Bijdrage Carla Dik-Faber aan WGO Cultuur en corona

dinsdag 28 april 2020 00:00

Bijdrage Carla Dik-Faber aan een wetgevingsoverleg met minister van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Kamerstuknr. 35441

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. De coronacrisis raakt velen in ons land. Ik denk aan de mensen die werkzaam zijn in de zorg, aan opa's en oma's die hun kleinkinderen niet meer kunnen zien, aan mensen die vrezen voor hun baan of het voortbestaan van hun bedrijf.

Voorzitter. Ook de culturele sector wordt hard getroffen door de coronacrisis. Theateruitvoeringen, concerten, bioscoopfilms, cultuureducatie, de wekelijkse pianorepetitie: het is allemaal stilgelegd. Daarmee raakt dit ons eigenlijk allemaal, cultuurmakers, maar ook bezoekers en beoefenaars van de kunsten. We hopen natuurlijk allemaal van harte dat er een moment komt dat de musea weer open kunnen en dat we weer kunnen genieten van al die andere mooie dingen. De initiatieven die er zijn, ook vanuit de culturele sector, om mensen langs digitale weg te bereiken, zijn hartverwarmend. Ik heb zelf ook genoten van de voorstelling van dansers die vanuit thuis per videoverbinding laten zien hoe zij dansen. Ik heb genoten van het concert vanuit huiskamers en van een digitaal inkijkje in musea.

Intussen zijn het wel zorgelijke tijden. Het is goed dat de minister met maatregelen is gekomen om de culturele sector te ondersteunen, eerst het brede pakket aan overheidssteun, daarna nog een specifieke regeling voor de culturele sector. Met een bedrag van 300 miljoen wordt vooral de culturele infrastructuur in stand gehouden. De ChristenUnie onderschrijft deze keuze van de minister. Juist door instellingen in de culturele infrastructuur te ondersteunen, zorgen wij ervoor dat deze overeind blijft staan en dat de cultuurmakers straks weer bij deze cultuurinstellingen aan de slag kunnen gaan.

Mijn fractie heeft nog wel een aantal vragen aan de minister, allereerst over de positie van de makers van cultuur. Zzp'ers en mensen met tijdelijke contracten komen in deze crisis vaak aan de kant te staan en juist in de cultuursector zijn er veel flexibele contracten. Heeft de minister in beeld hoe veel mensen nu toch nog tussen de regelingen door vallen? Hoe verlopen haar gesprekken hierover met het culturele veld? Het kan niet de bedoeling zijn dat we straks de instellingen overheid hebben gehouden, maar de makers noodgedwongen hun heil ergens anders moesten zoeken.

Ik wil ook graag inzoomen op de positie van de vrije sector, zoals die van veel theaterproducenten. Is de minister van mening dat de generieke regelingen die het kabinet tot 1 juni heeft ingesteld, ook geschikt zijn voor de vrije producenten? Hoe kunnen de instrumenten na 1 juni, wanneer ze specifieker en gerichter zullen worden, ook geschikt worden gemaakt voor de specifieke kenmerken van de cultuursector?

Een deel van het geld is bestemd voor de regionale culturele infrastructuur.

De voorzitter:
Voordat u verdergaat op dit punt heeft de heer Kwint een vraag.

De heer Kwint (SP):
Ja, over de eerste vraag die mevrouw Dik-Faber stelde. Ze zei: het kan niet zo zijn dat wij straks de grote instellingen gered hebben, maar dat de makers er karig vanaf komen. Toch is dat precies wat er nu dreigt te gebeuren. Mijn vraag zou dus eigenlijk omgekeerd zijn: wat gaan we doen om dat te voorkomen?

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Dank u wel voor de vraag. Ik heb aan de minister gevraagd of zij een beeld heeft van om welke groepen het nu precies gaat. Ik wil ook heel graag weten hoe groot die groep is. We hebben nu met elkaar een steunpakket in het leven geroepen, maar daarmee wordt niet iedereen bereikt. Daar is mijn mailbox van overgelopen, waarschijnlijk van die van de heer Kwint ook en waarschijnlijk die van ons allemaal. Daarom is mijn vraag aan de minister welke mogelijkheden er zijn om een eventueel vervolgpakket beter te richten, zodat het ook voor deze mensen in de culturele sector de noodzakelijke ondersteuning biedt.

De heer Kwint (SP):
Volgens mij is het relatief overzichtelijk. Neem het voorbeeld van twee zzp'ers op één huisadres. Het gaat sowieso om zelfstandigen die weliswaar, zelfs als ze in aanmerking komen voor een regeling, eenmalig €4.000 krijgen, maar van eenmalig €4.000 kan je niet zes maanden leven als je ook je huur en de boodschappen er nog bij hebt. Dat geldt ook voor theatergezelschappen die nooit in aanmerking zullen komen voor bijvoorbeeld een plek in de landelijke basisinfrastructuur. Die krijgen nu ook geen ondersteuning. Er zijn ook instellingen die wel ondersteuning krijgen, maar die bijvoorbeeld maar tot 90% van de loonkosten doorbetaald krijgen terwijl andere kosten doorlopen en er niks binnenkomt. Als je al die zaken zo op een rij zet, kunnen we toch niet anders dan constateren dat de balans in dit reddingspakket niet op orde is?

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Mijn conclusie is dat met dit steunpakket ontzettend veel mensen wel worden geholpen. Een andere conclusie is dat er aanvullend geld beschikbaar wordt gesteld om de culturele infrastructuur overeind te houden. Ik denk dat dat ontzettend belangrijk is. De heer Kwint noemt een aantal situaties die ik op dit moment niet goed kan beoordelen. Als er één uitkering op één adres terechtkomt, lijkt me dat een administratieve fout die we met elkaar recht moeten zetten. De heer Kwint zegt: een steunpakket voor zes maanden, onmogelijk om dat te overleven. Eens. Het steunpakket is nu voor drie maanden. Daarna komt er een vervolgregeling en daarvan vraag ik dus of we die vervolgactiviteiten, die vervolgsteunpakketten, zo kunnen richten dat die ook voor de culturele sector passend zijn. Dat is waar ik naar wil kijken. Eerlijkheidshalve vind ik dat het een opdracht is voor ons allemaal, voor de overheid, voor ondernemers en voor de samenleving, om de culturele sector overeind te houden. Het is heel goed dat de overheid daar stappen voor zet, maar we moeten ook eerlijk zijn: we zullen misschien in the end niet iedereen kunnen bereiken. Daar word ik heel verdrietig van, maar dat is ook een realiteit. Dus laten we doen wat we kunnen, het maximale doen wat we kunnen. Ik hoop echt dat we hier samen kunnen optrekken.

De voorzitter:
Dank wel. Gaat u verder met uw betoog.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Ja. Een deel van het geld, 30 miljoen, is bestemd voor de regionale culturele infrastructuur. Hoe wil de minister ervoor zorgen dat het geld gelijkelijk over het land verdeeld wordt, dus niet vooral in de Randstad en ook niet "wie het eerst komt, het eerst maalt". Mijn vraag aan haar is of zij wil werken met een deadline, zodat alle decentrale overheden in de gelegenheid worden gesteld om hiervoor in te tekenen en cofinanciering te regelen. Ik vraag me dan ook af wat de bepaling "landelijk belang" betekent. Ze heeft het aan de ene kant over de vitale regionale infrastructuur, maar tegelijkertijd moet er een landelijk belang gediend worden. Wat mijn fractie betreft staat de vitale regionale infrastructuur voorop en krijgen decentrale overheden meer ruimte om hier zelf keuzes in te maken. In de afgelopen jaren hebben we een bloei van de regionale cultuur gezien en daar moet wat mij betreft voldoende oog voor zijn. Wil de minister daarom ook regionale spreiding meenemen in de beoordeling van aanvragen en — ik zei het al — regio's de ruimte geven om hierin zelf te prioriteren?

Het is de bedoeling dat provincies en gemeenten cofinancieren en het is goed dat deze afspraak is gemaakt. Tegelijkertijd baart mij dat zorgen. Veel gemeenten stond het water al aan de lippen voor het coronavirus en dat zal sinds deze coronacrisis niet veel beter geworden zijn, integendeel. Hoe verloopt het overleg van de minister met de decentrale overheden?

De minister heeft de rijksgesubsidieerde musea huuropschorting van drie maanden toegezegd en hoopt dat decentrale overheden haar voorbeeld volgen. Ik hoop dat ook, maar ik ben er niet gerust op. Gemeenten hebben ook zelf een belang, want cultuur is een belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat. Heeft de minister in beeld hoe provincies en gemeenten omgaan met de huur van de instellingen die zij binnen hun grenzen huisvesten?

Voor monumentenzorg wordt de leenfaciliteit via het Nationaal Restauratiefonds opgehoogd met 50 miljoen. Een goede zaak, want uitvoering van restauratiewerkzaamheden is heel goed mogelijk met 1,5 meter afstand tot elkaar. Hoe worden monumenteneigenaren verleid om mee te doen? Ik denk dat het belangrijk is om door te gaan met restauratie, omdat we anders op de langere termijn de gevolgen hiervan gaan zien. Daar maak ik me wel zorgen over. Welke investeringen in onderhoud zullen bijvoorbeeld monumentale kerken niet doen omdat zij de eigen bijdrage voor de Sim, Subsidieregeling instandhouding monumenten, niet kunnen opbrengen? Zou de minister hier nog eens naar willen kijken?

Ik was al op weg naar dit debat toen ik nog een mail las van de Federatie Grote Monumentengemeenten, die hierover ook aan de bel trekt en een pleidooi houdt — volgens mij terecht — om te kijken, al is het maar tijdelijk, of de eigen bijdrage voor de Sim omlaag kan: geen 40% maar 20%. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister.

Het bieden van perspectief aan de culturele sector kan niemand alleen. De overheid, publieke en private fondsen, het culturele veld zelf maar ook onze samenleving hebben hierin een verantwoordelijkheid. De vouchers bieden verlichting, maar wat kan er nog meer? Heeft de minister een tijdelijke verlichting van de Geefwet overwogen? Dan denk ik niet alleen aan particulieren, familieleden of vrienden, maar ook aan ondernemers. Ik krijg veel signalen dat er ondernemers zijn die juist in deze moeilijke tijd maatschappelijk goed willen doen. Ze willen de muziekschool in het dorp of het plaatselijke theater financieel steunen. Kan de schenkingsvrijstelling voor bedrijven tijdelijk — en eerlijk gezegd wat mijn fractie betreft permanent — worden opgeschroefd? Schenkingen aan culturele instellingen mogen maar tot maximaal €2.500 in aftrek worden gebracht op de winst. Dat lijkt mijn fractie belachelijk weinig. Welke andere manieren ziet de minister voor zich om het publiek meer te betrekken?

Tot slot wil ik vooruitkijken. Mijn vraag aan de minister is hoe zij de toekomst van de arbeidsmarkt en de cultuursector ziet. Ik weet dat die haar aan het hart gaat en dat zij er zelf al grote stappen in gezet heeft. De huidige crisis maakt duidelijk dat het allemaal toch nog houtje-touwtje aan elkaar hangt, met allerlei schijnconstructies waarbij mensen heel korte contractjes krijgen, verloond worden of noodgedwongen zzp'er zijn. Als mensen twee maanden geen werk hebben, stort de financiële basis onder hun bestaan in. Daarvan hebben we talloze verhalen in de mailbox gekregen. Door al die constructies vallen ze ook buiten de boot bij de noodmaatregelen. Er was net een debatje met de heer Kwint. Het is al met al een onhoudbare manier van werken. Hoe ziet de minister dat en hoe gaan we de toekomst in?

Het coronavirus zal nog lang bij ons zijn. Dat betekent dat culturele instellingen, als zij opengaan, veel minder bezoekersaantallen zullen ontvangen. Bovendien lijkt het onvermijdelijk dat we in een recessie terechtkomen, wat ook de bezoekersaantallen zal drukken. Maar ook dan, en misschien wel juist dan, is cultuur van waarde. Ik roep de minister dan ook op om met de culturele sector niet alleen te kijken naar het noodpakket voor deze drie maanden, maar ook naar de toekomst. Een toekomst waarin we allemaal weer hopen te genieten van al het moois dat cultuur ons te bieden heeft. Dank u wel.

Meer informatie

« Terug

Nieuwsarchief > 2020

juni

mei

april

maart

februari

januari