Heiligt het doel de middelen? De ChristenUnie, referenda en de EU: een ingewikkelde combinatie

portretfoto Trinekewoensdag 03 september 2014 19:00

Op 21 januari 2014, bij het Kamerdebat n.a.v. het Burgerinitiatief "Geen EU-bevoegdhedenoverdracht zonder referendum", diende Gert-Jan Segers een motie in die vriend en vijand verbaasde. Hij riep op een “raadplegend referendum te zullen houden in het geval van overdracht van nationale soevereiniteit aan de EU of van inperking van democratische bevoegdheden van het nationale parlement, zoals het budgetrecht”.

Tot dusver hebben de ChristenUnie en haar voorgangers het raadplegend referendum altijd afgewezen. Zo ook de commissie Schutte. Is hier sprake van een weloverwogen, doordachte koerswijziging? Of knijpen we in de strijd tegen een sterker Europa een oogje dicht? Is dan een kromme stok goed voor een rechte slag? Is dat verstandig? En: is dat nodig? Hoe dan ook, deze motie vormt de aanleiding voor het Politiek Café op 5 september.

Mijn eerste stelling is dat referenda geen oplossing bieden. Bovendien vind ik dat de ChristenUnie een beter verhaal te vertellen heeft.

Wat de eerste stelling betreft: referenda bieden geen oplossing, omdat zij niet bijdragen aan het herstel van vertrouwen van burgers in de overheid. Niet in de overheid als geheel en niet in de EU als laag daarbinnen. Dat de ChristenUnie op het punt van de overdracht van bevoegdheden naar het EU-niveau opeens anders omgaat met referenda, illustreert treffend de kennelijke ‘angst’ voor een Europese superstaat. En ‘angst’ is een slechte raadgever.

Keuze voor vertegenwoordigende democratie is geen second best
Een zwaarwegend argument tegen raadplegende referenda is dat belangrijke vraagstukken gewoonweg te complex zijn om even voor te leggen in een ja-nee vraagstelling. Er moeten veel aspecten overwogen  worden. Welke belangen zijn er in het geding? Wat is de positie van minderheden, en op welke manier moet met hen rekening worden gehouden? Zijn er neveneffecten op andere terreinen? Wat zijn alternatieven?

Dat vraagstukken te complex zijn voor een referendum zou kunnen worden afgedaan als een vorm van elitisme. Mijn argument is echter niet dat de burger ‘te dom’ is. De keus voor representatieve democratie is niet slechts ‘bij gebrek aan beter’. Nee, representatieve democratie verdient principieel de voorkeur boven directe democratie. ‘Het volk’ kiest uit haar midden vertegenwoordigers om vanuit het algemeen belang, via onderzoek en debat, te komen tot weloverwogen besluitvorming over complexe vraagstukken. Dit is, zoals gezegd, altijd de lijn geweest van de ChristenUnie en haar voorgangers. Het opnemen van het correctief referendum in het Verkiezingsprogramma in 2010 is ingegeven door de aanbevelingen van de Commissie Schutte, die de mogelijkheid van een raadgevend referendum juist afwijst als inbreuk op de representatieve democratie.

Hoewel geen voorstander van een correctief referendum, kan ik enig begrip opbrengen voor het noodrem-argument. Een raadgevend referendum gaat echter wezenlijk een stap verder. Het raadgevend referendum is een vorm van de ‘u vraagt, wij draaien’-democratie. Met andere woorden: het zou de indruk kunnen wekken van politici die, als het er echt op aankomt, zeggen “wij zijn er even niet – zegt u het maar”.

Het collectief belang wordt niet het beste gediend door een optelsom van de eigenbelangen van de burgers. Referenda geven ons niet het antwoord op de vraag wat “het goede” is voor de stad of het land. In lijn met een principiële keuze voor een representatieve democratie zou in plaats van een referendum besloten kunnen worden om in de Grondwet een hogere drempel (tweederde meerderheid) in te voeren voor de goedkeuring van Europese Verdragen. De SGP heeft dit ook voorgesteld. Inderdaad, een Grondwetswijziging duurt langer. Maar de tijdshorizon van de ChristenUnie zou zich niet moeten beperken tot de volgende verkiezingen.

Samenvattend, wat het eerste punt betreft: Als het gaat om de vertrouwensrelatie tussen burger en politiek, dan gaat het om de verwachting die burgers mogen hebben van de politiek. Het gaat dan om politici die als ware vertegenwoordigers optreden en niet enkel als spreekbuis. Daarom moet er meer worden ingezet op de versterking van de vertegenwoordigende democratie, in plaats van op het invoeren van elementen van directe democratie. Een roep dus om politiek leiderschap, waarbij politici het ‘eerlijke’ verhaal vertellen.

Samenwerking: ja!
Maar er valt gelukkig nog meer te zeggen. Mijn tweede stelling is, dat de ChristenUnie een beter verhaal te vertellen heeft. In het tweede deel van dit betoog ga ik kort in op een andere benadering van de EU, hoewel nog steeds ingebed in de traditie van het christelijk politieke denken van waaruit de ChristenUnie politiek bedrijft. Een benadering die meer de nadruk legt op ‘samenwerking: ja’, het tweede deel van de verkiezingsslogan bij de EP-verkiezingen.

Zoals gezegd illustreert de positie van de ChristenUnie inzake het eerder genoemde burgerinitiatief de angst die er leeft voor een ‘superstaat’. Er is sprake van een zekere krampachtigheid, waarbij het er eerst en vooral om gaat óf de EU er wel iets mee zou moeten, gecombineerd met een sterk denken in termen van Nederland versus de EU. Door daar de nadruk op te leggen gaan kansen verloren om het positieve CU-verhaal te laten horen. Bijvoorbeeld op het terrein van ontwikkelingshulp en eerlijke handel.

De EU is ons niet overkomen. Er zijn op vele momenten grote en minder grote beslissingen genomen, door nationale regeringen en parlementen, die hebben geleid tot de Europese Unie zoals wij die nu kennen. Het is in die zin ook misleidend om te spreken van een ‘sluipende overdracht’ (zie AIV-rapport 88). Natuurlijk is het een relevante vraag op welke overheidslaag iets het beste wordt georganiseerd. Ik pleit niet voor een EU dat een eenheidsworst maakt van bijvoorbeeld de diversiteit aan gezondheids- en onderwijsstelsels. Maar laten we onszelf niet verliezen in een misbegrepen vorm van nationalisme en een zero-sum denken over soevereiniteit. De EU is niet per definitie onontkoombaar; het is geen neoliberaal project. Dat is het geworden, dat hebben ‘wij’ en ‘zij’ ervan gemaakt. Laten we energie steken in het uitdragen en vormgeven van een Europese Unie zoals wij die voor ogen hebben. Een EU als een gemeenschap van volken, die bijdraagt aan publieke gerechtigheid (zie WI-publicatie van Sander Luitwieler).

Dat hoeven we niet alleen te doen als ChristenUnie. Dat kan samen met vele andere christenen in verschillende lidstaten, die ook vanuit hun christen-zijn politiek actief zijn. Daarvan getuigt de inspirerende toespraak van George Rukhadze, vice-voorzitter van ECPM, op het CU-congres van 1 februari 2014. Hij sprak over hoe de christelijke, relationele visie op mens en samenleving een antwoord vormt op het gebrek aan vertrouwen dat er is onder burgers in het Europese project.

In deze visie wordt niet het individu óf de gemeenschap op een absoluut voetstuk geplaatst, maar wordt erkend dat de mens een relationeel wezen is. Het benadrukt menselijke waardigheid, waarmee onze ogen open gaan voor mensenhandel als een vorm van moderne slavernij. Het neemt geen genoegen met ontwikkelingen die ertoe leiden dat wat zwak en kwetsbaar is ondergeschikt raakt, maar het beklemtoont de waarde van solidariteit, wederzijdse zorg en een inclusieve economie.

Dat is goed voor Nederland en voor de EU als geheel!

Trineke Palm Msc is promovenda aan de Vrije Universiteit Amsterdam (afdeling Politicologie & Bestuurskunde) en fellow van het WI

« Terug

Reacties op 'Heiligt het doel de middelen? De ChristenUnie, referenda en de EU: een ingewikkelde combinatie'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2014

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari