Peter Ester: 'Geen zonnekoninggedrag met gemeenschapsgeld'

Peter Ester - Foto: Anne Paul Roukema / ChristenUniedinsdag 06 november 2012 14:48

'Geen financieel Zonnekoninggedrag met gemeenschapsgeld.' Dat was de boodschap van ChristenUnie-senator Peter Ester tijdens een debat over hoge salarissen in de publieke sector. 'Het komt nog altijd voor dat mensen in de zorg, de volkshuisvesting of het onderwijs teveel verdienen. Moreel leiderschap van topfunctionarissen en bestuurders van publieke en semipublieke organisaties en instellingen moet kennelijk gereanimeerd worden. Dat is een pijnlijke vaststelling.'

Lees hieronder de hele bijdrage van ChristenUnie-senator Peter Ester aan het debat over 'wetsvoorstel 32 600 Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector' op dinsdag 6 november 2012

MdV, er zijn weinig onderwerpen die zo onderwerp zijn van publieke verontwaardiging als excessieve beloning van topfunctionarissen die leiding geven aan instellingen in de publieke en semipublieke sector. Nog steeds bereiken ons geluiden over extreme beloning van topfunctionarissen in de zorg, het onderwijs of de volkshuisvesting. Deze negatieve beeldvorming versterkt een gevoel van politiek cynisme en wantrouwen onder de bevolking. Verhalen in de media over een directeur van een woningcorporatie die op kosten van de zaak in een Maserati rijdt en een directeur van een noodlijdende woningcorporatie die bij zijn gedwongen vertrek ruim 3,5 miljoen euro meekrijgt, zijn dodelijk voor de publieke zaak en de publieke bezieling. Financieel Zonnekoninggedrag is überhaupt laakbaar, maar zeker als het gaat om instellingen die geacht worden met gemeenschapsmiddelen publieke belangen te realiseren. Zelfverrijking in de publieke en semipublieke sector is uit den boze. Gelukkig lijkt het in toenemende mate om uitzonderingen te gaan. Maar het zelfreinigend vermogen van Raden van Bestuur en Raden van Toezicht behoeft blijvend onderhoud. Het feit dat we hier vandaag spreken over voorstellen tot normering en maximering van bezoldiging van topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector onderstreept dit uitgangspunt. Het maatschappelijk middenveld ­- daar hebben we het toch in belangrijke mate over- heeft een aantal behoorlijke butsen opgelopen. Mijn fractie betreurt dit in hoge mate: het gaat immers om de geloofwaardigheid van het sociaal weefsel van onze samenleving, om het vertrouwen in maatschappelijke organisaties. Moreel leiderschap van topfunctionarissen en bestuurders van publieke en semipublieke organisaties en instellingen moet kennelijk gereanimeerd worden. Er is kennelijk geen vanzelfsprekende cultuur van zelfbeheersing en zelfbeperking. Dat is een pijnlijke vaststelling.

Mijn fractie, MdV, hecht zeer aan een evenwichtig en maatschappelijk verantwoord loongebouw voor de publieke en semipublieke sector, zonder buitensporige beloningen aan de bovenkant. Werken voor de publieke zaak impliceert werken met publieke middelen en daar past terughoudendheid bij waar het gaat om bezoldiging. Voor de ChristenUnie, en voor vele anderen, is het werkzaam zijn voor de Res Publica ook een kwestie van roeping en niet alleen van beroep. Het gaat om werkzaamheden die gericht zijn op het naderbij brengen van “the good society”. Dit principe verhoudt zich slecht met exorbitante beloning. Dit klinkt hoogdravend, maar dat is het niet. Het werken voor en in de publieke sector is in zekere zin een keuze. Een keuze die voor velen niet primair wordt ingegeven door het najagen van geldelijk gewin, maar door een verantwoordelijkheidsethos, door niet-materiële waarden. Topfunctionarissen die leiding geven aan instellingen in de publieke en semipublieke sector zouden bij uitstek de dragers van dit ethos moeten zijn. En gelukkig zijn de meesten dat ook. En natuurlijk moeten we zorgen dat de beloning van onze topmensen in de publieke sector niet extreem uit de pas loopt met de private sector. Maar hier past ook nuchterheid: de bezoldiging – ook qua exitregelingen – tussen de publieke en private sector zal altijd verschil vertonen. Daar moeten we niet krampachtig over doen.

Juist in een situatie waar Nederland drastisch moet bezuinigen in de publieke sector en we veel van de bevolking vragen, moeten we het maatschappelijk debat hierover niet hoeven te belasten met een discussie over onevenredig hoge salariëring van bestuurders. Mijn fractie verwelkomt dan ook het huidige wetsvoorstel dat zoekt naar een transparante rationale voor normering en maximering van bezoldiging van topfunctionarissen, ook wat betreft ontslagregelingen. Een wetsvoorstel dat een omstandige voorgeschiedenis kent gezien het langjarig adviestraject van o.a. de Commissie Dijkstal, een commissie die maar liefst zeven adviezen uitbracht. De commissie liet zien dat gemiddeld genomen er geen sprake was van excessieve loonstijgingen in de publieke sector, maar wel dat er een jaarlijkse toename was van topfunctionarissen met een bezoldiging boven die van een minister in ons land. Zelfregulering, zoals ook de minister concludeert in de toelichting op het wetsvoorstel, is geen schering en inslag. Uiteindelijk leidde dit traject tot een beleidslijn rond normering en maximering in het coalitieakkoord “Samen Werken, Samen Leven” van het kabinet Balkenende IV waarvoor ook mijn partij tekende. Interessant is dat de lange discussie in ons land over de bezoldiging van topbestuurders een spiegelbeeldig karakter kent. De discussie werd ingezet door de Commissie van Rijn die adviseerde om het arbeidsvoorwaardenbeleid voor het topmanagement in de publieke sector in ons land aanzienlijk te verbeteren. In dat advies domineerde het arbeidsmarktperspectief en de concurrentieverhouding met de private sector. Anno 2012 is de discussie gekanteld en gaat het om de vraag hoe we de topsalarissen in de publieke en semipublieke sector kunnen maximeren op basis van heldere normen. In dit perspectief overheerst de noodzaak van beteugeling.

Mijn fractie beseft terdege dat het hier om een complexe materie gaat die zich niet met vlotte politieke oneliners laat benaderen. De begrippen “publiek” en “privaat” laten zich makkelijk in de mond nemen maar in de praktijk zijn er allerlei mengvormen ontstaan en kennen we ook een uitdijende semipublieke sector. Hierdoor is de regiemacht van de overheid over het loongebouw in de niet-private sector niet altijd evident. Sommige bestuursorganen zijn ook bewust op afstand geplaatst. Daarbij komt dat bestaande contractuele verhoudingen zich niet een-twee-drie laten wijzigen. En, laten we dat niet vergeten, loonvorming is uiteindelijk en in beginsel een zaak van sociale partners.

Met de Wet Openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens – de WOPT – van een paar jaar geleden beschikken we over een instrument om de ontwikkeling van topinkomens in de publieke en semipublieke sector transparant te maken. Organisaties en instellingen die met publieke middelen worden gefinancierd zijn gehouden om in hun jaarrekening de belastbare lonen te vermelden die het jaarsalaris van een minister te boven gaan. Daarmee werd een stevige stap gezet in de richting van openbaarmaking van topinkomens. Het voorliggende wetsvoorstel Normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector – de WNT – regelt een verdergaande plicht tot openbaarmaking, begrenst de beloning van topbestuurders, maximeert de ontslagvergoeding en kent een sanctieregime. De WNT is, zoals een beloningsdeskundige eens opmerkte, een WOPT met tanden.

De WNT kent drie beloningsregimes. Regime 1 regelt het bezoldigingsmaximum voor een gespecificeerd aantal lichamen die krachtens publiek recht zijn ingesteld. Dit komt ruwweg overeen met de bekende Balkenendenorm: 130% van een bruto ministersalaris. Regime 2 regelt het beloningsplafond voor de sector van Zorgaanbieders. De branche kan hier voorstellen doen; de minister beslist. Voor regime 1 en 2 geldt een openbaarheidverplichting en een ontslagvergoeding van maximaal € 75.000. Tevens geldt een bonusverbod. Regime 3, tenslotte, schrijft een openbaarheidsverplichting voor de sector van Zorgverzekeraars voor. Dat is de enige verplichting die voor deze sector geldt. Op basis van een aangenomen amendement in de Tweede Kamer is ook een wettelijk bezoldigingsmaximum opgenomen voor de toezichthouders van publiekrechtelijke instellingen. Mijn fractie kan leven met de regimedifferentiatie, die spoort met respectievelijk de wettelijke taak van een instelling, de mate waarin een organisatie inkomsten uit publieke middelen ontvangt, het publieke belang dat behartigt wordt en de mate waarin sprake is van commerciële concurrentie. Wel moet worden opgemerkt dat alleen het eerste regime echte slagkracht heeft. Hoe beoordeelt de Minister de onderscheiden effectiviteit van de drie bezoldigingsregimes? Is er niet sprake van een sterk afnemende meeropbrengst? Daaraan koppelt mijn fractie de vraag of de Minister op basis van vingeroefeningen die haar departement ongetwijfeld gemaakt heeft, het idee heeft dat deze regimedifferentiatie in de praktijk goed zal werken en niet zal resulteren in een te groot grijs gebied. De genoemde criteria zullen immers niet altijd eenduidig uitvallen. Dit kan leiden tot ellenlange discussies met het veld. Voorkomen moet bovendien worden dat de regimegewijze maximumbedragen in de praktijk gaan werken als streefbedragen. Dat zou een pervers effect zijn. Graag een reactie op deze punten.

Specifiek wat betreft Regime 2 heeft mijn fractie de vraag welke criteria de Minister zal gaan hanteren om te beoordelen of de voorstellen van de branche redelijk zijn. Kan hij deze criteria met de Senaat delen? Wordt de sector in kennis gesteld van deze criteria en hoe operationeel zullen de maximumcriteria uitvallen?

Mijn fractie begrijpt dat het wetsvoorstel geen betrekking heeft op staatsdeelnemingen en staatsgesteunde ondernemingen. Kan de Minister nog eens uitleggen wat hiervan de achtergrond is? En hoe zich dit laat rijmen met het wetsvoorstel (33 058) dat wij recent met algemene stemmen in de Senaat aannamen rond een bonusverbod voor staatsgesteunde ondernemingen? Het gaat daarbij toch om hetzelfde achterliggende principe? En daaraan gekoppeld de vraag hoe zich dit verhoudt tot Zbo’s; diensten die bewust op afstand zijn geplaatst.

Dan nog een opmerking over de Balkenendenorm. Mijn fractie onderschrijft dat maximering een normerend anker behoeft. De vraag is evenwel waarom dit anker gelegd is bij 130% en niet bij 100% van een ministersalaris. Daar zijn ook in de Tweede Kamer uitgebreid vragen over gesteld, o.a. door mijn partij, maar het debat bleef hier onbevredigend. Graag horen wij van deze Minister wat de doorslaggevende inhoudelijke argumenten zijn om te kiezen voor de 130% norm. Wij weten dat het vorige kabinet een fascinatie had met het getal 130, maar dat zal niet bepalend zijn geweest. Wat vindt de Minister in dit verband van de zogeheten “Brabantnorm” die Provinciale Staten van Noord-Babant onlangs unaniem heeft vastgesteld waarbij het ministersalaris als maximumnorm gaat gelden voor topsalarissen bij gesubsidieerde instellingen in deze provincie? En hoe verhoudt zich de 130%-norm met het Regeerakkoord dat opteert voor de 100% norm? Ik kom daar op het einde van mijn betoog ook nog even op terug.

MdV, het wetsvoorstel zoals dat voorligt, kent een beperkte eerbiedigende werking. De begrenzing en mogelijkheid van terugvordering gaat in voor aanstellingscontracten nadat de wet van kracht is geworden. Dat is uiteraard redelijk. Dat geldt wat mijn fractie betreft ook voor de overgangsregeling waarin de wet voorziet. De plicht tot openbaarmaking van bestaande bezoldigingen van topfunctionarissen valt niet onder deze eerbiedigende werking. Heeft de Minister evidentie dat dit tussentijds tot verhoging van bestaande bezoldigingen heeft geleid of anticipeert de sector op de nieuwe regeling? En in het verlengde hiervan: kan de Minister de laatste cijfers met ons delen wat betreft trendmatige overschrijdingen van de WOPT-norm? De Memorie van Toelichting loopt wat dit betreft al weer een paar jaar achter.

Dan het punt, MdV, van de sanctiebepaling. Indien de bezoldigingsgrenzen worden overschreden dan kan de Minister het te veel betaalde terugeisen. Dat gaat ongetwijfeld gepaard met de nodige publicitaire “name & shame”. Deze betalingen zijn onverschuldigd betaald, zo begrijpen wij. De werkgever kan dus het te veel betaalde deel terugvorderen van de betreffende topfunctionaris. Mocht betaling niet plaatsvinden dan kan een dwangsom worden opgelegd. In het uiterste geval kan de Minister de onverschuldigde betalingen zelf opeisen van de topfunctionaris. Mijn fractie, het moet gezegd, is niet erg onder de indruk van de sanctiebepaling en de handhavingsinstrumenten. Gezien het maatschappelijk belang en de maatschappelijke discussie is het wetsvoorstel op dit punt wat slapjes. Nog onlangs namen we in dit Huis een wet (33 207) aan die zeer forse sancties zet op misbruik van sociale zekerheidsvoorzieningen en arbeidswetten. En terecht. Bij het onderhavige wetsvoorstel komt de minister niet veel verder dan een herstelsanctie die wel erg mild uitvalt. Waarom geen forse boete opgelegd aan de betreffende topfunctionaris en aan de Raad van Toezicht of de Raad van Commissarissen die de bezoldiging heeft geaccordeerd? Dit zou het rechtsgevoel veel meer bevredigen dan een terugbetalingsregeling. Kan de Minister hier niet wat meer uit de kast halen? Dat zou toch bepaald sporen met het beleid van dit kabinet rond sancties en handhaving inzake wetsovertredingen in het algemeen? Ik gaf daar zojuist al een sprekend voorbeeld van. Het kan toch niet zo zijn dat een frauderende bijstandsmoeder harder wordt aangepakt dan een topfunctionaris die willens en wetens de bezoldigingswet overtreedt? In beide gevallen gaat het om misbruik van publieke middelen. Voor mijn fractie is dit een aangelegen punt. Ik zie uit naar de reactie van de Minister.

Het wetsvoorstel regelt in Artikel 6.1 en 6.2 het instellen van een permanent Adviescollege Normeringsbeleid bezoldigingen topfunctionarissen. Mijn fractie kan zich daar veel bij voorstellen. Wat evenwel direct opvalt is de wel zeer algemene taakomschrijving. Kan de Minister wat specifieker op dit punt zijn? Welke taken behoren wel en welke taken behoren niet tot de competentie van dit nieuw te vormen Adviescollege?

MdV, het doet mijn fractie deugd dat Artikel 7.2. voorziet in een periodieke rapportage over de werking van de wet. Wij dringen er op aan dat dit een brede evaluatie zal worden van alle relevante aspecten van de wet zowel in termen van doelbereik, maar ook wat betreft sancties, handhaafbaarheid, regimedifferentiatie, sectorale uitwerking en neveneffecten. Een dergelijke brede evaluatie is van belang gezien de maatschappelijke discussie over de salariëring van topbestuurders in de publieke sector en de gevoeligheden die daarbij in het geding zijn. Kan de Minister dit aan mijn fractie toezeggen? Is het de bedoeling dat het Adviescollege zoals zojuist genoemd deze evaluatie ter hand neemt, of staat dat los van elkaar?

MdV, ik sluit af. Mijn fractie kan leven met de strekking van dit wetsvoorstel. Dit oordeel delen wij met de Tweede Kamer: daar is het voorstel immers met algemene stemmen aangenomen. Het is een goede zaak dat we nu de stap zetten naar het normeren en maximeren van het salarisgebouw in de publieke en semipublieke sector in ons land. Met name de combinatie van beide principes brengt de discussie een belangrijke stap verder. Het moet negatieve stereotypering rond bezoldigingsexcessen een halt kunnen toeroepen. Wel heeft mijn fractie nog een aantal vragen. De rationale achter de 130% norm en de wat slappe bepalingen rond sancties en handhaafbaarheid vormen daarvan een kernbestanddeel.

Wat deze 130%-norm betreft nog een laatste maar niet onbelangrijke opmerking. De Minister kent het nieuwe regeerakkoord. De paragraaf over bestuur maakt melding van een intrigerend voorstel namelijk het maximeren van topinkomens in de publieke en semi-publieke sector op100 inplaats van 130 procent van een ministersalaris. Graag hoort mijn fractie de mening van de Minister welke consequenties dit heeft voor het huidige wetsvoorstel. Kunnen wij een nieuwe wetsvoorstel verwachten en welk tijdpad heeft de Minister daarbij voor ogen?

Wij zien de beantwoording van onze vragen door de Minister met belangstelling tegemoet en zullen dan ons eindoordeel bepalen.

« Terug

Nieuwsarchief > 2012

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari