Speech van Arie Slob voor het Unie- en Ledencongres in Zwolle op 17 november

S5030826zaterdag 17 november 2007 21:06

Dames en heren, beste vrienden en vriendinnen van de ChristenUnie, u kent de term ‘hete herfst’. Er gaat bijna geen voorjaar voorbij of er wordt ergens in of rond Den Haag wel een ‘hete herfst’ voorspeld. Dreigend jargon waar ik me nooit veel bij kon voorstellen.
Heethoofden hebben het altijd warm, dacht ik dan met enig mededogen.

Maar goed, nu heb ik het zelf ervaren: een hete herfst.
Gelukkig mocht de stropdas af en toe los, toen ik samen met collega-fractievoorzitters en de voorzitter van de Tweede Kamer een bezoek bracht aan de Nederlandse Antillen en Aruba. De tropische hitte was er niet te ontlopen.

Een ander soort hitte sloeg me in het gezicht toen ik vrijdag een week geleden,
teruggekeerd van de Beneden- en Bovenwindse Eilanden, op Schiphol m’n mobiele telefoon weer inschakelde en de e-mails en sms’jes liet binnenlopen.
De ChristenUnie bleek plotseling onderwerp te zijn van een verhit publiek debat.
De pers wachtte me niet op met vragen over de bestuurlijke toekomst van onze overzeese gebieden; nee, er werd gezwaaid met Kamervragen waarin de toekomst van de ChristenUnie als gesubsidieerde partij werd betwijfeld.

Over beide ervaringen hoort u mij niet luchtigjes doen.
Twaalf warme dagen op de Antillen en Aruba hebben echt iets bij mij losgemaakt.
Een diep besef dat deze zes eilanden stuk voor stuk in een belangrijke fase van hun ontwikkeling en plaats binnen het Koninkrijk zijn terechtgekomen.
Het komende jaar is cruciaal voor hun toekomst.
Dat mag hier, op ruim achtduizend kilometer afstand, niet aan onze aandacht ontsnappen.
De ChristenUnie heeft altijd een grote betrokkenheid gevoeld bij de overzeese delen van ons Koninkrijk. Laat dat zo blijven. Mochten we het vergeten, Cynthia, dan reken ik erop dat jij ons bij de les zult houden.

Wat ook iets bij mij – en ongetwijfeld bij velen van u - heeft beroerd, is de discussie over participatie van homoseksuele broeders en zusters binnen de ChristenUnie.
De geschiedenis kent talloze zwarte bladzijden vol geweld tegen mensen die homoseksueel geaard waren.
Ook nu nog zijn er landen op de wereld waar het levensgevaarlijk is om ‘zo’ te zijn.
Veel homo’s zijn beschadigd door de wijze waarop hun omgeving met hen is omgegaan.

Deze week was Meindert Leerling te gast bij onze fractievergadering. Het was Meindert Leerling die tijdens de behandeling van de Wet Gelijke Behandeling in 1993 in de Tweede Kamer ‘met schaamte bekende dat in de christelijke kerk in de loop der eeuwen veel fouten zijn gemaakt’ jegens homoseksuelen.
Dat heeft toen veel indruk gemaakt. Ook op mij.
Op onze schouders rust nu de dure plicht om – net als toen - met uiterste zorgvuldigheid te spreken en te handelen als het over deze mensen gaat.
Het is niet toevallig dat juist de ChristenUnie bij de coalitieonderhandelingen gevraagd heeft om beleid dat de agressie tegen homoseksuelen in de maatschappij bestrijdt. Dat is wat ons betreft het hoofddoel van de homonota die minister Plasterk vorige week gepresenteerd heeft.
We hoeven niet allemaal hetzelfde te denken. Maar we moeten wel met z’n allen veilig en respectvol kunnen samenleven in dit land.

Ik zei al: ons spreken moet weloverwogen en zorgvuldig zijn, vooral waar het mensen in hun wezen raakt. Juist als christenen weten we toch hoe hard het ons kan raken als er achteloos wordt omgesprongen met wat zó wezenlijk voor ons is.
De noodzakelijke zorgvuldigheid is dus een heel legitieme reden om een gevoelig vraagstuk eerst eens in een commissie te bespreken. Het lijkt me daarom wijs dat het bestuur van de ChristenUnie besloten heeft een commissie Representatie ChristenUnie in te stellen. Bij zorgvuldigheid hoort ook dat je zaken niet versmalt en versimpelt zoals dat de afgelopen weken – mogelijk onbedoeld – gebeurd is.
De discussie over gedrag en levensstijl van ChristenUnie-politici moet breed gevoerd worden.
Zo breed dat ze álle vertegenwoordigers van de partij raakt.
En wat mij betreft ook zo breed dat zelfs onze manier van debatteren, onze manier om vraagstukken aan de orde te stellen, onderdeel van de discussie is.
Als wij het in de fractie hebben over onze eigen stijl van politiek bedrijven, doelen we niet alleen op christelijke opvattingen maar ook op wat een christelijke manier van formuleren en opereren is.

In de missie van onze partij staat: ‘ChristenUnie-politici laten zich bij hun doen en laten leiden door het Woord van God. Met een open oog voor de werkelijkheid zoeken zij naar Zijn wil. Dit bepaalt hun hele politieke en persoonlijke leven.’
In deze luttele zinnen staat aan welk gedrag je politici van de ChristenUnie herkent.
Het zijn volgelingen. Zij laten zich leiden door Gods Woord, en zoeken Zijn wil voor hun politieke én hun persoonlijk leven. Geleide en zoekende, luisterende en biddende mensen. Dat is een houding, een leefwijze waaraan je herkenbaar bent en waarop we elkaar kunnen aanspreken. Dát is de politieke stijl van de ChristenUnie.

Ik wil u graag iets vertellen hoe dat in de praktijk in z’n werk gaat. Juist omdat je de laatste maanden wel eens de suggestie hoort dat het Woord van God het soms moet afleggen tegen het woord van onze coalitiegenoten. De suggestie dat we vanwege onze regeringsdeelname ineens met de hand op de mond moeten praten, en minder Bijbelvast worden. Dat raakt mij en de mensen om me heen diep.
Juist nu we in de regering zitten, zijn we ons meer dan ooit ervan bewust dat het er op aan komt. Hoe dragen we onze verantwoordelijkheid zó dat we daarover te zijner tijd niet alleen aan de kiezer, maar ook aan de hoogste Autoriteit verantwoording kunnen afleggen.
De omstandigheden zijn niet eenvoudig. We worden geconfronteerd met een veelheid van belangen in het kabinet en de coalitiepartijen. We willen daarin zuiver blijven opereren en dat brengt ons bijna automatisch op de knieën. Om ons te laten leiden door Gods Woord, en in de weerbarstige werkelijkheid Zijn wil te zoeken. Zowel binnen de fractie, als in de contacten tussen fractie en bewindslieden is dát de samenbindende gedragscode.
Ik denk dat dat ook de gedragscode, de eigen stijl van onze achterban is.
Een oud VVD-kopstuk, oud-minister van Justitie Korthals Altes, heeft deze week gezegd dat Nederland onbestuurbaar dreigt te worden doordat de kiezer steeds meer de extremen opzoekt. ,,Nu al moet een extreme partij als de ChristenUnie erbij om een regering te vormen.”
Ik vind dat uit de mond van de VVD een raar verwijt. Juist in een week waarin die partij – zelf verscheurd tussen liberalisme en populisme - opzichtig haar best doet om geen terrein te verliezen aan de ronduit populistische bewegingen van haar ex-leden Wilders en Verdonk. Ik heb het nu over de vreemdelingennotitie van Henk Kamp, die vol voorstellen staat waarvan hij wéét dat ze niet uitvoerbaar zijn.
Nu snap ik wel dat een verscheurde VVD de linksliberale Korthals Altes pijn doet. Ja, en dan kun je beter ánderen extreem gaan noemen. Zoals de ChristenUnie. Die een programma heeft dat – weet u het nog? – volgens de samensteller van de beste Kieswijzer van ons land, André Krouwel, exact in het midden staat van de politieke voorkeuren in ons land. Zowel op de sociaal-economische als op de conservatief-progressieve links-rechts as. Hoe zo extreem, Korthals Altes?

Een positie in het midden kan overigens best samengaan met een stevige, uitgesproken en herkenbare christelijke visie. Wij zijn niet een extreme, maar wel een radicale partij. Radicaal in de zuivere betekenis. Het woord radicaal is immers afgeleid van radix, wortel. Wij zijn een gewortelde partij, en onze politici proberen politiek te bedrijven vanuit hun diepste wortels.
Wie geworteld is, slaat niet zo snel op hol.
Zúlke radicaliteit uit zich niet in schokkende uitspraken en extreme standpunten, maar in een radicale levensstijl. En in ons geval: in een radicale stijl van politiek bedrijven. Zoals de apostel Paulus het schrijft (Efeze 3): ‘geworteld en gegrond in de liefde’. Die gewortelde stijl blijft hetzelfde als omstandigheden en posities wisselen: de ChristenUnie is niet veranderd.

Ik zei al iets over de nieuwe omstandigheden waarin wij moeten werken.
Misschien weet u nog dat ik tijdens het congres in Lelystad, februari dit jaar, heb voorspeld dat we als partij – ondanks alle euforie van dat moment - een moeilijke tijd tegemoet zouden gaan. Regeren is namelijk niet makkelijk. Nooit geweest en het zal het ook nooit zijn.
In Lelystad heb ik ook gewaarschuwd dat we niet vreemd moeten opkijken als er tegenstand tegen onderdelen van het regeerakkoord zal komen. Ook tegen die onderdelen die ons als ChristenUnie het meest dierbaar zijn. Sterker nog, zo heb ik gezegd, het zou u moeten verbazen als daartegen géén weerstand zou komen.
De afgelopen maanden hebben duidelijk gemaakt dat dit geen loze weersverwachtingen zijn geweest. Ik schrik daar overigens niet van. En hoop dat u dat het ook niet doet.
Als ChristenUnie staan we sinds negen maanden op het hoofdpodium van de Nederlandse politiek. De schijnwerpers staan op ons gericht. Iedere beweging wordt bij wijze van spreken geregistreerd. In dergelijke situaties is het wel van belang dat we met elkaar goed moeten weten wat we doen.

Er wordt veel van ons gevraagd. En dat wordt de komende tijd niet minder.
Als fractie hebben we daarom in de afgelopen maanden stevig geïnvesteerd in onze samenwerking. Samen met Joél, Cynthia, Ernst, Esmé en Ed heb ik vele uren doorgebracht.
Dat is goed. Ik ben blij met deze club mensen. Stuk voor stuk unieke persoonlijkheden die besef hebben van de grote verantwoordelijkheid die op hun en onze gezamenlijke schouders ligt.
Juist daarom nemen we ook de tijd om te bouwen aan onze fractie.
Eigen scoringsdrift - die je in den Haag zoveel tegenkomt - moet ondergeschikt gemaakt worden aan het grotere belang van een consistent en op de inhoud gericht functioneren van de fractie.
Dat is toch ook wat van ons gevraagd worden. De ChristenUnie is geen partij van snelle, goedkope acties en soundbytes. Wij houden ook geen lijstjes bij, wie van onze fractie het vaakst met gezicht of citaten de media weet te halen. Dat is tegen de gedragscode van de ChristenUnie; wij houden vast aan onze eigen politieke stijl.

Dat wil niet zeggen dat we niet in beeld zijn en ook in deze nog relatief korte tijd geen successen hebben geboekt. We plukken met grote regelmaat de vruchten van onze deelname aan de coalitie.
Op alle terreinen waarop onze kamerleden actief zijn, worden er amendementen en moties van onze hand - al dan niet samen met anderen ingediend - door de Tweede Kamer aangenomen.
In vorige perioden toen we niet in de coalitie actief waren gebeurde dat ook. Maar ik zie duidelijk verschillen. Onze mogelijkheden om het beleid te beïnvloeden zijn substantieel toegenomen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat in de afgelopen maanden, op een enkele uitzondering na, de door ons ingediende amendementen en moties zijn aangenomen. Een paar voorbeelden:

  • Geen nachtvluchten op regionale luchthavens.
  • Kinderen onder de jeugdbescherming komen niet meer in de jeugdgevangenis.
  • Kinderhulptelefoon gratis.
  • Gevangenen kunnen tijdens hun celstraf door hard werken zich voorbereiden op een schuldenvrije terugkeer in de maatschappij.

Dat we zulke dingen bereiken kunnen, is iets om dankbaar voor te zijn.

Waar nodig corrigeren we dit kabinet ook. Zo hebben we tijdens de algemene politieke beschouwingen de begroting op een groot aantal onderdelen aangepast.
We hebben een streep gehaald door een bezuiniging op de kinderbijslag die het kabinet voorstelde. Het ging weliswaar maar om een paar tientjes per jaar voor bovenmodale inkomens, maar we vonden het een verkeerd signaal.

Verder komt er op onze aandrang meer geld voor:
Defensie, 50 miljoen. Onderwijs, 80 miljoen. Jeugdzorg, 40 miljoen. Armoedebestrijding, 15 miljoen. En 20 miljoen euro extra voor een ‘warme’ sanering en een gezonde toekomst van de visserijsector.
Al met al een pakket aan wijzigingen waar we ons als ChristenUnie niet voor hoeven te schamen.

En dat bij een begroting waarin ook veel van het ChristenUnie-gedachtengoed terug te vinden is. Het zal u wel opgevallen zijn dat juist schadelijk en vermijdbaar leefgedrag door het kabinet extra belast wordt: alcohol, gokken, roken, vliegen, vuil en veel autorijden. Zulke lastenverzwaringen kunnen in zekere zin het gedrag van consumenten sturen. Dat vinden wij zeer verantwoorde keuzes. Zeker als daarmee geld kan worden vrijgemaakt om bijvoorbeeld:

  • met een kindgebonden budget gezinnen extra te ondersteunen,
  • de gratis schoolboeken te financieren (dat is zeker 300 euro per kind per jaar!),
  • en om de maatschappelijke stages en de forse extra investeringen in zorg en onderwijs mogelijk te maken.

Gaat alles nu goed en van een leien dakje? Natuurlijk niet.
Ook wij moeten soms constateren dat de ruimte voor aanpassingen die wij graag zouden willen zien, bij onze coalitiepartners CDA en PvdA beperkt is. Soms stuit je dan op één van de coalitiepartijen, soms op beide.
Wij willen bijvoorbeeld dat de Winkeltijdenwet wordt aangescherpt zodat niet overal in het land gemeenten misbruik kunnen maken van de ‘toerismebepaling’ om wekelijks koopzondagen te houden. Die afspraak is in het coalitieakkoord vastgelegd, en bij de uitvoering zouden we best verder willen gaan dan het kabinet nu voorstelt. Dat zullen we bij de behandeling van het voorstel van mevrouw Van der Hoeven ook laten weten.
Maar dat wil niet zeggen dat als haar voorstel het hoogst haalbare blijkt te zijn, er helemaal niks gebeurt. Vast staat dat het kabinet mogelijkheden biedt om onterechte koopzondagen in uw gemeente aan te pakken. Laten burgers, individueel en collectief, die mogelijkheden vooral benutten waar dat nodig is.

Ook binnen een coalitie moet je soms hard werken om je doelen te bereiken. Dat merken we bijvoorbeeld ook bij de medisch-ethische thema’s. De wijze waarop de ChristenUnie over die onderwerpen denkt, verschilt nu eenmaal diepgaand van hoe CDA en PvdA erin staan.
Wetende wat het politieke speelveld is, zowel binnen de coalitie als in de Tweede Kamer, zijn we desondanks blij met een aantal beleidswijzigingen die nu door staatssecretaris Bussemaker zijn voorgesteld. Je kunt niet met droge ogen volhouden, zoals deze week wel door een geachte afgevaardigde in de Tweede Kamer werd gedaan, dat er op dit vlak niets gebeurt.

We zien ook dat de voorgestelde wijzigingen van het beleid weerstand oproepen.
Kijk alleen maar naar de manier waarop er deze week door abortusartsen gereageerd is op de manier waarop het kabinet de VBOK wil betrekken in zijn beleid. Een voorbeeld waaruit blijkt dat mensen in het veld echt wel doorhebben dat er iets aan het veranderen is.
En inderdaad collega Pechtold, u heeft gelijk: het maakt een hemelsbreed verschil dat niet GroenLinks maar de ChristenUnie bij PvdA en CDA in de regering is gaan zitten. Beschermwaardigheid van het leven wordt weer genoemd als een kernwaarde bij het nemen van medisch-ethische beslissingen; autonomie van de mens is niet langer het einde van alle tegenspraak.

Over tegenspraak gesproken: u zult zich zo langzamerhand ook wel afvragen wanneer het feuilleton getiteld ‘ontslagrecht’ eindelijk z’n finale beleeft. Ook deze week heeft het onderwerp me weer enkele uren van de straat gehouden.
Ik doe geen ongepaste onthullingen wanneer ik constateer dat de temperatuur rond dit onderwerp aardig is opgelopen. Hou het hoofd koel, zou ik - onder andere in de richting van CDA en PvdA - willen zeggen.
Warme harten bij onderwerpen is geen probleem. Graag zelfs; wat heb je aan bestuurders zonder enige betrokkenheid bij de inhoud van hun werk. Maar van bestuurders mag verwacht worden dat we het hoofd koel houden. En vooral: dat we vanuit de inhoud blijven redeneren.
Juist bij politiek lastige onderwerpen komt het daar op aan. Ik zou het prettig vinden als dat niet alleen de stijl van de ChristenUnie maar ook die van de coalitie zou zijn. Geen hakken in het zand, niet persoonlijke reputaties verbinden aan een lastig vraagstuk, maar vanuit de inhoud naar een oplossing zoeken.
Met de vaststelling van ons verkiezingsprogramma hebben wij geen mandaat van u gekregen om rond het ontslagrecht ingrijpende, inhoudelijke wijzigingen door te voeren die ten koste gaan van de rechtsbescherming van werknemers. In het coalitieakkoord zijn hierover geen afspraken gemaakt die ons verplichten om wél aan de ontslagbescherming te tornen. Dat wil niet zeggen dat we niet constructief mee willen denken over verbeteringen. Wie kan daar op tegen zijn?
Wij zien mogelijkheden om

  • het bestaande, ingewikkelde stelsel te vereenvoudigen,
  • tegelijk de rechtsbescherming overeind te houden en
  • prikkels in te bouwen om na ontslag snel aan een nieuwe baan te worden geholpen.

Daar moet het uiteindelijk ook om te doen zijn.
Wij zullen het struikelblok in deze kwestie niet zijn. Bij andere, politiek minstens zo lastige dossiers (denk aan de dubbele nationaliteiten) is het ook gelukt om samen een oplossing te vinden. Dat moet bij dit onderwerp ook gewoon gebeuren.

Een ander belangrijk onderwerp dat ons bezighoudt, gelukkig zonder dat het tot nu toe tot scherpe tegenstellingen heeft geleid, is de inzet van Nederlandse militairen in Uruzgan.
Ik wil mijn waardering uitspreken in de richting van minister van Middelkoop, die op een integere manier probeert tot verantwoorde conclusies te komen rond dit onderwerp. Onze fractie is bereid verlenging van de missie in enigerlei vorm serieus in overweging te nemen als het kabinet dat voor zal gaan stellen. Het moet wel kúnnen natuurlijk; onze mensen daar moeten bijvoorbeeld met goed materieel uitgerust blijven. Maar we horen het Afghaanse volk in deze cruciale situatie van z’n ontwikkeling niet in de steek laten.

Eerder dit jaar heeft minister van Middelkoop zich in de Verenigde Staten uitgesproken over de noodzaak van maatschappelijke waardering voor de militairen.
Ik denk dat hij daar een punt heeft.
Maar ik denk dat we dat punt wel veel breder moeten uitstrekken: de gehele publieke sector heeft recht op maatschappelijke waardering, misschien zelfs herwaardering.
Werken voor de publieke zaak is een eervolle taak. Je bent echt dienstverlenend bezig, of je nu politieagent, militair, onderwijzer, verplegende of verzorgende, of ambtenaar bij rijk, provincie of gemeente bent.
Juist daarom overigens is het zo belangrijk dat de topinkomens in die publieke sector genormeerd worden. Je verdienste zit hem mede in wát je doet, waarom je het doet en voor wie je het doet.
Als mensen aan de top die intrinsieke motivatie kennelijk niet belangrijk vinden maar alleen voor een zogenaamd ‘marktconform’ salaris aan de slag willen, hoe zullen dan medewerkers in rest van de sector wél eer en arbeidsvreugde ontlenen aan het feit dat ze het publieke belang dienen?
U begrijpt in dit verband dat kabinetsvoorstellen om de topinkomens aan te pakken
door de ChristenUnie worden gesteund. Die plannen gaan we dus niet alsnog uitruilen tegen de ontslagbescherming, zoals hier en daar gesuggereerd wordt.

Ik heb zojuist respect en maatschappelijke waardering gevraagd voor mensen die in publieke dienst werken. Hetzelfde zou ik willen vragen voor mannen en vrouwen die er bewust voor kiezen een deel van hun werkweek te besteden aan mantelzorg, vrijwilligerswerk of zorg voor hun eigen kinderen of ouder wordende ouders. Dat is onbetaalde arbeid die van grote waarde is voor de samenleving. Dergelijke mensen zijn het sociale kapitaal van onze samenleving. Daarom is de fractie van de ChristenUnie kritisch over de ambities en inspanningen van het kabinet om mannen en vrouwen toch vooral zo veel en zo lang mogelijk in een betaalde baan te laten functioneren.
Als het over arbeidsparticipatie gaat lijkt de eigen keuzevrijheid van gezinnen om samen de arbeid- en zorgtaken te verdelen, steeds meer onder druk te komen van een veel te hijgerige participatiedwang. Ik roep het kabinet op, meer dan wat we tot nu toe gezien hebben, aandacht te hebben voor een verantwoord evenwicht tussen arbeid en zorg. Wij hebben daarvoor tal van eigen plannen.

  • Een wettelijk recht op schooltijdbanen bijvoorbeeld.
  • Een bonus op thuiswerken; dat is is niet alleen goed voor het milieu, maar het spaart ook veel reistijd uit en zorgt ervoor dat werkende ouders vaker thuis met hun gezin kunnen eten.
  • En heel belangrijk: financiële tegemoetkoming voor informele kinderopvang.

Beste vrienden en vriendinnen. Nog drie dingen.
Ik wil het allereerst over onze staatssecretaris hebben, Tineke Huizinga.
Zij heeft een boeiende, maar niet eenvoudige portefeuille. Als voormalig woordvoerder Verkeer & Vervoer kan ik dat uit ervaring zeggen.
Van haar voorgangster heeft Tineke een aantal hoofdpijndossiers overgeleverd gekregen. Waaronder de OV Chipkaart, de openbare aanbesteding van het OV en de Taxitarieven.
In de afgelopen weken heeft Tineke enkele keren last gehad van coalitiegenoten die afweken van eerder genomen besluitvorming. Dat is heel vervelend. Nu kunnen onze bestuurders wel tegen een stootje. Dat geldt, daar ben ik van overtuigd, zeker voor Tineke. Ik zie een staatssecretaris die met overtuiging bezig is. Onder andere met de o zo belangrijke waterportefeuille. Juist met het oog op de klimaatveranderingen is het van groot belang dat daar duurzaam en toekomstgericht beleid wordt gemaakt. We denken veilig achter onze dijken te kunnen wonen, maar dat is geen vanzelfsprekendheid. Ook uit de watervisie die ze al heeft gepresenteerd, is onze staatssecretaris zich daarvan goed bewust. Net zoals het belang van de binnenvaart in Nederland, zoals blijkt uit haar beleidsbrief die deze week is uitgekomen.
Tineke, we volgen je kritisch. Dat is onze taak als fractie: bewindspersonen controleren, ook de ‘onze’. Maar we staan ook achter je!

Dat geldt ook voor onze minister voor Jeugd en Gezin. Hij heeft ook in de afgelopen maanden al heel wat te verstouwen gekregen. Eindelijk staat het gezinsbeleid op de politieke kaart. Eindelijk zien we op dit vlak iets gebeuren.

  • Het kindgebonden budget,
  • de financiële ondersteuning van ouders met schoolgaande kinderen,
  • de centra voor jeugd & gezin,
  • om maar een paar punten te noemen - niet de onbelangrijkste.

Ik moest wel lachen toen ik vorige week hoorde dat tijdens het CDA-congres zou zijn gezegd dat het de verdienste van het CDA was, dat het gezinsbeleid nu weer op de politieke kaart staat. Het klopt dat in 1995 toenmalig CDA-fractieleider Heerma een pleidooi heeft gehouden voor een gezinsminister. Inderdaad, hij werd weggehoond. Maar wat dacht u van de voorgangers van de ChristenUnie, RPF en GPV, die al lang vóór 1995 aandacht hebben gevraagd voor een actief gezinsbeleid, inclusief een minister. En meestal bot vingen bij kabinetten waarin het CDA dominant was.
En herinnert u zich nog dat internationale onderzoek, waarmee André Rouvoet in 2005 als fractievoorzitter het toenmalige kabinet Balkenende II heeft bekritiseerd:
daaruit bleek dat in heel Europa alleen Griekenland het nog beroerder deed dan Nederland, op het gebied van gezinsbeleid.
Laten we nu geen strijd gaan voeren over wie de eerste en de beste is op dit gebied, maar gezamenlijk de schouders onder zetten dat er deze periode wel iets gebeurd. André, zet hem op. Het begin is zeer bemoedigend, maar nu wel verder.
Ik kom tot mijn laatste punt. En daarbij moet ik u iets verklappen. Er zijn kort geleden voor mij twee bomen gepland. Niet in mijn achtertuin, maar in Israël. Ik kreeg deze bomen aangeboden na een werkbezoek aan de Joodse school Maimonides in Amsterdam.
Zo’n bezoek confronteert je weer met de bijzondere plaats en geschiedenis van het Joodse volk. Al was het maar vanwege de zware beveiliging die deze school nodig heeft. De gesprekken die ik daar had, en de informatie die ik daar kreeg, geven me de vrijmoedigheid om hier iets over dit onderwerp te zeggen. Wetende dat u daar als congres vanmiddag ook nog over zal spreken.
Er wordt verschillend gedacht over de passages die ons verkiezingsprogramma bevat over Israël. Dat mag. Ik zou u er wel aan willen herinneren dat deze passages niet zomaar toevallig tot stand zijn gekomen. Daar is bij de samenvoeging van RPF en GPV goed over nagedacht.
De woorden uit ons verkiezingsprogramma klinken door in een bijzondere passage in het coalitieakkoord. We hebben er vijf vorige regeerakkoorden op nageslagen: nooit een woord over Israël. Dit kabinet daarentegen heeft zich uitgesproken voor veilige grenzen voor Israël.
Ons verkiezingprogramma was geen belemmering om het hierover eens te worden. Sterker nog, het vormde juist de stimulans om hierover afspraken met CDA en PvdA te maken. Voor ons als fractie is het bestaande programma dus een prima werkbaar uitgangspunt.
Ik zou u voor de discussie nog de woorden van Joschka Fischer, voormalig buitenlandminister van Duitslant willen meegeven. Die in 2004 tijdens een OVSE-conferentie in Berlijn het volgende zei:
,,Elke fysieke aanval op een Joodse burger, elke ontwijding van een Joodse begraafplaats en elk antisemitisch commentaar is niet alleen bedreiging voor Joden en Joodse gemeenschappen in Duitsland en elders, maar ook voor onze open en democratische samenleving”. En zo is het.

ChristenUnie-vrienden en vriendinnen. Het is fijn om elkaar in zulke groten getale te ontmoeten tijdens dit congres. En dat in de stad waar ik bijzondere banden mee heb. Een stad waar ik mijn eerste stappen zette op het politieke terrein.
Ik hoop op een stijlvol congres waar we zowel plenair als in deelsessies intensief en open met elkaar kunnen spreken. Debatten in de eigen politieke stijl van de ChristenUnie: luisterend naar Gods Woord, zoekend naar Zijn leiding, als volgelingen van Christus. Vanuit het besef dat we in de naam van onze partij de naam van Hem, onze Verlosser, met ons meedragen. Een prachtige wetenschap, maar ook een grote verantwoordelijkheid. Hem komt uiteindelijk alle eer toe. Ik dank u wel

« Terug

Reacties op 'Speech van Arie Slob voor het Unie- en Ledencongres in Zwolle op 17 november'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2007

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari