Peter Ester: 'Senaat laat zich van zijn beste kant zien'

Peter Ester - Foto: Anne Paul Roukema / ChristenUniewoensdag 14 november 2012 13:49

Bijdrage van ChristenUnie-senator Peter Ester aan het debat over het rapport van de commissie Kuiper, de Parlementaire Onderzoekscommissie naar de privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten.

Ik mag mede namens de OSF-fractie spreken. Omdat collega de Lange lid is van de commissie, en derhalve achter de tafel zit, kan hij als eenmansfractie niet plenair het woord voeren.

MdV, het is vandaag een memorabel moment in de toch al rijke geschiedenis van de Senaat. We bespreken de bevindingen van het eerste parlementair onderzoek dat de Kamer heeft verricht in haar bijna 200-jarig bestaan. Een novum derhalve. Dit geeft een aparte kleuring aan aard en karakter van het onderzoek en de werkzaamheden van de commissie. Wij zijn ons daar allemaal zeer van bewust. Een alleszins aangename spanning. En het gaat ook ergens over. Privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten hebben de politieke en publieke gemoederen in de afgelopen twee decennia volop beziggehouden. En de achterliggende idee van betere marktwerking en efficiencyverhoging gaat vaak gepaard met verhit maatschappelijk debat. De borging van het publieke belang is immers aan de orde.

Onze fracties zijn buitengewoon verheugd over de totstandkoming van dit parlementair onderzoek. In de debatten die in de aanloop naar de instelling van de onderzoekscommissie zijn gevoerd, is de vraag gesteld of de Eerste Kamer wel zou moeten overgaan tot het doen van parlementair onderzoek en of ze daartoe voldoende is toegerust. Naar onze mening is met dit eindresultaat duidelijk geworden dat de Eerste Kamer dit niet alleen kan, maar ook dat ze een aantoonbare toegevoegde waarde heeft als de Kamer investeert in het type onderzoek dat nu op tafel ligt. De commissie spreekt van wetgevingsonderzoek en stelt terecht dat deze vorm van onderzoek in feite maar mondjesmaat wordt verricht. De Eerste Kamer zou zich vaker kunnen toeleggen op nadere bestudering van complexe besluitvormingsprocessen om lessen te trekken ter verbetering van de parlementaire besluitvorming. Dat ligt ook eigenlijk voor de hand. De kwaliteit van wetgeving is immers in het geding rond ingewikkelde en vaak grootschalige beleidstrajecten.

Voorzitter, de parlementaire onderzoekscommissie komt met een gedegen analyse van meer dan twintig jaar privatiserings- en verzelfstandigingsbeleid. Er worden lange lijnen getrokken door de parlementaire besluitvorming en er wordt teruggeblikt op overwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan nieuw en ingrijpend beleid. De vorige vice-president van de Raad van State, Tjeenk Willink, merkte op dat het parlement tot nu toe nooit systematisch terugblikt of zich de vraag stelt of overwegingen die aanvankelijk golden nog altijd moeten gelden. Er zijn keuzes gemaakt op basis van veronderstellingen die valide leken, maar in de loop van het proces anders uitpakten. Eén van de lessen moet zijn dat bij ingrijpende besluitvorming met verstrekkende lange termijneffecten, de basis van de besluitvorming solide moet zijn. Die basis, zo blijkt nu, was niet altijd stevig genoeg. Zo was volstrekt onduidelijk hoe marktwerking in diverse sectoren precies ging uitpakken. Ook ontbrak het aan instrumenten – nulmetingen, toetsingskaders – om te bepalen of operaties succesvol waren. In dit licht zijn de pleidooien van de commissie voor de verbetering van de parlementaire besluitvorming op hun plaats en zijn de instrumenten die worden aangereikt –ex ante onderzoeken en een degelijk besliskader – goed doordacht en bovendien relatief eenvoudig te implementeren.

Dit onderzoek is geïnitieerd door de Eerste Kamer en gaat ook in belangrijke mate over de rol en positie van de Eerste Kamer in de parlementaire besluitvorming rond privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten. De commissie constateert dat in een aantal gevallen de Eerste Kamer duidelijk heeft aangegeven eerder bij de besluitvorming betrokken te willen zijn. Dat geldt het sterkst voor de besluitvorming bij NS en de energiesector. De commissie stelt dan dat bij besluiten die de ‘publieke inrichting’ van Nederland raken de Eerste Kamer ook inderdaad eerder in het vizier moet komen. In feite zagen we twee jaar geleden iets soortgelijks met het Elektronisch Patiënten Dossier, waar deze Kamer een andere afweging maakte dan de Tweede Kamer en eerder betrokken had moeten worden bij de besluitvorming. In het geval van de NS was er geen sprake van wetgeving in de eerste jaren, waardoor de Senaat niet of nauwelijks te spreken kwam over wat er met de spoorwegen gebeurde. De reflectiekracht van de Eerste Kamer moet niet alleen maar aan het eind van het wetgevingstraject worden ingezet, maar ook aan het begin. Dat roept natuurlijk ook weer nieuwe vragen op. Hoe zou dit principe op formule te brengen zijn, zonder dat het politieke primaat van de Tweede Kamer wordt ondergraven? Waar liggen de grenzen van betrokkenheid en verantwoordelijkheid van de Senaat in dit opzicht? Wellicht kan de commissie dat nog nader toelichten.

Voorzitter, over de rol van de Eerste Kamer wordt meer gezegd. De commissie bepleit een steviger rol voor het parlement - dus voor de beide Kamers van de Staten-Generaal - ieder in eigen hoedanigheid. Een versterking van de medewetgevende rol betekent een grotere investering in het verwerven van informatie vooraf, het versterken van de informatiepositie van de Kamers en het doen van onderzoek. Een versterking van de controlerende taak impliceert meer investeren in monitoring en evaluatie, en een sterkere focus op de uitvoering van beleid. Wij onderschrijven deze aanbevelingen en merken op dat het wel aankomt op de concrete uitwerking, waarbij beide Kamers hun verantwoordelijkheid hebben te nemen, maar ook weer niet hetzelfde dienen te doen. De onderzoekscommissie wijst erop dat de Eerste Kamer weliswaar belijdt dat zij de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van beleid belangrijk vindt, maar niet over een instrumentarium beschikt om dit te toetsen. Daarover zou inderdaad moeten worden nagedacht. In het algemeen zou de intensivering van eigen onderzoek door de Eerste Kamer een zinvolle invulling zijn van deze aanbevelingen. Daarbij dient dus gedacht te worden aan wetgevingsonderzoek als ook aan onderzoek naar de uitvoering van voorgenomen beleid. Slaan we de weg op die de commissie adviseert dan zal de Senaat zich intensiever van het onderzoeksinstrument gaan bedienen. Daar zouden dan ook meer faciliteiten voor moeten komen. Kan de commissie aangeven welke faciliteiten daarbij in beeld komen en hoe overlap tussen beide Kamers voorkomen kan worden?

Voorzitter, intussen is ook wel duidelijk dat het versterken van de reflectiekracht en –macht van de Eerste Kamer consequenties heeft voor de taakopvatting en perceptie van dit Huis. Het lijkt ons goed dat we ook daarover eens een debat voeren. Het lidmaatschap van deze Kamer is al lang niet meer de rustige nevenbetrekking naast andere maatschappelijke werkzaamheden, maar vraagt forse inzet. Indien de taakopvatting breder, dieper en intensiever wordt dan heeft dat uiteraard repercussies voor de werkwijze van de Senaat. Dit lijkt ons een onderwerp dat nadere bezinning behoeft. Kan de commissie daarover wat eerste gedachten met ons delen?

Ik richt mij nu op het functioneren van het openbaar bestuur en met name de keuzes rond verzelfstandigd bestuur. Dit onderzoek maakt nog eens duidelijk dat de overheid delen van de ambtelijke organisatie op afstand heeft geplaatst zonder zich te realiseren wat dit betekent voor de eenheid en de transparantie van het openbaar bestuur. Dit is welbeschouwd een tamelijk onthutsende conclusie, want opnieuw een voorbeeld van een overheid die zich weliswaar nobele doelen stelt, maar zich niet realiseert dat ze de haalbaarheid zelf in gevaar brengt. Ieder departement dat het pad op ging van verzelfstandiging van overheidsdiensten deed dat weer op eigen wijze. Een overkoepelende visie en centrale regie ontbraken. Een verbrokkelde aansturing leidt tot een gefragmenteerd veld van organisaties met verschillende vormen van besturing, toezicht en bevoegdheden. Het is goed om opnieuw de vraag te stellen wat we onder verzelfstandigd bestuur verstaan, de Kaderwet ZBO daar op aan te passen en aan de hand van nieuwe kaders de rijksdienst en het openbaar bestuur daarop in te richten. Als ik het goed zie, wil ook het nieuwe kabinet dit doen. Ook in het regeerakkoord wordt de vraag gesteld wat de heldere criteria zijn om delen van de ambtelijke organisatie die met openbaar gezag zijn bekleed, op afstand van de departementen te zetten.

Voorzitter, de wereld van de Zbo’s is voor veel mensen een ver-van-hun-bed-show. Maar daarin schuilt nu juist een deel van de problematiek. Er gaan vele tientallen miljarden van de rijksbegroting om in deze zbo’s, die bijvoorbeeld de uitkeringen en toeslagen aan burgers uitbetalen. Zijn de bestuursvormen niet transparant en is het toezicht niet duidelijk geregeld dan is dat een ernstig manco. Dit manco moet ook als zodanig gevoeld worden in het parlement. Daar moet de kennis aanwezig zijn omtrent de uitvoeringspraktijk. De controle van de uitvoeringspraktijk moet op orde zijn. Het parlement heeft hierin een rol te spelen. Is de controle op orde en weet het parlement wat er in de uitvoeringspraktijk gebeurt, dan is ze ook weer een gesprekspartner voor burgers die soms ook niet meer weten hoe de publieke sector georganiseerd is en wie waarover gaat. De uitvoeringspraktijk van privatiserings- en verzelfstandigingstrajecten, zo veel is wel duidelijk, mag niet ontbreken op de politieke agenda van het parlement. Hier is nog veel te winnen, zo houdt de commissie ons terecht voor.

 

Voorzitter, het is duidelijk dat de parlementaire besluitvorming, zoals die in het verleden heeft plaatsgevonden, niet altijd de schoonheidsprijs verdient. Het is dit gebrek aan schoonheid dat overigens behoort bij democratische processen. Dat stemt wellicht ook weer mild. In elk geval hebben beide Kamers zich intensief gekweten van hun taak. Toch lijkt het alsof de Kamers zich ook hebben verkeken op de complexiteit van een aantal besluiten. De NS is daarvan een voorbeeld, maar ook de besluitvorming in de energiesector illustreert dit punt. Met betrekking tot de post concludeert de commissie dat de liberalisering is mislukt en dat PostNl mede door de parlementaire besluitvorming onder grote druk is komen te staan. De waarschuwingen van PostNl dat zij niet kan garanderen dat alle post op tijd wordt geleverd, lijkt op de terugval in punctualiteit die optrad bij de NS in de jaren negentig. Wat heeft ons dat als politiek te zeggen? Welke lering trekken we uit deze ervaringen? Moet en kan het parlement optreden om terug te komen op vroegere besluiten en het alsnog op te nemen voor de behartiging van publieke belangen? Herbezinning is nodig met betrekking tot situaties die niet zijn geworden wat ze moesten zijn. Kan de commissie aangeven welke route ze voor ogen heeft?

Een laatste punt, voorzitter. Het ging uiteindelijk allemaal om de burger. De motie-Schuurman stelde de burger centraal en ook de commissie-Leijnse verwerkte dit in de vraagstelling voor dit parlementair onderzoek. Die burger die zich in de afgelopen jaren steeds kritischer is gaan uiten over het privatiserings- en verzelfstandigingsbeleid van de overheid, heeft dus goed begrepen dat hij maar half in beeld was. De politiek dacht wel aan de portemonnee van de burger, maar vergat dat die burger zelf veel bredere interesses heeft. Burgers wijzen de politiek erop dat er ook nog zoiets is als een samenleving en publieke diensten die goed moeten draaien. Wat ons betreft is het tijd voor een cultuuromslag bij de overheid zelf. De belangen van de samenleving dienen voortaan uitgangspunt te zijn, al was het maar om een correctie aan te brengen op een beleid dat veel te eenzijdig gericht was op efficiency en kostenreducties. Het gaat er om dat Nederland als land aantrekkelijk blijft, dat publieke voorzieningen op orde zijn en goede kwaliteit leveren en dat er een overheid is die ook daarover waakt. Het gaat, kortom, om het schragen en het zekerstellen van het publieke belang. Dat is uiteindelijk de kerntaak van de overheid.

MdV, ik sluit af. De ChristenUnie-fractie en de OSF-fractie zijn dik tevreden met dit rapport en de aanbevelingen. Wij menen dat dit parlementair onderzoek naar privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten alleszins geslaagd is. Waarvoor alle complimenten aan de commissie en aan het team van wetenschappers dat de commissie ondersteund heeft in haar werkzaamheden. Het gaat al met al om een complexe materie waarin de commissie klaarheid heeft gebracht. De verbetervoorstellen inzake de parlementaire besluitvorming rond privatiserings- en verzelfstandigingstrajecten maakt de rol van de wetgever beduidend sterker. Ook van de Eerste Kamer. Het rapport heeft een juiste balans tussen wetenschappelijke diepgang en praktische toepasbaarheid. Het handzame besliskader dat de commissie heeft ontworpen dat ook door het parlement kan worden gebruikt bij de toetsing van wetsvoorstellen met betrekking tot privatisering en verzelfstandiging is daarvan een perfect voorbeeld.

Onze fracties hopen dat veel van dit rapport wordt omgezet in een nieuwe aanpak, zowel van het werk in deze Kamer als met betrekking tot de vormgeving van het openbaar bestuur en de parlementaire democratie in den brede. Zij steunen daarom de conclusies en zouden graag zien dat deze Kamer de aanbevelingen van de commissie overneemt.

Met dit gezaghebbende rapport heeft de Senaat zich van haar beste kant laten zien. De rol van “chambre de réflexion” is ook nu waargemaakt.

« Terug

Nieuwsarchief > 2012

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari