Roel Kuiper: 'Publieke Omroep moet vrij en pluriform blijven'

Roel_Kuiper-3dinsdag 05 november 2013 12:34

Er moet ruimte blijven voor verschil bij de Publieke Omroep. Het is daarom slecht dat de zendmachtiging voor levensbeschouwelijke organisatie en kerken verdwijnt. Dat zei ChristenUnie-senator Roel Kuiper vandaag in de Eerste Kamer tijdens een debat over de nieuwe mediawet. 'Plannen om de publieke omroep efficienter te maken mogen geen aantasting betekenen van de maatschappelijke verankering van de omroepen.'

Wetsvoorstel 33541 Wijziging van de Mediawet 2008

Roel Kuiper, ChristenUnie

Voorzitter,

Structuur en inrichting van de publieke omroep geven vrij goed aan wat voor soort samenleving wij willen zijn: vrij, pluriform, met ruimte voor verschil. Een van de omroepen presenteert zich zelfs met het woord ‘verschillig’. Dit is geen land van eenheidsworsten of keurslijven; dat maakt onze cultuur juist zo boeiend. Dat gevarieerde cultuurleven is iets om te koesteren, niet in de laatste plaats omdat ‘verschilligheid’ nieuwsgierig maakt en creativiteit uitlokt. De wereld die door de publieke omroep zichtbaar en hoorbaar hoort te worden doorgegeven is geen domein van fletse algemeenheid, maar is rijk gevuld met diverse gezichtspunten, uiteenlopende visies, diepere, ook levensbeschouwelijke, oriëntaties die in gezamenlijkheid een rijk beeld geven van wat ons land te bieden heeft. Die opvatting van het ‘publieke’ waarin iedereen zich gehoord en gezien kan weten en dat tegelijkertijd het ‘gemeenschappelijke’ is, moeten we met passie blijven koesteren, wat mijn fractie betreft.

Voorzitter, met dit in ons achterhoofd kijken wij naar dit wetsvoorstel dat een stevige wending gaat geven aan een lang gevoerd debat over de vormgeving van de publieke omroep in Nederland. Het is te verdedigen dat dit debat verder gebracht wordt en er stappen worden gezet. Dat het stelsel schaduwzijden heeft in bestuurlijke drukte of inefficiënte verdubbeling van werkzaamheden is evident. Samenwerking brengt winst en misschien ook heel mooie, nieuwe producties. Maar laat dit geen aantasting betekenen van de maatschappelijke verankering van de omroepen. Er zijn tien keer zoveel mensen lid van een omroepvereniging dan er lid zijn van een politieke partij. De betrokkenheid bij publieke media is groot. Daarom onderstreept mijn fractie dat bij de toekomstverkenning het unieke van ons omroepbestel, namelijk de interne en externe pluriformiteit, behouden blijft. Voor ons is dat een conditio sine qua non om op dit spoor verder te gaan.Op dat punt hoor ik graag heldere signalen van de staatssecretaris.

Voorzitter, op drie punten wijkt het voorstel af van wat binnen de ChristenUnie als belangrijke uitgangspunten gelden.  1. Een sterke positie van omroepverenigingen als ledenorganisaties met invloed op de programmering. 2 . Een bescheiden rol van de NPO in de programmering en toewijzing van zendtijd. 3. De ruimte voor levensbeschouwelijke inbreng. De vraag is of er zorgvuldig genoeg wordt omgegaan met de positie van ledenomroepen die zich tenslotte hebben verenigd om een bepaald geluid toe te voegen aan het publieke domein.

Allereerst maak ik een aantal opmerkingen over het voorstel zelf, dan over de manier waarop levensbeschouwelijk inbreng veilig gesteld zou moeten worden en tenslotte wil ik nog iets vragen  over de rol van Europese regelgeving.

Voorzitter, het voorstel voorziet in een reductie van het aantal omroeporganisaties tot zes. Het voorstel wordt gedragen door de sector zelf, maar er zijn natuurlijk haken en ogen. Voortaan zullen dus zes omroeporganisaties de inbreng van omroepverenigingen uitdragen. In de stukken van het kabinet hebben ik niet echt een motivatie kunnen vinden voor deze zes, het lijkt op een aangedragen plafonnering  dat met beide handen wordt aangegrepen. Maar zijn hier ook inhoudelijke criteria? Hebben de zes vakjes ieder een eigen kleur? Zou dat niet moeten? Ik vraag het omdat de zes overblijvende omroeporganisaties het kanaal moeten gaan vormen voor samenwerking, zowel tussen reeds bestaande omroepverenigingen als met nieuwkomers. Er is al op gewezen dat dit spanningen gaat geven. Iedere omroep, en zeker iedere nieuwe toetreder tot het bestel (met 50.000 leden), zal zich moeten profileren. Wat te denken van aspirant-omroepen die zich gaan invechten bij een van de zes omroeporganisaties? Hoe wenselijk is dit? Kan de staatssecretaris aangeven hoe hij zijn eigen rol daarin ziet, alles afwegend en na ingewonnen advies? Zou de ‘natuurlijke’ plaats van een nieuwe omroep niet al op voorhand duidelijk moeten zijn door de zes organisaties nader te definiëren op grond van identiteitskenmerken?

Een volgend punt betreft de invloed van de omroepverenigingen op de uiteindelijke programmering. De positie van die verenigingen (via de zes omroeporganisaties) lijkt er niet sterker op geworden, nu de NPO als samenwerkings- en coördinatieorgaan een groter aandeel krijgt van het totaalbudget (50%) en dus een grotere zeggenschap krijgt over de uiteindelijke programmering. Dat effect wordt nog eens versterkt door het feit dat er per programmakanaal redacties komen waarvoor de zes omroeporganisaties ieder een lid kunnen aandragen. Dat ene lid kan er natuurlijk niet voor zorgen dat een programma dat een beetje scherper, eigenzinniger, specifieker is dan wat de meerderheid vindt toch wordt uitgezonden. Leidt deze opzet niet tot vervlakking en is dit niet een enorme rem op wat de omroepverenigingen als hun eigenlijke missie zien? Met andere woorden: voor een omroep die nu graag dat ene bijzondere programma wil maken, is er straks geen doorkomen meer aan. Graag hoor ik op dit punt een toelichting van de staatssecretaris.

Voorzitter, beslist niet tot onze vreugde wordt de zendmachtiging voor kerken en levensbeschouwelijke organisaties ingetrokken, de Mediawet biedt hier geen grondslag meer voor.  Dat ze een zendmachtiging hadden was een vorm van erkenning van de rol die levensbeschouwing speelt in de bezinning op wat zich in de samenleving afspeelt en op het leven in het algemeen. Het pluriforme en ‘verschillige’ kwam hier nu juist tot uitdrukking en maakt duidelijk waarom er een publieke omroep moet zijn. Betrokken omroepen moeten zich nu voegen bij een van de zes of bij de NTR en daar meedingen naar zendtijd. In de Tweede Kamer is inmiddels verzekerd dat minimaal 9 miljoen Euro beschikbaar blijft voor levensbeschouwelijke programma’s, maar de vormgeving ervan is nog onduidelijk. Kan de staatssecretaris hier meer over zeggen inmiddels? In het Herfstakkoord is de aan de omroepen opgelegde bezuiniging van 100 miljoen met de helft teruggebracht. Mijn vraag is: kan dit ook leiden tot verzachting van de bezuinigingen op deze omroepen? Zouden ze van 9 naar bijvoorbeeld 12 miljoen kunnen stijgen (voor deze bezuinigingsronde was er immers nog 15 miljoen beschikbaar)? Hoe ziet de staatsecretaris de rol van de NPO om het inhoudelijke gat te vullen en aandacht te besteden aan levensbeschouwing en religie in het publieke domein?  

Tot slot voorzitter, nog een enkele vraag over het Europese kader, waar in de schriftelijke voorbereiding niet naar is gevraagd, maar in de gedachtewisseling met de Raad van State apart aandacht kreeg.  De middelen die worden toegekend aan de publieke omroep kunnen, als ik het goed zie, volgens Europees recht gezien worden als een compensatie voor het verrichten van een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB). De Raad vraagt zich af of de wet dan niet moet voorzien in het voorschrijven van een aanbestedingsprocedure. Bedoelt de Raad dat we op grond van artikel 106 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te maken kunnen krijgen met de eis dat publieke diensten, zoals die worden verricht door omroeporganisaties, Europees moeten worden aanbesteed? Zou dat kunnen betekenen dat ook Europese omroeporganisaties met leden mee kunnen dingen naar een plaats in ons omroepbestel? Graag heb ik helderheid op dit punt van de kant van het kabinet, omdat ik het verontrustend nieuws zou vinden als de lezing van de Raad van State klopt. Het kabinet heeft nog niet zo lang geleden aangegeven waar Europa in elk geval niet over gaat. In elk geval gaat Europa wat onze fractie betreft niet over de vormgeving en inrichting van ons cultuurbeleid onder meer door middel van de publieke omroep. En dat moet zo blijven.    

Voorzitter, wij hebben onze afwegingen nog te maken en zien daarom uit naar de antwoorden van de staatssecretaris .    

     

  

« Terug

Nieuwsarchief > 2013

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari