Overleg Wet inburgering

maandag 12 juni 2006 16:40

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie): Voorzitter. Mijn fractie is overtuigd van de noodzaak dat nieuwkomers in onze samenleving op de hoogte zijn van Nederlandse gebruiken, de weg kunnen vinden in onze samenleving en zich met de taal kunnen redden. Vooral voor de inburgeraars zelf biedt dat grote voordelen. Wij hebben daarover al vaker in deze kabinetsperiode gedebatteerd. Inburgeren is noodzaak, niet omdat wij geen onaangepaste medeburgers zouden willen, maar om iedereen gelijke kans te bieden op bijvoorbeeld de arbeidsmarkt en om kinderen een goede startpositie te geven in het Nederlandse leven.

Inburgering mag geen selectiecriterium voor toelating zijn. Daar is de Vreemdelingenwet voor. Alleen in de Vreemdelingenwet moeten de criteria worden opgenomen op basis waarvan iemand toelating tot Nederland kan krijgen. Deze lijn hebben wij uiteengezet in onze eigen integratienota Kiezen voor Nederland. Om die reden hebben wij ook ingestemd met de Wet inburgering in het buitenland.

De bedoeling van inburgering is om mensen uit te nodigen, mee te doen in onze samenleving. Een eerste vereiste voor het slagen van de inburgering is de inzet van degene die moet inburgeren. Mensen moeten overtuigd worden van het belang van de inburgering en met plezier beginnen aan de cursus die hen meer kansen geeft in onze samenleving. Weinig dingen slagen die met tegenzin worden ondernomen. Natuurlijk is het goed dat er een stok achter de deur is. Zonder verplichting en zonder sanctie kan het niet. Maar in deze wet wordt wel heel eenzijdig ingezet op verplichting en boete op boete. De wet oogt streng en is streng, alleen al blijkens de termen inburgeringsplicht en inburgeringsplichtig. Zouden wij om te beginnen niet eens kunnen kijken naar de terminologie en de term "inburgeringsplichtige" kunnen vervangen door de term "inburgeraar", die ook in de Wet inburgering nieuwkomers wordt gebruikt?

Nog belangrijker is mijn vraag aan het begin van dit AO: hoe wil de minister de toekomstige inburgeraars overtuigen van het belang? Hoe wil zij hen verleiden om zich in te zetten voor hun inburgering? Alleen een wettelijke plicht is niet voldoende om draagvlak in de samenleving te krijgen en de plicht om in te burgeren is niet voldoende voor inburgeraars om hun inburgering tot een succes te maken.

Naast draagvlak onder de inburgeraars is er ook draagvlak nodig onder bijvoorbeeld de gemeenten. Tot nu toe is het de minister niet gelukt om dat draagvlak te vinden. De VNG spreekt over een enorme toename van bureaucratie en over een afname van resultaten. Mijn fractie vindt het jammer dat men na drie jaar van overleg blijkbaar nog steeds niet is gekomen tot een wet waar iedereen zich in kan vinden en waarbij vertrouwen bestaat dat de wet kans van slagen heeft.

Een ander belangrijk punt dat in de voorbereiding ook al grote juridische problemen gaf, is de proportionaliteit. In beginsel is de basis dat iedere vreemdeling moet inburgeren en van de genaturaliseerde Nederlanders iedere uitkeringsgerechtigde, ouder met minderjarig kind en in elk geval imams, dominees en andere voorgangers. Daarop zijn uitzonderingen, maar dit levert nog steeds merkwaardige consequenties op. Ook mijn fractie heeft zich gerealiseerd dat de geboorte van het eerste kind kan betekenen dat mensen die daarvoor al jaren zonder inburgeringsproblemen in Nederland woonden, inburgeringsplichtig worden en moeten laten zien dat zij goede Nederlandse ouders kunnen zijn. In elk geval is dat een extra kostenpost voor hen.

Een ander voorbeeld is dat een genaturaliseerde Nederlandse ouder wel inburgeringsplichtig is, maar een EU-onderdaan die in Nederland verblijft en ouder is niet, terwijl een EU-onderdaan uit Slowakije materieel gesproken veel meer in aanmerking zou komen om in te burgeren.

Naast deze wat vreemde praktische consequenties roept dit stelsel ook vragen op over de juridische houdbaarheid. Ik ben niet de eerste die dit zegt en misschien ook niet de laatste, want na mij zal er nog iemand spreken. Mijn fractie heeft hier grote zorgen over en ik zou graag willen dat de minister daarop ingaat.

De wet kent een aantal nuttige uitzonderingen op de hoofdregel die bepalen dat de inburgeringsplicht in sommige duidelijk omschreven gevallen vervalt, bijvoorbeeld wanneer diploma's worden overlegd. Ook in het besluit worden uitzonderingsgronden genoemd. Het besluit bepaalt dat in gevallen waarin evident is dat de noodzaak tot inburgeren ontbreekt, bijvoorbeeld omdat er meer dan voldoende kennis is van Nederland en het Nederlands, de inburgeringsplicht kan worden opgeheven. Deze bepaling vinden wij zo belangrijk dat deze volgens ons in de wet moet worden opgenomen. Wij hebben daarover een amendement ingediend.

De inburgeringsplicht heeft een eigen verantwoordelijkheid in de voorbereiding. Het is niet zo dat de cursussen moeten worden gevolgd bij de regionale opleidingscentra. Wij hebben de minister gevraagd naar het mogelijk optreden van een in mijn ogen ongewenst effect. Zullen de bedrijven die zich op de inburgeringsmarkt storten, niet proberen om de krenten uit de pap te halen door cursussen af te stemmen op gemakkelijk in te burgeren mensen? Die cursussen hoeven niet duur te zijn en winst is relatief gemakkelijk te halen. De minister heeft hierop geantwoord dat zij dat niet erg vindt. Ook bedrijven die zich op deelmarkten richten, kunnen wat haar betreft worden gecertificeerd. Ik heb daar problemen mee.

Tegenover het voordeel van het maatwerk bij de relatief gemakkelijk op te leiden nieuwkomers staan de gevallen bij wie het meer tijd en moeite en dus geld kost. Zij kunnen worden geconfronteerd met relatief dure cursussen. Ook de vergoeding die mogelijk is, is in die gevallen niet toereikend. Graag een reactie hierop van de minister.

Dan kom ik op de vraag of gemeenten al dan niet verplicht moeten worden om gecertificeerde cursussen in te kopen. In de beantwoording van de vragen gaat de minister daarop in. Zij zegt onder andere dat een verplichte inkoop van gecertificeerde cursussen zal leiden tot een prijzenslag onder de gecertificeerde aanbieders waardoor er aan kwaliteit zou worden ingeboet. Dit is een vreemde redenering. Het certificaat is er nu juist om de kwaliteit te waarborgen. Gezonde concurrentie tussen gecertificeerde aanbieders is toch niet erg? Dat is marktwerking. Ik begrijp nu dat naar de verwachting van de minister bij het niet verplicht stellen van gecertificeerde inkoop, de gecertificeerde aanbieders duurder zullen zijn dan de niet-gecertificeerde. Dat lijkt mij een onwenselijke situatie. Zeker omdat de gemiddelde prijs vergoed zou worden. De gemeenten die gecertificeerd -- dus duur -- inkopen, zullen daar zelf geld op toe moeten leggen. Om een goede prijs-kwaliteitverhouding te garanderen, lijkt mij dat gemeenten verplicht zullen moeten worden om gecertificeerd in te kopen.

Om in aanmerking voor de vergoeding te komen, vereist de minister dat het examen binnen drie jaar wordt behaald. Juist diegenen die er moeite mee zullen hebben het examen binnen deze termijn te halen, zijn veel kosten kwijt aan voorbereiding. In dit verband vraag ik de minister in welke gevallen alsnog een vergoeding wordt toegekend indien de inburgeringsplichtige in tweede instantie alsnog het examen behaalt of een iets langere termijn nodig heeft. Artikel 16 derde lid bepaalt dat het mogelijk is om, in afwijking van het criterium van drie jaar genoemd in het eerste lid, deze termijn te verlengen. Kan dit worden aangegrepen om ook in bepaalde gevallen een vergoeding te kunnen verstrekken indien feiten en omstandigheden dit redelijk maken? Het besluit is hierover niet duidelijk, maar de minister is in haar antwoorden nogal stellig: na drie jaar vervalt het recht op de vergoeding. Dit heeft mij ertoe gebracht een amendement in te dienen dat ertoe strekt dat er een hardheidsclausule in het besluit wordt opgenomen op basis van artikel 16 van de wet. Ik heb begrepen dat gemeenten aanvullende vergoedingen kunnen verstrekken. Is daarover gesproken met de gemeenten? Kan de minister mij daar iets meer over vertellen?

Ik kom nu te spreken over de bestuurlijke boete en handhaving. Mijn fractie vindt het onthouden van een vergoeding, het opleggen van een boete én het opleggen van een boete bij het niet halen van een examen dubbelop. Wij laten dat punt nu verder rusten, maar ik vraag wel voor één punt aandacht. Wij zouden in ieder geval een matiging willen van het herhaald beboeten bij het niet halen van een examen. Het kan immers leiden tot een zinloze soort van inburgeringsbelasting. Daarom hebben wij ook op dit punt een amendement ingediend.

Ik begrijp dat het inburgeringsexamen van enig niveau moet zijn wil het effect sorteren. Het examen moet de burger perspectief bieden op een geslaagde inburgering, maar een aantal mensen zal niet in staat zijn om het examen te halen omdat het niveau te hoog ligt. Dat zal soms vooraf vast te stellen zijn, in sommige gevallen zal het gaandeweg het traject blijken en soms zal zelfs na afloop van het traject blijken dat het examen gewoon te hoog gegrepen was. De wet biedt de mogelijkheid om deze mensen te ontheffen van de inburgeringsplicht. Het lijkt mij redelijk hen ook een vergoeding toe te kennen voor de gemaakte kosten. De inspanningen en bijgevolg de kosten, zijn immers wel gemaakt. Ook op dit punt heb ik een amendement ingediend.

Naast financiële consequenties van het niet behalen van het inburgeringsexamen kunnen er verblijfsrechtelijke consequenties aan het niet behalen kleven. De minister stelt in de memorie van toelichting dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet zal worden beëindigd om de enkele reden dat het inburgeringsexamen nog niet met goed gevolg is afgelegd. Ik heb mij geprobeerd voor te stellen in wat voor situaties dat het geval zou kunnen zijn. Als mensen op grond van asiel naar ons land komen, dan wordt hun asielaanvraag bekeken en krijgen zij op grond daarvan een vergunning voor bepaalde tijd. Anderen hebben in het buitenland al een inburgeringsexamen afgelegd en krijgen ook een vergunning voor bepaalde tijd. In welke gevallen zou het zo kunnen zijn dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt beëindigd mede omdat het inburgeringsexamen niet is gehaald?
Uit de memorie van toelichting is op te maken dat het niet behalen van het examen binnen vijf jaar reden kan zijn de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet om te zetten naar een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, met alle onzekere verblijfsperspectieven van dien.

De minister zegt dat inburgering ook in het belang is van betrokkenen en dat de onzekerheid in zekere zin aan henzelf te wijten is. Eerdere sprekers hebben al gezegd dat dit lang niet altijd het geval is, bijvoorbeeld als een vrouw door haar echtgenoot wordt tegengewerkt en daardoor niet in staat is om het inburgeringsexamen te halen. Los daarvan is uitzetting normaal gesproken niet redelijk nadat mensen zo lange tijd in ons land zijn geweest. Om die reden vindt mijn fractie het niet zinvol om af te zien van het omzetten van de vergunning van bepaalde tijd naar onbepaalde tijd. Wij vinden dat dit niet als sanctie op het niet behalen van het examen zou mogen worden gezet; dit zou onredelijk zijn.
Mijn fractie is van mening dat de minister te weinig oog heeft voor de positie van vreemdelingen die op grond van een asielaanvraag verblijf in ons land hebben verkregen. Wij zijn van mening dat de gemeenten verplicht zouden moeten worden om deze groep een aanbod te doen. Ook zou maatschappelijke begeleiding voor deze groep standaard moeten worden. De amendementen waarmee dit wordt voorgesteld zullen wij steunen.

Dan kom ik nu op een punt dat mij heeft verbaasd. Antillianen en Arubanen vallen onder een andere inburgeringsplicht. Vooralsnog vallen zij daarom buiten deze wet, op basis van artikel 3, lid 4. Ik krijg de indruk dat het in dat artikel gaat om tot Nederlander genaturaliseerde personen, afkomstig uit overzeese gebiedsdelen, maar Antillianen en Arubanen zijn toch gewoon Nederlanders, afkomstig uit de overzeese gebiedsdelen? De minister zou mij een plezier doen door mij dit artikel uit te leggen.
Ligt het niet voor de hand om te bepalen dat de naturalisatietoets niet behoeft te worden afgelegd als men al een inburgeringsexamen met goed gevolg heeft afgelegd?

De geestelijke bedienaren vormen een heel aparte inburgeringscategorie. Dit is een heel principieel vraagstuk. Van alle beroepsgroepen wordt deze ene groep apart behandeld. Wij vragen ons af of hiervoor voldoende rechtsgrondslag bestaat. Is er sprake van een doorslaggevend onderscheid ten opzichte van andere beroepsgroepen, die de publieke opinie ook sterk kunnen beïnvloeden, zoals leraren, schrijvers, musici en filosofen? Op ons aangeven is er een duidelijke definitie van het begrip geestelijk bedienaar in artikel 1 opgenomen. Op zichzelf genomen kan ik daarmee instemmen, maar ik vraag mij af of wij in de nieuwe definitie niet te ver doorschieten. Nu valt iedereen eronder die wel eens onder de vlag van een kerk of moskee een jongerengroepje bezighoudt. Is dit handhaafbaar? Ik heb daarom een amendement ingediend waarmee wordt bepaald dat alleen geestelijke bedienaren die in het kader van beroep of bedrijf werkzaam zijn, onder de inburgeringsplicht vallen. Het gaat dan om mensen die hiervoor worden betaald of daarmee overwegend bezig zijn. Wij begrijpen dat er voor geestelijke bedienaren een apart programma van toepassing is. Wordt er in dat programma ook rekening gehouden met de verschillende achtergronden van de bedienaren? Wij kunnen ons voorstellen dat een geestelijke bedienaar met een islamitische achtergrond gebaat is bij een heel andere inburgeringscursus dan bijvoorbeeld iemand die uit de VS komt.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Hoe scherp is de afbakening van beroep en bedrijf? Sommige geestelijke bedienaren die in een moskee werken, worden in natura betaald of krijgen kost en inwoning in plaats van een salaris. Kunt u precies aangeven wanneer dit geldt? U noemt het aantal uren dat men werkt in de avonduren. Is dat de uitwerking van het begrip "beroep en bedrijf"?

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie): Het betreft degene die wordt betaald als geestelijk bedienaar, of het nu in natura is of niet, voor een groot deel van zijn levensonderhoud afhankelijk is van de uitoefening van dit beroep en er een groot deel van zijn tijd aan besteedt.

Wij willen de mensen uitzonderen -- ik neem een kerk als voorbeeld -- die een keer in de week een groepje van twaalf kinderen een uurtje laat knutselen. Die zouden nu ook onder de definitie vallen en dat gaat ons te ver.

Anderen hebben al gezegd dat verweer tegen een examenuitslag niet mogelijk is. De minister zegt dat een beroep niet mogelijk is doordat er met de computer wordt gewerkt. Omstandigheden waaronder het examen afgenomen wordt kunnen echter altijd aanleiding zijn om in beroep te gaan. Wat ons betreft, zou dat mogelijk moeten zijn.

Het grote, allerheikelste punt is of de uitvoering van de wet mogelijk is en of het mogelijk is de wet per 1 januari 2007 te implementeren. Er zijn nog heel veel haken en ogen en onzekerheden, die door sprekers voor mij uitvoerig zijn belicht. Ik ga dat niet herhalen. Ik sluit mij wel aan bij het verzoek van mevrouw Lambrechts en ook de heer Visser om voor 1 januari 2007 nog een duidelijk moment te hebben waarop de Kamer geïnformeerd wordt of het mogelijk is de wet per 1 januari 2007 in te voeren of dat er te veel uitvoeringsproblemen zijn, waardoor de invoering moet worden uitgesteld. Zo'n "go or no go"-moment moet er wat ons betreft absoluut komen.

De heer Visser (VVD): Opdat er geen misverstand ontstaat: ik had het over het testen van de systemen. Ik heb niet gepleit voor het inbouwen van een formeel toetsingsmoment voor de Kamer. Ik heb goede ervaringen met de minister. Als dingen niet werken, worden zij niet ingevoerd.

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie): Dan sluit ik mij alleen aan bij het lid Lambrechts. Voor de ChristenUnie moet er absoluut een "go or no go"- moment komen, maar voor de VVD blijkbaar niet.



Minister Verdonk: Het koppelen van het inburgeringsexamen aan de verblijfstitel is een ander punt dat erg leeft.

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie): Ik had nog een vraag gesteld over de juridische houdbaarheid. Ik heb gesproken over de geestelijke bedienaren. Het is jammer dat er geen pauze is geweest tussen de laatste drie bijdragen en de beantwoording door de minister, want die vraag is niet meegenomen. Ik heb gevraagd waarom de minister denkt dat het wel houdbaar is om de geestelijke bedienaren uit te zonderen, terwijl er ook musici of leraren zijn die heel veel invloed hebben op anderen. Waarom denkt zij dat die juridische houdbaarheid er is?

Minister Verdonk: U noemt zelf musici …

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie): Leraren, rappers, filosofen, schrijvers.

Minister Verdonk: Die hebben niet noodzakelijk een vergelijkbaar intensieve uitoefening van sociaal-maatschappelijke en pastorale taken als een geestelijke bedienaar. De geestelijke bedienaar begeleidt natuurlijk leden van de geloofsgemeenschap. Hij begeleidt heel vaak groepen jongeren. Dat is in verschillende situaties. Dat is thuis of op school of op het werk. Hij bemiddelt vaak bij instanties of bij de lokale overheid. Hij doet vaak de geestelijke verzorging in de ziekenhuizen of gevangenissen. Ik vind de functie en invloed die een geestelijk bedienaar heeft op de achterban, een heel andere functie dan die van een musicus of een van de andere groepen die u noemde. Ik blijf dus bij de inburgering van juist deze groep.

Mevrouw Azough vindt dat het inburgeringsexamen geen voorwaarde moet zijn voor het verlenen van een vergunning voor onbepaalde tijd.

In het Hoofdlijnenakkoord van dit kabinet -- daar begon het allemaal mee -- zijn de hoofdlijnen van het nieuwe inburgeringsstelsel geschetst. Daarin staat al dat asielzoekers pas een definitieve verblijfstatus krijgen na het behalen van het examen. Die voorwaarde geldt ook voor reguliere migranten die voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in aanmerking willen komen. Van beide groepen wordt verwacht dat zij tijdens het verblijf in Nederland aan hun inburgering hebben gewerkt en het inburg inburgeringsexamen hebben behaald.

« Terug

Reacties op 'Overleg Wet inburgering'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2006

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari