Bijdrage Eppo Bruins aan het plenair debat inzake de Wet versterken positie mbo-studenten

dinsdag 03 maart 2020 00:00

Bijdrage Eppo Bruins aan een plenair debat met minister van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap inzake een wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met diverse maatregelen gericht op het versterken van de positie van mbo-studenten

Kamerstuknr. 35252

De heer Bruins (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik wil de heer Smals graag feliciteren met zijn maidenspeech en hem danken voor de persoonlijke woorden die hij in deze zaal heeft gesproken. Het debat waarbij hij zijn maidenspeech kon houden, is een mooi debat, want we spreken vandaag over misschien wel de belangrijkste groep jongeren die we in ons land hebben: de mbo-studenten.

Het mbo is een onmisbaar onderdeel van ons onderwijssysteem, waar we jongeren opleiden tot vakmensen. Honderdduizenden jongeren kiezen voor het mbo. Naar mijn mening zouden dat er eigenlijk nog wel meer mogen zijn, want we hebben nu en in de toekomst grote behoefte aan praktisch opgeleide mensen, met specifieke skills en beroepsvaardigheden. Het is goed dat we vandaag expliciet stilstaan bij de mbo'ers en dat we met dit wetsvoorstel werken aan de versterking van hun positie. Mijn fractie heeft veel waardering voor de stappen die de minister met dit wetsvoorstel wil zetten.

Ik heb nog wel een paar vragen. Allereerst over het studentenfonds. Het is goed dat er op deze manier financiële ondersteuning beschikbaar komt voor studenten die nog geen aanspraak maken op studiefinanciering en voor studenten die vertraging oplopen. Hiervoor wordt 10 miljoen toegevoegd aan de lumpsum van het mbo. Scholen moeten dan zelf een beleidskader maken waarin ze het studentenfonds vormgeven. Het is mooi dat scholen op deze manier maatwerk kunnen leveren, maar tegelijkertijd kan hierdoor de situatie optreden dat studenten op verschillende instellingen verschillende aanspraken kunnen maken. Hoe kijkt de minister aan tegen deze mogelijke rechtsongelijkheid?

Doordat de middelen aan de lumpsum toegevoegd worden, kan voor scholen de prikkel ontstaan om het studentenfonds zo beperkt mogelijk te houden en niet al te veel aandacht te geven. Dat willen we niet. Anderzijds, als ze geld tekortkomen voor het fonds, dan zullen ze middelen voor onderwijs moeten aanspreken om aan de aanvraag te voldoen. Dat willen we ook niet. Dat kan dus zomaar in elkaars vaarwater terechtkomen en tot strategisch gedrag leiden. Waarom heeft de minister niet gekozen voor geoormerkte middelen en hoe wil zij voorkomen dat instellingen gaan beknibbelen op het studentenfonds?

Voorzitter. In het wetsvoorstel staat dat de 10 miljoen verdeeld wordt over de scholen naar rato van het aantal studenten, terwijl er in sommige regio's veel meer minimagezinnen zijn dan in andere regio's. Juist studenten uit die gezinnen kunnen straks aanspraak maken op de ondersteuning. In de evaluatie van de tijdelijke regeling stonden daar ook duidelijke bevindingen over: "We weten dat het aandeel minimagezinnen in sommige regio's veel groter is dan in andere regio's. In Groot Rijnmond wonen relatief de meeste doelgroep mbo-studenten uit minimagezinnen, 19%, in de Achterhoek 9,2%". Is het dan niet logischer om het geld te verdelen naar rato van de verdeling van studenten uit gezinnen met een laag inkomen in een regio? Heeft de minister hierover nagedacht en welke afwegingen heeft zij hierin gemaakt? Wat mij betreft moeten we op zijn minst goed monitoren of instellingen uitkomen met de middelen die beschikbaar worden gesteld voor het studentenfonds en of de verdeling adequaat is, gezien de verschillen tussen instellingen qua populatie.

Voorzitter. De communicatie over het studentenfonds zal cruciaal zijn. We zien namelijk ook bij universiteiten en hogescholen dat het profileringsfonds vaak amper bekend is en dat het lang niet alle studenten bereikt voor wie het bedoeld is. Hoe kijkt de minister hiertegen aan? Hoe zorgen we dat het geld ook echt de mensen bereikt die er recht op hebben en die het bovendien het hardst nodig hebben?

De doelgroep die onder het studentenfonds valt is in de wet behoorlijk gelimiteerd. Zo hebben alleen studenten die in een centrale studentenraad zitten aanspraak op het fonds, terwijl er ook tal van andere manieren zijn waarop studenten actief zijn in de medezeggenschap of op maatschappelijk of bestuurlijk gebied. Dat zijn ook waardevolle manieren om ervaring op te doen buiten je opleiding. Wat mijn fractie betreft zouden we daar ook oog voor moeten hebben, want het is mooi als studenten zich breder ontwikkelen en de ruimte krijgen om ook naast hun studie actief te zijn. In het hoger onderwijs is het profileringsfonds ook breder opgezet en vallen er meer nevenwerkzaamheden onder dat fonds. Waarom is dat hier anders, zo vraag ik de minister. Hoe kijkt zij hiertegen aan? Het amendement van collega Bisschop hierover vind ik een zeer interessante. Graag ook daarop een reactie van de minister.

Nog een laatste opmerking over dat studentenfonds. Er wordt straks aan scholen gevraagd om een formele toetsing te doen op het huishoudinkomen om te bepalen of er recht is op financiële ondersteuning voor de aanschaf van leermiddelen. Kunnen onderwijsinstellingen deze verantwoordelijkheid wel waarmaken? Hoe gaan zij die toetsing doen en moeten we willen dat zij die rol krijgen, zo vraag ik de minister.

Voorzitter. Mijn fractie vindt het zeer te prijzen dat er met dit wetsvoorstel goede voorzieningen worden getroffen voor mbo-studenten die een kindje verwachten. We zien nu nog te vaak gebeuren dat vrouwen forse vertraging oplopen of zelfs uitvallen doordat er in het onderwijs geen goede voorzieningen en regels zijn rondom een zwangerschap. Daarom zijn dit goede stappen. Maar we zijn er nog niet als we alleen maar regels in de wet vastleggen. Persoonlijke begeleiding en goede communicatie zijn ook essentieel. Mijn fractie vindt dat tienermoeders die besluiten om hun opleiding door te zetten en daarmee knokken voor de toekomst van hun kindje, onze grootst mogelijke ondersteuning verdienen. Weet de minister hoe die ondersteuning op de mbo's geregeld is? Hoe wil de minister dit bevorderen? Kunnen we meer doen, zo vraag ik haar. Is de minister ertoe bereid om meer aandacht te vragen voor meer ondersteuning van deze moedige meiden?

Voorzitter. Een heel ander punt. U weet dat ik dubbele gevoelens heb over het feit dat mbo'ers nu ook "student" gaan heten. Dat heeft namelijk de suggestie in zich dat je pas echt meetelt als je student bent en student genoemd wordt. Het probleem in Nederland is dat dit ook zo is. In plaats van trots te zijn op onze beroepskrachten doen we aan woordinflatie. Alsof student zijn het hoogst haalbare is. Maar daarmee misken je het essentiële karakter van het beroepsonderwijs. Er wordt, wat mij betreft, dus te veel waarde gehecht aan de term "student". Als een andere benaming nodig is om mbo'ers ook bepaalde studentenvoordelen te geven, waar ben je dan eigenlijk mee bezig? Laten we niet net doen alsof deze benaming er nu opeens voor gaat zorgen dat die erkenning er wel is. Het is eigenlijk een bevestiging van het tegendeel. Dat moest mij toch even van het hart, voorzitter. Maar verder zullen wij die naamsverandering, als die inderdaad nodig is om die rechten te geven aan mbo-studenten, van harte ondersteunen.

Dan de mbo-verklaring. Het is goed dat deze afspraak uit het regeerakkoord nu verwezenlijkt wordt. Met de mbo-verklaring kan een student die de opleiding niet afmaakt, toch laten zien wat hij heeft geleerd. Het heeft op zich geen civiele waarde, maar zo'n document kan een uitvaller wel op weg helpen in de overgang naar de arbeidsmarkt. Ook kan het de uitvaller stimuleren om in een later stadium alsnog een mbo-diploma te halen. Wat mijn fractie betreft, is het wel van groot belang dat we voorkomen dat mbo-verklaringen gezien gaan worden als een einddoel en dat ze in plaats van diploma's gebruikt gaan worden. Met name in tekortsectoren en in tijden van een bloeiende economie zou dan namelijk het risico ontstaan dat bedrijven studenten wegkapen en dat mbo'ers hun opleiding niet afmaken. Graag daarop ook een reactie van de minister.

De heer Van Meenen (D66):
Ik kom nog even terug op die studenten, want ik kon het niet helemaal volgen. Ik denk dat het een goede zaak is dat we juist proberen om mbo'ers, hoe verschillend ze ook weer zijn van anderen — de heer Bruins zal het met me eens zijn dat elk mens verschillend is — onder de noemer "student" te scharen, zodat ze dan ook die gelijke rechten krijgen. De heer Bruins zegt in de ene zin dat hij daar moeite mee heeft, maar hij zegt drie zinnen later: maar we zullen het van harte steunen. Dus ik vroeg me even af wat het nou wordt.

De heer Bruins (ChristenUnie):
We zullen het steunen.

De heer Van Meenen (D66):
Oké.

De heer Bruins (ChristenUnie):
We zullen geen amendement indienen om het tegen te houden. Als het in Nederland blijkbaar nodig is om student te heten om bepaalde rechten te krijgen, so be it! Maar het zou beter zijn als we in een land leven waar mbo-leerlingen dezelfde rechten hebben als studenten. Dat zou, wat mij betreft, de echte goede keus zijn geweest. Het zit 'm namelijk niet in die naam. Daar hoort het ook niet in te zitten. Het hoort niet zo te zijn dat als je een naam verandert, je dan opeens rechten krijgt.

De heer Van Meenen (D66):
Nee, maar juist door daar nu zo'n punt van te maken en eigenlijk terug te willen naar "mbo-leerlingen" lijkt het alsof die naam juist wel van belang is. Zo zou je het ook nog kunnen interpreteren. Ik ga er nou verder geen groot punt van maken, maar ik begrijp uw standpunt gewoon niet helemaal.

De heer Bruins (ChristenUnie):
De ChristenUnie is een groot voorstander van het leerling-gezelsysteem. Wat ideaal zou zijn, is dat een mbo-leerling een "leerling" heet en dat hij zodra hij zijn diploma krijgt, een "gezel" is. En na een aantal jaren een beroep te hebben uitgeoefend en een proeve van bekwaamheid te hebben gedaan, is hij dan een "meester". Leerling-gezel-meester, dat is wat je doet in het beroepsonderwijs. Er wordt nu voor de naam "student" gekozen, zodat ze rechten krijgen. Ik denk dat je dat op een andere, elegantere manier in de wet had kunnen verwerken. Maar blijkbaar is dit in Nederland nodig en wordt iedereen in dit land "student" genoemd. Nou, dat is dan maar zo.

De heer Beertema (PVV):
Ja, maar het klinkt toch wel heel defaitistisch: blijkbaar is dat in dit land nodig. Ik vond het juist zo'n mooi verhaal wat meneer Bruins vertelde over dat begrip "student". Als studenten nou inderdaad meer rechten hebben, dan had u in een amendement toch anders kunnen regelen dat die "deelnemers" of "mbo'ers" of "leerlingen" — ik bedoel: what's in a word? — toch diezelfde rechten krijgen, zonder ze met deze semantische opsmuk naar "student" tot iets te verheffen wat ze volgens mij niet zijn?

De heer Bruins (ChristenUnie):
Het veranderen van de naam in "student" heeft een grote meerderheid in de Kamer. Ook al is het semantisch, als ik zo'n amendement zou maken, zou dat bij lange na geen meerderheid hebben. Dat zou dus zinloos werk zijn.

