Inbreng schriftelijk overleg Carla Dik-Faber ten behoeve van de Gaswinning Groningen

vrijdag 30 januari 2015 00:00

Inbreng schriftelijk overleg van ChristenUnie Tweede Kamerlid Carla Dik-Faber als lid van de vaste commissie voor Economische Zaken ten behoeve van de Gaswinning Groningen

Onderwerp:   Gaswinning Groningen

Kamerstuk:    33 529

Datum:           30 januari 2015

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben kennisgenomen van het winningsplan Groningenveld en de maatregelen voor schadeherstel en preventieve versterking. Genoemde leden zetten de veiligheid van de inwoners van de provincie Groningen op de eerste plaats bij de beoordeling van het winningsbesluit, het schadeherstel en de versterkingsmaatregelen. Voor herstel van vertrouwen onder de bevolking van de provincie Groningen is meer nodig dan het kabinet voorstelt. In het belang van de veiligheid vinden de leden van de ChristenUnie-fractie dat de gasproductie uit het Groningerveld nog verder moet worden verlaagd, dat schadeafhandeling en preventieve versterking onafhankelijk en onder verantwoordelijkheid van de Rijksoverheid moeten plaatsvinden en dat herstel van schade en preventieve versterking moeten worden versneld.

Veiligheid

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat de minister onder een aanvaardbaar veiligheidsniveau verstaat. Is de minister van mening dat op dit moment sprake is van een aanvaardbaar veiligheidsniveau in de provincie Groningen, gezien de verwachtingen dat voor de korte termijn rekening wordt gehouden met een maximale beving van 4,1 op de schaal van Richter en de kans op een beving van meer dan 4,1 op de schaal van Richter van eens in de 10 jaar? Hoe ziet de minister deze verwachting in relatie tot de algemene veiligheidsnorm in de bouw, waarbij wordt uitgegaan van een kans van 1 op 100.000 op overlijden door het bezwijken van een gebouw?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen op welke manier uitvoering is gegeven aan de motie Dik-Faber c.s. (33529, nr 48). Welke maatregelen kunnen de komende jaren genomen worden en zijn al genomen ter voorbereiding op een eventueel besluit tot drastische vermindering van de aardgaswinning, indien de veiligheidssituatie daartoe aanleiding geeft? Is de minister met genoemde leden van mening dat de veiligheidssituatie aanleiding geeft tot dergelijke maatregelen? Op welke manier is de minister voorbereid op tussentijdse bijstelling van het besluit, naar aanleiding van nieuwe metingen en het nog te ontvangen rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, zoals de motie ook verzoekt?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom de onderzoeksgegevens van de NAM over de veiligheidsrisico’s voor het gehele winningsgebied nog niet bekend zijn bij het bepalen van de winningsplannen voor de komende jaren. In mei 2015 zal de NAM een risicoanalyse naar het SodM sturen, waarna een advies zal volgen. Waarom neemt deze risicoanalyse zoveel tijd in beslag?

Omvang productie

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom de conclusies van het SodM niet voldoende zijn om het voorzorgsprincipe toe te passen en de productie verdergaand te verlagen. Zo concludeert het SodM dat het systeem mogelijk regelbaar is, dat in de regio Loppersum afname is van de seismische activiteit na de productieverlaging in de Loppersumclusters en dat in de regio ten noorden van Hoogezand in 2014 een aanzienlijk hogere productie is gerealiseerd en bovendien een toename van de seismische activiteit is. Wil de minister ieder jaar afwachten of meer seismische activiteit plaatsvindt in bepaalde clusters en dan pas ingrijpen? Is het vanuit het voorzorgsprincipe en het oogpunt van veiligheid niet beter om de productie in alle clusters preventief te verlagen?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom bij de aanscherping van het winningsplan wordt gekozen voor het referentiejaar 2012, terwijl de productie in 2012 in historisch opzicht relatief hoog was en bovendien de zware beving bij Huizinge plaatsvond. Is het niet beter om bij het winningsplan te redeneren vanuit het principe van veiligheid van bewoners, in plaats van de aanvraag van de NAM?

De leden van de fractie van de ChristenUnie wijzen op de keuze om een aantal clusters meer te laten produceren in het winningsplan van 2014, als compensatie van de reductie in het Loppersumcluster. In het winningsplan voor 2015 wordt juist weer besloten om de hogere productie in de Zuid-Westregio (rond Hoogezand) terug te draaien. Sluit de minister hogere productie in bepaalde clusters als compensatie voor verlaging van de productie uit andere clusters in de toekomst uit? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen een reactie van de minister op de productiepiek in december 2014 bij Loppersum. Het SodM heeft de minister vorig jaar geadviseerd om de productie in dit gebied stop te zetten. De minister heeft in zijn brief van 16 december 2014 (Kamerstuk 33529, nr. 91) gemeld dat “het kabinet op basis van de meest recente analyse van de aardbevingen in het winningsgebied constateert dat de gerichte verlaging van de winning rond Loppersum het gewenste effect lijkt te hebben”. Niet alleen is gekozen om de productie nog voor 20% te behouden, maar bovendien is in zeer korte tijd veel gas geproduceerd uit dit veld. Vindt de minister deze keuze wenselijk? Hoe ziet de minister de hoge productie in de maand december in verhouding tot het advies van het SodM om de productie stop te zetten? Is de minister van mening dat een piek in de productie juist moet worden voorkomen om de intensiteit en frequentie van bevingen terug te dringen?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom 2012 als referentiejaar dient bij het bepalen van het winningsplan, behalve voor de oostelijke regio. De productie ligt in deze regio hoger, terwijl tussen 2012 en 2015 immers ook sprake was van seismische activiteit in deze regio. De productie is sinds 2012 bovendien jaarlijks verhoogd in deze clusters. Waarom wijkt de minister bij de oostelijke regio af van het referentiejaar 2012? 

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen op welke manier rekening wordt gehouden met de reeds opgetreden compactie in productieclusters bij het bepalen van de maximale productie. In 2014 heeft TNO aangegeven dat door de verhoging van de productie in het zuidelijk cluster mogelijk extra compactie op zou treden van 0,4 cm. Wat is de daadwerkelijk opgetreden extra compactie in het zuidelijk cluster?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de minister het wenselijk vindt dat de NAM en Gasterra sturen op de hoeveelheid gas die per jaar gewonnen mag worden volgens het productieplafond. Erkent de minister dat het winningsplafond in de praktijk een richthoeveelheid is, ongeacht de omstandigheden van noodzaak en van veiligheid? Vindt de minister het onwenselijk dat in 2014 42,5 miljard m3 gas is gewonnen uit het Groningerveld, terwijl deze productieomvang niet noodzakelijk was voor de leveringszekerheid, bijvoorbeeld door de relatief zachte winter? Is het niet in het belang van de veiligheid om de productie zoveel als mogelijk terug te dringen?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen van de minister nadere toelichting op het belang van het Gronings gas voor de leveringszekerheid ten behoeve van Nederlandse huishoudens. In 2014 is 17,4 miljard m3 gas ingevoed op regionale distributienetten. Dit gas is bestemd voor huishoudens en de kleinzakelijke afnemers. Hiervan komt 8 tot 10 miljard m3 voor rekening van huishoudens. Waarom verdedigt de minister het productieplafond van 39,4 miljard m3 met het argument dat de leveringszekerheid niet in gevaar mag komen, gezien bovenstaande cijfers?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen nadere onderbouwing van de mogelijkheid om de productie uit het Groningenveld terug te brengen tot 30 miljard m3 per jaar (beantwoording feitelijke vragen, 33529, nr. 92, vraag 46). Welk deel van deze 30 miljard m3 is bestemd voor langjarige contracten met het buitenland en welk deel voor de binnenlandse vraag? Kan de minister een meerjarig overzicht geven van de minimaal benodigde productiecapaciteit voor de leveringszekerheid, aangezien de langetermijncontracten de komende jaren een steeds lagere afname van laagcalorisch gas vereisen?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vinden het opmerkelijk dat in 2013 en 2014 niet volledig gebruik is gemaakt van de conversiecapaciteit om hoogcalorisch gas om te zetten in laagcalorisch gas. Wat is de maximale conversiecapaciteit per jaar? Hoeveel laagcalorisch gas is door middel van conversiecapaciteit in 2013 en 2014 geproduceerd? Waarom is deze conversiecapaciteit niet maximaal benut? Erkent de minister dat hierdoor niet alles is gedaan om de gasproductie in het Groningerveld zo snel en zo veel als realistisch mogelijk terug te brengen? Hoe groot is de uitbreiding van de conversiecapaciteit in de komende jaren en wat betekent dit voor het jaarlijkse productieplafond van het Groningerveld? Kan de uitbreiding van conversiecapaciteit worden versneld?

Langetermijncontracten

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom enkele jaren geleden nog langetermijncontracten met buitenlandse klanten zijn afgesloten. De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft geconstateerd dat veiligheid geen enkele factor is geweest bij besluiten over gaswinning. Is de veiligheid ook bij het afsluiten van deze langetermijncontracten niet aan de orde geweest?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen nadere toelichting op de leveringszekerheid voor Nederlandse huishoudens. Met buitenlandse klanten zijn door Gasterra een aantal jaar geleden nog langetermijncontracten afgesloten, in tegenstelling tot Nederlandse klanten. Betekent dit ook dat buitenlandse afnemers hiermee voorrang hebben bij een tekort aan productie van laagcalorisch gas? Zo ja, wat wil de minister aan deze onwenselijke situatie doen?

Langetermijnstrategie

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de uitvoering van de motie Dik-Faber c.s. (33 529, nr. 6), die verzoekt een visie op te stellen waarin duidelijk wordt gemaakt op welke manier het Groningse gas bijdraagt aan de duurzame energiedoelstellingen van het kabinet. De gasvoorraad in Groningen is immers over ongeveer 15 jaar op. Gezien de lengte van de langetermijncontracten lijkt het leegproduceren van het Groningenveld binnen ongeveer 15 jaar de strategie te zijn. Kan de minister dit bevestigen? Zo nee, welke strategie hanteert het kabinet? Zo ja, hoe past deze strategie in de periode van energietransitie? Is het in technisch opzicht en in het kader van veiligheid mogelijk om binnen een beperkte periode deze productieomvang vol te houden, wanneer het veld uitgeput raakt en de bodemdaling zal toenemen?

Schadeherstel en versteviging

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat de totale opgave van preventieve versterking zal worden voor huizen, gebouwen en infrastructuur in de provincie Groningen. Klopt de inschatting van gedeputeerde Moorlag dat de opgave mogelijk 15 tot 20 miljard euro gaat kosten voor versterking van alle infrastructuur en gebouwen? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de ChristenUnie betreuren de situatie dat de verantwoordelijkheid voor schadeherstel en preventieve versterking nog steeds niet altijd duidelijk is of wordt doorgeschoven. Het is belangrijk dat schadeherstel en preventie onafhankelijk van de NAM gaat plaatsvinden, terwijl gekozen is om het CVW niet volledig onafhankelijk van de NAM te laten opereren. Leidt dit niet juist tot dezelfde problemen en het doorschuiven van verantwoordelijkheid? Op welke manier komt er verandering en versnelling bij de aanpak van complexe en schrijnende gevallen? Op welke manier worden lange procedures voorkomen, bijvoorbeeld over de vraag in hoeverre achterstallig onderhoud de schade heeft veroorzaakt?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vinden dat een robuuste Rijksdienst nodig is om de grote opgaven van schadeherstel en versteviging van gebouwen en infrastructuur te realiseren. Het herstel en de preventie van schade als gevolg van gaswinning in de provincie Groningen zijn immers een nationale verantwoordelijkheid. Welke bevoegdheden wil de minister geven aan deze Rijksdienst? Krijgt de Rijksdienst een commissaris met doorzettingsmacht? Op welke manier wordt het uitvoeringsprogramma in samenspraak met provincie en gemeenten opgezet?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de minister de overeenkomst met negen gemeenten gaat uitbreiden naar andere gemeenten die getroffen zijn door aardbevingen, waaronder de stad Groningen. Is de minister van mening dat andere gemeenten ook recht hebben op compensatie vanwege schade, waardedaling en preventieve versterking? Om welke gemeenten gaat het volgens de minister? Hoeveel extra geld is nodig om deze gemeenten ook te compenseren?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de minister wil omgaan met preventieve versterking van gebouwen in de stad Groningen. Hoe groot is deze opgave en welke financiële investering is nodig? Hoe wil de minister omgaan met nog geplande investeringen in nieuwe gebouwen, zoals het Forum? Op welke manier kan het Forum voldoen aan de nieuwe bouwnormen en hoeveel extra investeringen zijn hiermee gemoeid? Wat zijn de gevolgen van een beving die groter is dan 4,1 op de schaal van Richter voor de stad Groningen en vitale infrastructuur? Wat zijn de gevolgen van een dergelijke beving voor het UMCG en de benodigde medische voorzieningen?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen op welke manier de motie Dik-Faber c.s. (33529, nr. 77); is uitgevoerd. De motie vraagt onder meer om bewoners en de Kamer voor het einde van 2014 hierover duidelijk te informeren. Is de minister van mening dat de bewoners voor het einde van 2014 duidelijk geïnformeerd zijn over versnelling en verbetering van schadeafhandeling en over de aanpak van preventieve versterking van woningen en gebouwen? Hoe wil de minister de blijvende onrust onder de bevolking over de maatregelen die de komende jaren nodig zijn wegnemen?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de minister aankijkt tegen een ‘ventiel’ op de woningmarkt voor uitzonderlijke gevallen. Hoe wordt omgegaan met mensen die bijvoorbeeld om psychische redenen het gebied willen verlaten? Hoe wordt omgegaan met onverkoopbare huizen als gevolg van de bevingen?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe wordt omgegaan bij het aankopen van een woning in het gebied. Geldt hierbij het uitgangspunt dat een aangekochte woning verkocht moet kunnen worden, zoals deze in een onverstoorde woningmarkt verkocht zou worden? Zo nee, op welke manier kunnen kopers vertrouwen op de woningmarkt in het gebied?

De leden van de fractie van de ChristenUnie wijzen op de vaak moeizame procedures die bewoners moeten voeren om de schade als gevolg van gaswinning aan te tonen. Bewoners voelen zich soms machteloos tegenover de NAM in het aantonen van de schade. Hoe kijkt de minister aan tegen het invoeren van een ‘omgekeerde bewijslast’?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waar de aansprakelijkheid voor herstel en preventie ligt bij publieke gebouwen, zoals scholen. Gaat de nieuwe Rijksdienst ook garantstellingen verlenen richting onder meer gemeenten voor publieke gebouwen?

De leden van de fractie van de ChristenUnie wijzen op de onduidelijkheid over de nog te ontvangen Nationale Praktijkrichtlijn (NPR) en de maatregelen die nu al nodig zijn. Zo worden de schades als gevolg van de beving bij Woudsbloem nu al hersteld, maar kan nog geen rekening worden gehouden met de nieuwe NPR. Geldt bij schadeherstel wel het uitgangspunt dat woningen bestand moeten zijn tegen een beving met een kracht van 5 op de schaal van Richter?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom onderzoeken naar de gevolgen van aardbevingen voor de (chemische) industrie zo lang in beslag nemen. Op basis van welke informatie kan de Veiligheidsregio zich voorbereiden op eventuele calamiteiten? Is het niet nodig om veel sneller inzicht te krijgen in de risico’s voor de (chemische) industrie?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de gevolgen van bodemdaling en aardbevingen door gaswinning voor monumentale gebouwen en kerken in de provincie Groningen. Het gaat om cultureel erfgoed, dat bovendien belangrijk is voor het toerisme. In de provincie Groningen is al sprake van ongeveer zestig beschadigde kerken. De schatting is dat de schade in totaal 6 miljoen euro is. Schadeherstel en preventie tasten vaak de bijzondere bouw en kenmerken van de gebouwen onherstelbaar aan, zoals de 15e-eeuwse fresco’s. Bij de NAM en ook het CVW is weinig kennis aanwezig over schadeafhandeling en preventieve versterking bij monumenten. Op welke manier wordt specialistische kennis betrokken? Kan de minister toezeggen dat de Rijksdienst een specifieke aanpak zal hebben voor monumentale gebouwen? Op welke termijn worden monumenten en kerken preventief versterkt? Is het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen hierbij betrokken? Op welke manier wordt bij preventieve versterking van monumenten rekening gehouden met de bijzondere bouw en kenmerken van de gebouwen en de waarde van het cultureel erfgoed?

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

 

« Terug

Nieuwsarchief > 2015

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari