Bevoegdheidsoverdracht naar EU moet minder makkelijk worden

Mirjam Bikker - Foto: Rufus de Vries/ChristenUniedinsdag 24 januari 2017 15:23

Vandaag vindt na een aanloop van 10 jaar de grande finale plaats van de behandeling van het Initiatiefvoorstel van Kees van der Staaij (SGP) om in de Grondwet vast te leggen dat EU-verdragen voortaan niet met een gewone meerderheid, maar met een tweederdemeerderheid moeten worden aangenomen door beide Kamers van de Staten-Generaal.

"Als Nederland bevoegdheden overdraagt aan de Europese Unie moet daarvoor tweederdemeerderheid in de Kamers zijn. Ook bij het toetreden van nieuwe lidstaten kan het karakter van de Europese Unie veranderen. Daarom is het goed dat ook hier de drempel hoger wordt. Dat is niet voor een denkbeeldig vraagstuk, denk bijvoorbeeld aan de Turkijedeal." Mirjam Bikker sprak daarom vandaag haar steun uit voor het initiatiefwetsvoorstel van Kees van der Staaij (SGP) dat hiervoor de Grondwet wil aanpassen.

Lees hier de bijdrage van Mirjam Bikker aan het debat.

Voorzitter,

Het wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken heeft inmiddels een lange historie. Niet in de Eerste Kamer, maar wel aan de overzijde, in de Tweede Kamer. Ontstaan ten tijde van het referendum over de Europese Grondwet, met als mede-indiener het lid Herben van de LPF. Het was verbazend dat een Grondwet voor Europa in Nederland met een gewone meerderheid van stemmen in de Kamers kon worden aangenomen. Vandaag daarom waardering voor het initiatief van destijds en voor het werk van de indiener nu - Van der Staaij - die met gedegenheid en vasthoudendheid dit wetsvoorstel tot hier gebracht heeft.

Er is in de afgelopen jaren veel gesproken over de invloed van de Europese Unie op de Nederlandse rechtsorde. Dat is noodzakelijk, de funderende EU-verdragen hebben een eigen supranationale rechtsorde gevestigd, de Nederlandse constitutionele orde is er door veranderd. Allerhande onderwerpen worden op Europees niveau besloten en de zeggenschap van de Kamer is afgenomen. Die soevereiniteitsoverdracht van Nederland naar de Europese Unie kan bij meerderheid van stemmen, ook al raakt zij onze constitutionele orde. Het is een groot verschil met de procedure voor grondwetswijziging, de indiener spreekt terecht van een fundamentele onevenwichtigheid in dit opzicht.

Het staat ook in groot contrast met de regeling in veel van onze buurlanden. De staatscommissie Grondwet inventariseerde de landen met een verzwaarde of grondwetswijzigingsprocedure voor de goedkeuring van EU-wijzigings- verdragen. Ik telde in het rapport 16 landen in Europa waar dit het geval is, waaronder landen als Duitsland, Denemarken, Luxemburg en Zweden. Daarom meteen maar een vraag aan de minister van Binnenlandse Zaken, die in de media de vrees uitte dat dit voorstel nadelig is voor de onderhandelingspositie van Nederland en zeer vertragend zal werken. Ziet hij concreet verschil in onderhandelingsresultaat tussen landen die wel en niet een dergelijke bepaling hebben? Kan hij daar een voorbeeld van geven? Wanneer is een dergelijke bepaling vertragend geweest? En hoe verhoudt zich dit tot de uitkomsten van referenda, die men dan toch als minstens zo vertragend kan beschouwen? Ook in de vragen van deze Kamer las ik de zorg dat EU-verdragen niet meer de Staten-Generaal zouden passeren. Maar zouden we geen moed kunnen putten uit de situatie bij onze buurlanden?

In Nederland is de situatie nu echter zo dat bij geen van de (wijzigings-) verdragen betreffende de Europese Unie de procedure van artikel 91, lid 3, Grondwet is gevolgd. Dat bevreemdt mij, terwijl bij minder belangwekkende verdragen die afwijken van de letter van de Grondwet wel een meerderheid van twee derden vereist zal zijn. Dat is een paradoxale situatie. De ChristenUnie is er van overtuigd dat de Grondwet daarom aanpassing op dit punt behoeft en is verheugd dat de indiener zich hiertoe inspant.

Nu zijn in de loop der jaren meerdere varianten voor aanpassing gesuggereerd. De Raad van State heeft in advies op het wetsvoorstel gedacht dat dit beter middels een functionele bepaling geregeld kan worden dan middels de voorgestelde formele bepaling. Ik heb vervolgens ook het advies van de Staatscommissie Grondwet gelezen, die - hoewel er van overtuigd zijnde dat de huidige situatie niet wenselijk is - zowel bij de variant Van der Staaij, maar ook bij zo'n functionele bepaling met kanttekeningen kwam. De perfecte oplossing lijkt vooralsnog niet te bestaan. In alle eerlijkheid heeft de fractie van de ChristenUnie willen wegen welke route de minste rafelranden oplevert. In de voorgestelde variant bestaat het gevaar dat ook bij verdragswijzigingen die de Grondwet niet raken, de tweederdemeerderheid vereist is. De staatscommissie geeft zelf echter ook eerlijk aan dat gezien de omvang van de procedure tot wijziging, maar ook door de moeite die het kost om tot overeenstemming te komen tussen alle lidstaten, de kans zeer gering is dat een wijziging van deze verdragen van een beperkte aard zal zijn. Hoe beoordeelt de indiener dit aspect? Kan de minister uit de afgelopen tien jaar voorbeelden geven waar dit wetsvoorstel zou zijn toegepast terwijl de constitutionele orde niet geraakt wordt?

Andersom blijft onze vraag staan dat ook na aanname van dit wetsvoorstel de mogelijkheid open blijft dat andere internationale verdragen invloed hebben op onze constitutionele orde. Ook de PvdA wees hier op in de schriftelijke inbreng. Op dit punt heeft de indiener ons er van overtuigd dat de Europese Unie, gezien haar supranationale karakter wel van een andere aard is dan andere internationale verdragspartners. Is de indiener echter daarom van mening dat andere internationale verdragen die onze constitutionele orde raken, voldoende legitimiteit hebben indien zij zijn vastgesteld door een gewone meerderheid in de Kamers? Of blijft voor hem op termijn ook een drempel voor de andere situaties denkbaar? Ik meen dat dit in Denemarken het geval is. Wat is de visie van de minister van Binnenlandse Zaken op dit punt?  

De functionele benadering die de Raad van State adviseerde, heeft in geen van de studies geleid tot een helder afgebakend criterium. Het geeft vooralsnog veel vragen over de reikwijdte van een dergelijke bepaling. Het is daarom dat de ChristenUnie-fractie begrip heeft voor de keuze voor de indiener om hierin de Raad van State niet te volgen.

De fractie van de ChristenUnie steunt de toevoeging dat ook voor de toetreding van nieuwe lidstaten een gekwalificeerde meerderheid vereist wordt. Er is immers sprake van uitbreiding van het rechtsgebied, het over en weer aangaan van verstrekkende verplichtingen en bovenal kan de potentiële toetreding van een lidstaat, het karakter van de EU als gemeenschap veranderen. De Turkije-deal heeft maar weer eens inzichtelijk gemaakt dat dit helaas niet alleen een denkbeeldig vraagstuk is. Wat bij het opstellen van het wetsvoorstel wellicht ondenkbaar was, is inmiddels feit: Brexit. Hoe verhoudt zich dit wetsvoorstel daartoe en tot uittreding van andere lidstaten of Nederland zelf, zo vraag ik de indiener en ook de minister.

Voorzitter, er is al veel gepasseerd en daarom kom ik tot een afronding. De ChristenUnie-fractie deelt de conclusie van de indiener dat het niet passend is dat zelfs bij ingrijpende opdracht en overdracht van bevoegdheden, waar geen strijd is met concrete bepalingen in de Grondwet, dat bij dergelijke ingrijpende funderende EU-(wijzigings-)verdragen er geen gekwalificeerde meerderheid vereist is in de Kamers. Dat behoeft verbetering. De verschillende oplossingsrichtingen zijn geen van allen perfect, maar - ik zeg het voorzichtig - de indiener lijkt het pad met de minste resterende hobbels te hebben verkozen. Ik zie daarom wel zeer uit naar de beantwoording van onze vragen op dit punt.

In de kleine tien jaar dat dit voorstel nu in procedure is, is het optimisme over de Europese Unie getemperd. Dat neemt niet weg dat de Unie nog steeds een waardengemeenschap is en kan zijn die de vrede, de veiligheid en de welvaart van de lidstaten dient. Met zoveel mogelijk behoud van de soevereiniteit van de landen. Maar daar waar de indruk bestaat en bevestigd wordt dat voorbij geleefd wordt aan het gevoelen van de samenleving dat te makkelijk macht wordt overgedragen aan Brussel, daar wordt geknaagd aan de legitimiteit van verdragen en uiteindelijk het vertrouwen in de Europese Unie zelf. Dit voorstel voorziet in het opheffen van een onevenwichtigheid in de Grondwet en biedt daarmee een antwoord op de vraag hoe ook in de toekomst te komen tot een goede legitimatie van de funderende EU-verdragen binnen onze representatieve democratie. De ChristenUnie-fractie ziet uit naar de beantwoording van de indiener en de Minister op de vragen die nog resten.

Labels
Eerste Kamer
Europa
Mirjam Bikker

« Terug