De heer Beertema (PVV):
Als het criterium om hier politiek te bedrijven is dat je je maar neerlegt bij de grote meerderheid in de Kamer, was ik al tien jaar geleden thuis gaan zitten, denk ik. Mag ik nog één andere vraag stellen, voorzitter? Een verduidelijkende vraag.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Daar ga ik niet op reageren omwille van de collegialiteit, meneer Beertema.

De heer Beertema (PVV):
Oké. Maar ik heb een verduidelijkende vraag over die mbo-verklaring. Ik hoor u zeggen, als ik het goed gehoord heb, dat die mbo-verklaring geen civiele waarde heeft. Dat had de schoolverklaring die we nu al hebben ook niet. Dus wat is dan precies de toegevoegde waarde van die mbo-verklaring? Ik zie er namelijk alleen maar gevaren in.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Als ik het goed begrijp, wordt nu de reikwijdte verbreed naar alle niveaus en wordt het ook echt een recht. Zo lees ik het wetsvoorstel en in die zin kan ik daar goed achter staan.

De voorzitter:
Ten slotte, meneer Beertema.

De heer Beertema (PVV):
Ten slotte. Maar het is nog steeds zonder civiel effect.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Ja. Je kunt aantonen wat je kunt. Je kunt je vaardigheden laten zien. Dat heeft wel waarde, denk ik, wanneer je bijvoorbeeld gaat solliciteren. Maar er is inderdaad geen civiel effect in de zin van een diploma. Overigens zou ik graag zien dat dit op de lange termijn in z'n geheel overgaat naar een soort evc-systeem en dan ook naadloos overgaat naar het hele systeem van een leven lang ontwikkelen.

De heer Van den Berge (GroenLinks):
Ik heb toch nog even een vraag op het punt dat we van deelnemer naar student gaan. De heer Bruins zei net dat dat een semantische discussie is.

De heer Bruins (ChristenUnie):
"Deelnemer" vind ik trouwens ook een heel slecht woord.

De voorzitter:
Eerst even meneer Van den Berge.

De heer Van den Berge (GroenLinks):
Ik kan ook het woord "leerling" gebruiken, maar het gaat mij even om het punt dat collega Bruins zegt dat het een semantische discussie is. Dat is het volgens mij niet. We hebben hier namelijk vaker in debatten discussie gehad over het feit dat mbo-studenten geweigerd worden bij studentenverenigingen en bij studentenhuisvesting. Er vindt dus discriminatie plaats omdat mbo-studenten tot voor kort anders werden genoemd dan hbo-studenten en wo-studenten. Daarmee is het voor mijn fractie verre van een semantische discussie, maar echt gewoon een heel fundamenteel punt.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Dit is een heel goed punt van collega Van den Berge. Die discriminatie vond plaats en die vindt plaats. En die discriminatie moet niet plaatsvinden. De vraag is of je het moet oplossen door een naam te veranderen, of dat je het specifieke punt moet aanpakken dat daar discriminatie plaatsvindt. Maar als de makkelijkste manier is om ze "student" te noemen, dan is dat de manier waarop we dat oplossen in dit land. En daar kan ik mee leven.

De heer Van den Berge (GroenLinks):
Misschien heel kort. Het lijkt me inderdaad de makkelijkste oplossing, want anders moeten we studentenhuisvesting "leerlingen/studentenhuisvesting" gaan noemen en dan moeten we dat ook doen met studentenverenigingen. Dus volgens mij is dit de makkelijkste oplossing. Daarmee is die ook heel hard nodig. Ik ben dus blij dat de heer Bruins dat uiteindelijk dan toch erkent.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Je zou gewoon kunnen stellen dat studentenhuisvesting openstaat voor iedereen die een vervolgopleiding doet. Als je dat zo definieert, is er geen discriminatie. Als je zaken wilt oplossen met een naamsverandering, raak je niet de kern van het probleem. Dat probeer ik hier duidelijk te maken.

De voorzitter:
En u was aan het einde van uw betoog.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Ik was aan het eind, ja. Dank u wel.

Meer informatie

« Terug

Nieuwsarchief > 2020

juni

mei

april

maart

februari

januari