Straffen en beschermen

Gevangenis.jpg
Mirjam Bikker blog portret.jpg
Door Mirjam Bikker op 15 juni 2020 om 19:20

Straffen en beschermen

De wet straffen en beschermen, die wij vandaag bespreken, ziet geheel op de tenuitvoerlegging van straffen. Dat is een belangrijke taak van de overheid. Dat er recht gesproken wordt en tot uitvoering komt als er onrecht is geschied. Dat er passend gestraft wordt en dat mensen vertrouwen kunnen hebben in de overheid, ook op dit punt, dat draagt bij aan het vertrouwen in de rechtsstaat. Straf is dus ook herstel, herstel van de rechtsorde.

En voor diezelfde rechtsorde is het van groot belang dat iemand niet opnieuw de fout in gaat. Van enkel opgesloten worden, zijn nog weinig mensen opgeknapt. De fractie van de ChristenUnie vindt het belangrijk dat ook gedetineerden een nieuw perspectief krijgen, zodat op het moment dat de straf voldaan is, zij daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om de tweede kans op het leven te benutten. 

En dat brengt me meteen bij een belangrijk punt van deze wet. De persoonsgerichte aanpak, die in de laatste jaren al was ingezet, krijgt een wettelijke basis. Daar ben ik blij mee, want helder is wel dat de meest effectieve gevangenisstraf er een is waar behandeling en begeleiding een belangrijk onderdeel zijn. Ik ondersteun die ingezette lijn dan ook van harte. En het is belangrijk dat DJI, reclassering en zorgexperts al vanaf het begin van de gevangenisstraf op dit punt aan de slag zijn. Mijn waardering voor die keuze.  

De voornemens zijn goed, de eerste middelen voor een intensiever traject zijn vrijgemaakt, er draaien al verschillende pilots. U voelt een maar aankomen… 

Maar.. op het punt van de uitvoerbaarheid heeft mijn fractie hier echter nog wel enkele serieuze vragen en zorgen waarop ik graag van de minister hoor en hopelijk ook enkele toezeggingen krijg. Deze zien enerzijds op de positie en achtergrond van de gedetineerde en anderzijds op capaciteit en gekwalificeerd zijn voor de ze nieuwe taken van het personeel in de gevangenissen. 

In dit wetsvoorstel wordt nog meer vastgelegd dat gedetineerden zelf ook verantwoordelijkheid nemen voor de invulling van hun straf, voor het verdienen van extra interne vrijheden en meer naar het einde van de straf toe, ook meer externe vrijheden. De reclasseringsorganisaties hebben eerder ook onderstreept dat de huidige regelgeving die hierover gaat teveel ziet op termijnen, op de fase van detentie in plaats van op gewenst gedrag en een risico-inschatting. Tegelijk moeten we hier ook niet doen alsof een gevangene altijd maar gedreven wordt door de rationele keuze. We hebben jaren van overheidsbeleid gehad waarin iedere burger werd benaderd als rationeel kiezende burger, en we weten inmiddels dat het lang niet altijd zo werkt. Sterker nog, de overheid probeert zich veel meer te verhouden tot de bevindingen van de WRR in het rapport ‘Weten is nog geen doen’. En geldt dit niet in versterkte mate voor gedetineerden?, zou ik de minister willen vragen. Hoe wordt voorkomen dat de persoonsgerichte aanpak niet vooral een succes is bij dat deel van de populatie dat er eigenlijk toch al het beste voor stond. Ik heb hierbij de meeste zorg voor de groep met een licht verstandelijke beperking. En we weten dat dit geen kleine groep is (15-30%). Maar kijk ook naar de groep met een psychische stoornis of belemmering. 

De minister heeft uitgelegd dat dit al duidelijk kan worden tijdens de screening en dat er dan een plan op maat komt, het D&R-plan. Maar als ik verder lees en kijk wat er nu in de verschillende gevangenissen gebeurt dan zie ik dat het persoonlijk traject nog op veel plekken in ontwikkeling is, dat de invulling nog per p.i. Verschilt  en dat het stelsel vooral staat afgesteld op de gemiddelde gedetineerde. Voorzitter de eerste stap zetten we op papier, het daadwerkelijke resultaat moet echt ontstaan in de praktijk. Om de groep LVB’ers ook beter uit de gevangenis te laten vertrekken dan dat ze binnen kwam is het belangrijk dat er goed geschoold personeel is. Dat zicht heeft op het verschil tussen onwil en onvermogen. Zodat uit rapportages daadwerkelijk kan blijken als iemand uit onvermogen niet aan voorwaarden voldoet. Dat kan alleen gewaarborgd zijn als de faciliteiten op orde zijn. En structureel op orde zijn. Ik wil de minister vragen om toe te lichten hoe hij dit ziet. Ik krijg namelijk de indruk dat degenen die hierbij echt een spilfunctie hebben, de casemanagers, al te weinig tijd hebben voor hun basistaken. Hoe zullen zij dan energie en tijd vrij maken voor de ingewikkelde gedetineerden? En hoe worden zij daartoe opgeleid? Welke ruimte hebben zij, ook budgettair om andere experts te betrekken. Voorzitter het gaat hier om een complexe realiteit waarbij pas na intensieve en kundige begeleiding effect te verwachten valt. Hoe realiseert de minister dat in een veld waar de personeelstekorten groot en het ziekteverzuim hoog is? Is de klassieke gevangenenbewaarder opgeleid om hierin ook een bijdrage te leveren? Er zal nog het nodige geïnvesteerd moet worden in opleiding, tijd en geld. Daarom vraag ik de minister  om in zijn antwoord nadrukkelijk ook de financiering te betrekken. En heb ik het goed begrepen dat juist op dit punt – van reclassering, zorg en vrijwilligersorganisaties vanaf het begin betrekken in de gevangenis- dat op dit punt pilots draaien, maar dat structurele inbedding in beleid en financiën moeten volgen? Geen lelijk woord over pilots, maar wel de opmerking dat die alleen nut hebben als ze goed opgevolgd kunnen worden. En hoe waarborgt de minister dat dit in alle penitentiaire inrichtingen voldoende op orde is? Dit is een zwaarwegend punt voor de ChristenUnie-fractie. Ik overweeg op dit punt een motie om het vanaf Prinsjesdag volgend jaar daadwerkelijk geborgd te hebben. 

Ik heb daarnaast de motie Drost/Van der Staaij gezien over het betrekken van vrijwilligersorganisaties die goede expertise hebben opgebouwd bij het begeleiden en motiveren van gevangenen. Ik vraag de minister hoe het met de uitvoering van deze motie staat en ook de garantie dat deze organisaties niet een vrijwilligers -verlengde worden van DJI, maar juist vanuit hun eigen kracht en inspiratie het goede werk dat de vrijwilligers doen invulling kunnen geven. En zet hij ook in op toegang van deze expertise tot alle p.i.’s naast de Reclasseringsorganisaties? 

Voorzitter, een tweede belangrijk punt in dit wetsvoorstel is de aanpassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Ook de ChristenUnie heeft zich bij gelegenheid uitgelaten dat een opgelegde straf moet worden uitgezeten en dat een voorwaardelijke invrijheidstelling na 2/3e van de straf geen recht of automatisme moet zijn. Die lijn in dit wetsvoorstel kunnen wij steunen. Maar ook op dit punt heb ik nog wel enkele vragen. Er wordt voor gekozen om de Voorwaardelijke Invrijheidsstelling in te korten tot 1/3e van de straf met een maximum van 2 jaar. Dat betekent dat voor gedetineerden met een gevangenisstraf langer dan 6 jaar de VI bekort wordt. Ik heb begrepen dat jaarlijks 100-120 gedetineerden een vrijheidsstraf langer dan zes jaar krijgt opgelegd. In het nieuwe stelsel kan in vervolg op de Vervroegde invrijheidsstelling een verlengde proeftijd worden opgelegd, die soms zelfs ongelimiteerd is. Maar wat nu als langgestraften geen verzoek tot VI indienen? De verlengde proeftijd en het toezicht zijn gekoppeld aan de VI. Zij zitten hun straf uit en keren onbegeleid in de samenleving terug. Dat de calculerende gedetineerde deze uitkomst kan kiezen, vind ik een ongewenste situatie. De minister heeft al verschillende keren geschreven dat hij verwacht dat dit wel mee zal vallen. Maar waar deze verwachtingen nu op gebaseerd zijn, dat verneem ik heel graag. Verwachtingen alleen nemen een geconstateerd gat niet weg. De zorgen omtrent calculerend gedrag leven breed, van Openbaar Ministerie tot Rechtspraak, en ook de Reclassering is hier helder over. Dat zijn allen partijen die weet hebben over welke doelgroep zij spreken. Ook als we deze wet aan nemen zal het een poos duren voordat de schadelijke effecten zichtbaar zijn. Maar Voorzitter, toch ten principale mogen we dit gat niet laten vallen. Ik hoor dat graag bevestigd door de minister en hoe hij dat voorkomt. 

Van verschillende kanten is bovendien bezwaar gemaakt tegen de periode van twee jaar. Voor de meeste gevangenen zal dat de termijn zijn die nodig is voor een geslaagde re-integratie. Voor mensen die langere tijd in de gevangenis zitten, blijkt ook nu al in een aantal gevallen dat een langere periode nodig is. Kan de minister nog eens helder toelichten waarom de twee jaar echt afdoende is? Of voelt hij met mij mee dat er gevallen denkbaar zijn, sterker nog bekend zijn, waar een langere periode nodig is. En welk ventiel heeft men dan om dat effectief vorm te geven? Ik zou hem de volgende denkrichting willen meegeven en hoor graag zijn reactie. Het gaat hier om een kleine groep van gedetineerden waar voor alle experts binnen DJI en reclassering al ruim op tijd helder zal zijn dat de twee jaar onvoldoende zal zijn. Is het niet mogelijk om voor deze kleine groep een toetsmoment in te bouwen waar Reclassering en/of andere experts binnen de p.i. Een verzoek kunnen doen tot uitbreiding van de tijd? Voorzitter, het gaat me niet om de exacte invulling, maar om de denkrichting en ik zou heel graag zien dat de minister dit laat onderzoeken.  Hoe gaat de minister volgen wat de effecten van deze keuze zijn en op welk moment informeert hij de Kamer hier over.  

In het huidige stelsel beslist de rechter over uitstel, afstel of herroeping van de Voorwaardelijke invrijheidstelling. In het voorliggende wetsvoorstel ligt die beslissingsbevoegdheid volledig bij het Openbaar Minister. Dat stuit op onbegrip in mijn fractie. Slechts een marginaal toetsende rol resteert voor de strafrechter. Welke overwegingen leiden voor de minister nu tot een verschuiving van die bevoegdheid? En hoe weegt hij het bezwaar van de rechterlijke macht en meerdere andere deskundigen nadien dat de beslissing over een herroeping van de VI in feite een beslissing tot vrijheidsbeneming is, die in ons land is voorbehouden aan de rechter? De fractie van de ChristenUnie heeft nog niet scherp welke problemen in de competentieverdeling op dit moment, nu de aanleiding vormen voor de voorgestelde verschuiving. 

Voorzitter, een derde punt, is de terugkeer van ex-gedetineerden in de samenleving. Ook hierin zet het wetsvoorstel stappen door ook de gemeenten vroegtijdig te betrekken. Er ligt bovendien al een bestuursakkoord dat nadere invulling geeft. De handtekening van de gemeenten, de reclasseringsorganisaties en die van de minister staan er onder. En dat is goed, want dit is bij uitstek een gezamenlijke opgave. Ik heb in de gemeente Utrecht gezien dat het heel veel verschil maakt als een gemeente hier daadwerkelijk haar verantwoordelijkheid pakt en reclassering en vrijwilligersorganisaties goed betrekt. Niet alleen voor de ex-gedetineerde, maar ook voor de samenleving. Goed dat de gemeenten hierin hun verantwoordelijkheid nemen. Ik heb wel de vraag hoe deze keer wel echt alle gemeenten betrokken raken. In eerdere rondes liep dat geregeld mis en dan zie je dat het voor een ex-gedetineerde veel verschil maakt waar hij vandaan komt. Wat is de doelstelling van de minister op dit punt? En datzelfde geldt voor de huisvestingsopgave. Wij weten dat die in veel gemeenten ingewikkeld is. Ik dank de minister voor zijn toezegging in de schriftelijke beantwoording om dit met de minister van BZK op te pakken. Ik vraag hem op welke termijn hij hier resultaten van verwacht en om deze met de Kamer te delen. 

Voorzitter, wie een handtekening zet, wekt verwachtingen. Dat weet de minister en daarom zet hij zijn handtekening vast niet onder van alles. Maar wel onder dit Bestuurlijk Akkoord. Bij het doornemen miste ik een financiële paragraaf. Klopt dat? En welke verplichtingen vloeien hieruit voort voor het Rijk? Ik neem aan dat de handtekening in dit opzicht wat waard blijkt te zijn en hoor de minister daar natuurlijk graag over.  

Ten slotte is er van meerdere kanten gewezen op het overgangsrecht en de ongewenste effecten wat dit heeft voor lopende strafzaken. Het wetsvoorstel kan de prikkel in zich dragen om een hoger beroep anders te wegen. Ik vraag de minister om serieus recht te doen aan de terechte zorgen hieromtrent.  

Ik kom tot een afronding voorzitter, mede namens de fractie van de SGP, dat begrijpt u. Als het gaat om de uitvoering van straffen heeft de overheid een zware verantwoordelijkheid. Met als doel herstel van de rechtsorde, bescherming van slachtofferbelangen en het voorkomen van recidive. De hoofdlijn van dit wetsvoorstel ziet mijn fractie zeker als winst, maar op een aantal punten hebben wij onze zorgen. Ik zie daarom zeer uit naar de antwoorden van de minister. 

Deel dit bericht

Labels: ,