelijke organisaties en overheden — zorgen geuit over de mogelijkheid dat de NAM alsnog als derde belanghebbende wordt aangewezen bij besluiten die op basis van dit wetsvoorstel worden genomen. Hoe beoordeelt de minister dit? kan hij vandaag klip-en-klaar uitspreken dat dit om juridische redenen niet zal gebeuren? We wilden immers de NAM volledig uit het proces van de schadeafhandeling hebben.

Als één ding steeds terugkomt, is het dat mensen zich gezien en gehoord willen voelen. Te vaak is de menselijke maat zoek geweest. Ook anderen hebben dat gezegd. De minister heeft afgezien van een adviesorgaan bestaande uit bewoners, omdat transparantie van bevoegdheden hoge prioriteit heeft. Hij wijst daarbij op de Kaderwet zbo's. De situatie in Groningen is echter uniek en biedt wellicht wel die bijzondere reden. Kan de minister nog eens toelichten waarom dit volgens hem niet zou kunnen? Waarom zouden we niet een commissie van gedupeerden instellen om hun raad en advies te vragen? Ook op dit punt overweeg ik een motie.

Evaluatie van de wet vindt plaats na drie jaar en daarna iedere vijf jaar. Waarom is hiervoor gekozen? Het is gebruikelijk dat wetgeving na twee jaar geëvalueerd wordt, en daarom graag een reactie van de minister. Geldt voor dit wetsvoorstel ook een verjaringstermijn?

Ik rond af. Het is goed dat wij vandaag dit wetsvoorstel bespreken. Ik zal dit wetsvoorstel met een positief advies aan mijn fractie voorleggen. Tegelijkertijd is dit nog maar de helft van het verhaal. We hebben het over de schadeafhandeling, terwijl de grootste pijn zit bij de versterking. Ik begon mijn betoog met de beving bij Huizinge, zevenenhalf jaar geleden. Ik schat dat er 100.000 schades zijn gemeld. Er zijn 1.000 woningen versterkt. Dit is het belabberde verhaal van Groningen. Dit is echt overheidsfalen waar we het nu met elkaar over hebben. Ik hoop dan ook van harte dat we de wet die de versterking behandelt op zeer korte termijn in deze Kamer kunnen behandelen, zodat er ook daadwerkelijk iets gaat veranderen voor de mensen in Groningen.

Mevrouw Beckerman (SP):
U hebt volledig gelijk. Het echte debat voeren we helemaal niet vandaag, maar dat schuiven we voor ons uit, terwijl dat debat, over de versterking, zo hard nodig is. Het gaat dan om die crisisaanpak, waarvan de toezichthouder heeft gezegd: als je dat niet nu doet, ontwricht je die gemeenschap nog veel meer. Het is echt schandalig dat we daar nog op moeten wachten en het is schandalig hoe lang Groningers wachten. Een simpele vraag, ook nu, is: zou u ervoor zijn om zo'n boeteclausule te regelen voor inwoners die moeten wachten op de overheid?

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Ik kan de ins en outs hiervan niet helemaal overzien, maar ik kan wel heel goed begrijpen dat de SP-fractie deze vraag voorlegt. Ik ben zeer bereid om hiernaar te kijken. Wellicht heeft de SP op dit punt een amendement in voorbereiding, of wellicht komt dat bij het totaal van de wetgeving, als we die over enige tijd bespreken. Maar ik heb zeker de bereidheid om daarnaar te kijken.

Mevrouw Beckerman (SP):
Dat is een weifelend ja, maar daar ben ik blij mee; dank u wel. Want ook wij zien het helemaal niet als een oplossing. U zit hier al heel lang en u weet dat we al heel vaak dit soort beloftes hebben gedaan aan Groningen, maar dat het steeds niet geregeld wordt. Het is wel een stok achter de deur. Ik zou er echt op willen wijzen dat het heel gebruikelijk is en dat het nu al zo is bij TCMG, maar dat het uit de wet is gehaald. Daarom zou het wel echt vandaag al moeten. Ik zou dat toch nogmaals willen vragen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Ik heb ook letterlijk de vraag aan de minister gesteld welke stokken achter de deur er zijn. Boeteclausules kunnen helpen om vaart te maken, want dat is nu echt heel hard nodig.

Dank u wel.

Meer informatie

« Terug

Nieuwsarchief > 2020

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari