Bijdrage Eppo Bruins aan het debat over leraren

woensdag 19 februari 2020 00:00

Bijdrage Eppo Bruins aan een plenair debat met minister Slob voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media en minister van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Kamerstuknr. 27923

De heer Bruins (ChristenUnie):
Voorzitter, je zou het haast vergeten als je het debat van het afgelopen halfuur gevolgd hebt, maar vandaag gaat het in dit debat over de positie van leraren. Het is goed dat we in dit debat de gelegenheid nemen om breder te spreken over de positie van leraren. Zij verdienen het dat wij ook op deze plek onze waardering uitspreken voor hen die elke dag weer met hart en ziel onze kinderen helpen zich te ontwikkelen.

In de visie van de ChristenUnie is de school een waardengemeenschap, van ouders, leraren en leerlingen. De school is dé oefenplaats om je voor te bereiden op de samenleving. Het is een prachtige taak om daar als leraar aan te mogen meewerken. Maar laat ik vanaf deze plek nou ook eens de schoolleiders noemen. Die worden gewoon te weinig gezien en te weinig genoemd. Zij vormen een buffer voor hun team en zij moeten altijd maar weer dat werkbare evenwicht vinden tussen aan de ene kant de overheid en hun bestuur, die eisen stellen van bovenaf, en de signalen van de werkvloer. Daarom verdienen die schoolleiders een groot woord van waardering. Laten we hen vooral ook niet vergeten als we praten over werkdruk en salaris.

Voorzitter. Er is onrust in de sector en het ontbreekt nog te vaak aan erkenning vanuit de samenleving en aan carrièremogelijkheden voor leraren. We moeten er hard aan blijven werken om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken. Ik zie dat deze ministers daarmee hard aan de slag zijn gegaan en ik erken dat er de afgelopen tijd veel is gebeurd. Er is de laatste jaren veel onderwijspersoneel bij gekomen in het basisonderwijs, en de instroom in de pabo is fors gestegen. Ook de instroom van mannen, tot mijn grote vreugde.

De lerarensalarissen in het basisonderwijs stijgen deze kabinetsperiode maar liefst met 14% en er komen honderden zijinstromers bij in het primair en voortgezet onderwijs. Ik merk dat de werkdrukmiddelen echt met enthousiasme zijn ontvangen op de werkvloer. Ik hoor van leraren dat die werkdrukmiddelen ook echt effect hebben op het verlagen van de werkdruk.

Maar, voorzitter, daarmee zijn de zorgen niet weg. Het aanpakken van het lerarentekort en het versterken van het beroep is jarenlang uitgesteld en eigenlijk pas onder dit kabinet echt op stoom gekomen. Ik vrees dat het een zaak van lange adem zal zijn, ook na deze kabinetsperiode en de daarop volgende kabinetsperiode. Daarbij speelt geld zeker een rol en dus is het terecht dat er aandacht gevraagd blijft worden voor de loonkloof tussen het po en het vo. Mijn fractie vindt ook dat we verder moeten werken aan het verkleinen van die kloof, maar toch merk ik in de gesprekken met leraren dat geld niet het enige is, en zelfs niet het belangrijkste.

Het gaat om de manier waarop we als samenleving tegen het onderwijs en tegen leraren aankijken; om de kwaliteit van de lerarenopleidingen, om de routes naar het leraarschap en om professionele autonomie. Al die elementen hebben te maken met de cultuur in het onderwijs en met de emancipatie van de beroepsgroep. Ik zie hoopgevende signalen. Overal in het land kom ik leraren tegen die de negativiteit over het onderwijs echt beu zijn en echt willen laten zien hoe mooi hun vak is. Kijk bijvoorbeeld naar alle scholen en alle leraren die tijdens de stakingsdagen juist activiteiten organiseerden om iets te laten zien van hun werk. Zo konden tal van mensen een kijkje in de keuken van het onderwijs krijgen. Kijk naar de beweging van leraren die de laatste jaren op gang is gekomen na PO in actie. Dat zijn hoopgevende tekenen van emancipatie van een professionele beroepsgroep.

Nu we dat zien, moeten we ook doorzetten. We moeten manieren vinden om te zorgen dat mensen voor het onderwijs behouden blijven of weer naar het onderwijs teruggehaald worden. Er is nog zo'n grote stille reserve van mensen met lesbevoegdheid, die weg zijn uit het onderwijs of in de WW zitten. Daar moeten we echt aan werken. Ik hoor graag van de bewindspersonen wat er op dit punt gebeurt en welke extra acties mogelijk zijn.

Voorzitter. U weet dat ik allang pleit voor meer mannen voor de klas. Dat is goed voor de diversiteit en het is goed voor schoolteams, goed voor het beroep. In dat kader wil ik de ministers vragen om een ambitieuzere uitwerking van de afspraken in het regeerakkoord over differentiatie van de pabo. Het is essentieel dat het mogelijk is om je op de pabo-opleiding te specialiseren in het jonge kind of het oudere kind, want kleuterjuf of kleutermeester is een vak. Zonder ook maar op enige manier gender bias te suggereren: de pabo wordt aantrekkelijker voor mannen én vrouwen als er vanaf het begin differentiatie mogelijk is in de opleiding. Want, zoals in veel sectoren geldt ook hier: vakmanschap is specialisatie. Dus hoog tijd voor differentiatie én specialisatie.

De heer Rudmer Heerema (VVD):
Voorzitter, ik zal proberen het zo kort mogelijk te doen.

De voorzitter:
Heel goed.

De heer Rudmer Heerema (VVD):
De heer Bruins sprak over de stille reserve die niet aangesproken wordt, maar die kansen geeft voor het onderwijs. Heeft de heer Bruins ook een mening over de stille reserve die in feite al in het onderwijs werkt? Ik doel op mensen met een lesbevoegdheid voor de hele week, die maar twee, tweeënhalf of drie dagen voor de klas staan. In feite is dat ook een stille reserve die we zouden kunnen aanspreken. Hoe kijkt de heer Bruins daartegen aan?

De heer Bruins (ChristenUnie):
Ik vind dit een goed punt. Ik heb in 2016 in mijn initiatiefnota Kerels voor de klas gepleit voor meer fulltimebanen in het onderwijs, zodat je gewoon kunt zeggen: ik ben leraar basisonderwijs en ik ben kostwinner. Dat is belangrijk voor mannen en voor vrouwen. Het is inderdaad zo dat je in het onderwijs veel snippercontracten ziet, voor acht uur of voor twaalf uur. Een paar uur erbij en veel van het lerarentekort zou al kunnen worden opgelost. Overigens weten we dat er vooral in de grote steden een lerarentekort is. Wat je hiermee kunt bereiken, is dus beperkt. We vinden ook dat werken altijd goed combineerbaar moet zijn met zorg thuis, met mantelzorg of de zorg voor kinderen. Maar grotere contracten in het onderwijs, vacatures voor meer uren tegelijk zouden enorm helpen om het onderwijs aantrekkelijker te maken en ook te werken aan het lerarentekort.

De heer Rudmer Heerema (VVD):
Ik snap één link niet, namelijk dat in de grote steden het effect mogelijk beperkt zou kunnen zijn. Op de websites met vacatures lijkt het er juist op dat die snippercontracten vooral in de grote steden worden aangeboden. Volgens mij is er nu juist wel een grote stap te maken als daar gewoon meer voltijdscontracten of in ieder geval meer dagen werk worden aangeboden.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Ik ben het eens met de heer Heerema. Wat ik bedoelde is: je kunt over het hele land zorgen dat contracten groter worden, maar daarmee trekken de mensen nog niet naar de grote steden. Maar wat je in de grote steden kunt regelen, helpt ook in de grote steden.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Ik was bij de differentiatie en de specialisatie. We zien dat pabo's daarmee al experimenteren, maar mijn fractie vindt dat het de norm zou moeten zijn. Ik merk bij de minister enige terughoudendheid in dezen, maar er staat al een afspraak in het regeerakkoord en er ligt een aangenomen motie uit de afgelopen begrotingsbehandeling. Ik vraag dan ook aan de minister hoe het zit met de differentiatie in de opleiding.

Dit raakt ook aan de discussie over het bevoegdhedenstelsel in het onderwijs. De ministers stuurden afgelopen week een brief hierover naar de Kamer. Zij erkennen dat het bevoegdhedenstelsel op de schop moet om te zorgen dat de kwaliteit van het onderwijs verbetert en het aantrekkelijker wordt om te blijven werken in het onderwijs. Mijn fractie deelt die analyse. Er komt nu een commissie die zich daarover gaat buigen. Ik zou haast zeggen: wéér een commissie? Op welke termijn verwacht het kabinet concrete stappen te zetten ten aanzien van het bevoegdhedenstelsel? Moeten we nou echt daarop wachten om differentiatie op de pabo mogelijk te maken?

Tot slot wil ik aandacht vragen voor de positie van leraren in opleiding, de lio's. Wij zagen al een mooi bericht van de minister in de krant vanochtend over stagevergoedingen. Maar specifiek de lio's staan meerdere dagen per week voor de klas en werken al grotendeels zelfstandig. Ik weet dat er formeel een verschil is tussen lio-werknemers en lio-stagiaires, maar in de praktijk zien we dat ze toch vaak hetzelfde werk doen en dat de begeleiding beperkt is, ook bij de lio-stagiaires. Toch krijgen lio-stagiaires vaak niet of nauwelijks een vergoeding, terwijl lio-werknemers dat wel krijgen en ik vind dat gewoon lastig uit te leggen. Het lerarentekort vergt dat wat mijn fractie betreft alle zeilen worden bijgezet. Daarom is mijn fractie van mening dat alle lio's gewoon een behoorlijke vergoeding verdienen. Hoe kijkt de minister aan tegen dit punt? Zij sprak vanochtend daarover al in de krant, maar ik zou vandaag echt met haar willen discussiëren over de rechtsongelijkheid tussen lio-stagiaires en lio-werknemers. Ik overweeg hierover een motie. Wie weet is dat misschien niet eens nodig. Ik wacht de beantwoording af.

Voorzitter, dank u wel.

Meer informatie

« Terug

Nieuwsarchief > 2020

juni

mei

april

maart

februari

januari