Bijdrage Mirjam Bikker aan debat over privatisering kwaliteitsborging bouwen

hollandse huizendinsdag 04 juli 2017 16:00

Vandaag debatteert de Eerste Kamer over de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Senator Mirjam Bikker heeft namens de ChristenUnie-fractie een kritische bijdrage geleverd. Deze kunt u hier nalezen.

Voorzitter!

Verbetering van de bouwkwaliteit is het hoofddoel van het wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken. Daar kan niemand tegen zijn. Is er dan nu een probleem met die bouwkwaliteit of een prangende reden om ontevreden te zijn over de huidige resultaten?

De minister voert aan dat de maatschappij en de bouwconsument meer eisen aan de bouwkwaliteit stellen, dat bouwprojecten complexer zijn geworden en dat door versnippering van bouwprojecten vaker onduidelijkheid bestaat wie verantwoordelijk is voor de integrale bouwkwaliteit van het totale bouwwerk. En ten slotte, maar zeker niet als minste: het gemeentelijk toezicht is vooral vooraf en op papier.

De fractie van de ChristenUnie vindt de elementen die de minister noemt inderdaad redenen om te kijken of de huidige kwaliteitsborging van het bouwen beter in te richten valt. Maar of de gekozen oplossing – het verschuiven van de toezichthoudende verantwoordelijkheid van de gemeente naar private partijen in de plan- en bouwfase – of die oplossing nu ook een einde aan de problemen maakt betwijfelt mijn fractie. Daarom een aantal vragen en opmerkingen voor de minister.

Allereerst een principieel punt. Het borgen van de kwaliteit en vooral de veiligheid van bouwwerken is een publiek belang, dat is een verantwoordelijkheid van de overheid. De minister stelt dat de andere manier van het inrichten van dit stelsel daar geen afbreuk aan doet. Immers, indien de toetsing door de private kwaliteitswaarborger gebreken aan het licht brengt, zal het bevoegd gezag kunnen ingrijpen. Het komt daarbij wel aan op  het vertrouwen van de overheid in die waarborginstanties. De pilot in Den Haag deed de gemeente concluderen dat de door de waarborginstantie afgegeven  verklaringen over het voldoen aan het Bouwbesluit door de gemeente aan de hand van de opleverdossiers niet vielen te verifiëren. Dit wetsvoorstel laat –terecht!- de eindverantwoordelijkheid van het bevoegd gezag die het heeft in het licht van artikel 1b Woningwet in stand. Dat is publiek belang. Maar hoe kan een gemeente dat nu invullen? Welke mogelijkheden heeft de waarborginstantie zelf om een bouwer te corrigeren? Is dat alleen het onthouden van een goedkeurende verklaring bij oplevering? Heeft hij alleen een zwaard van Damocles waar hij telkens naar moet wijzen? En is het een sanctie die werkt?

De verschuiving naar private kwaliteitswaarborgers zal ook effect hebben op de kennis die bij gemeenten aanwezig is om te kunnen beoordelen of handhaving aan de orde moet zijn. Uit Den Haag kwam het beeld dat de voorgestelde wet de gemeente als het ware in de positie van een geblinddoekt toezichthouder zet. De resterende handhavende bevoegdheden achteraf kunnen niet alle misstanden ongedaan maken. Het zijn de betrokken bewoners die de eventuele gevolgen ondervinden omdat het bouwwerk niet in gebruik kan worden genomen. Nu is er in de Tweede Kamer met de amendementen De Vries gepoogd om de gemeentelijke blinddoek te verwijderen. De gemeente krijgt een informatiedossier bij oplevering en voert eerder al bij de vergunningsaanvraag een risicobeoordeling uit. De minister zal bekend zijn met de stevige taal vanuit de G4-gemeenten dat deze amendementen onvoldoende vertaling vinden in het Ontwerpbesluit. Het opleveringsdossier moet juist de gemeenten het vertrouwen geven dat zij willens en wetens kunnen vaststellen dat aan de wet en de prestatie-eisen wordt voldaan. Wat is zijn reactie op het scherpe commentaar van deze gemeenten?

Zoals gezegd ziet de minister een aantal problemen die hij wil aanpakken met dit wetsvoorstel. Allereerst dat de maatschappij en de bouwconsument meer eisen stellen aan de bouwkwaliteit. Kan de minister inzicht geven waardoor in het nieuwe stelsel die eisen sneller een vertaling vinden in het instrument voor kwaliteitswaarborging? Worden de regels waaraan een waarborginstantie toetst niet nog steeds door de overheid gesteld? Kan de minister ook voorbeelden geven van die nieuwe eisen die op dit moment niet betrokken worden bij het publieke bouwtoezicht? Hoe groot is dit probleem?

Een volgend element is dat bouwprojecten complexer zijn geworden. Door de gefaseerde inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zullen bouwprojecten in de categorieën II en III – de categorieën waar bij misstanden de maatschappelijke impact het grootst is - vooralsnog onder het gemeentelijk toezicht blijven. Blijven complexe bouwprojecten de komende jaren dan niet onverminderd onder publiek toezicht vallen? Moeten hier dan geen maatregelen genomen worden om het publieke toezicht te versterken? Er was al een tekort aan goede gekwalificeerde publieke toezichthouders op de bouw, zal dat niet alleen maar toenemen? Gemeentelijke bouwinspecteurs zien met deze wet de bui al hangen. Hoe kunnen de gemeenten hun taken de komende jaren waar maken? Geeft dit wetsvoorstel niet een extra duw richting inhuur van private expertise? Welke bijdrage levert de minister op dat punt? Is inmiddels becijferd welke  kosten hieraan verbonden zijn?

Het derde probleem is de versnippering van bouwprojecten en de onduidelijkheid wie verantwoordelijk is voor de integrale bouwkwaliteit. Is dat voortaan wel helder? Blijft dat niet toch de aannemer  of de nevenaannemer? Kan de minister inzicht geven hoe hij dit wetsvoorstel een verbetering acht?

En ten slotte somde de minister op dat de gemeente nu vooral toezicht vooraf en op papier uitoefent. Dat zal veranderen zo schetst de minister in de stukken. Het beeld van inspecteurs op de bouwplaats wordt her en der geschetst en dat spreekt aan. Tegelijk lees ik dat aannemers die een goed kwaliteitscontrolesysteem hebben, zeer waarschijnlijk vooral marginaal getoetst zullen worden. Prikkelt de marktfilosofie en de wens om kosteneffectief te werken niet evenzeer om zodra het kan toezicht via het papier te  houden?

De fractie van de ChristenUnie is er vooralsnog niet van overtuigd dat de door de minister opgesomde problemen een adequate oplossing vinden in dit wetsvoorstel. De fractie is er evenmin van overtuigd dat de gekozen combinatie van privaat/publiek toezicht een versterking zal betekenen van de bouwkwaliteit. Er wordt trouwens van verschillende zijden getwijfeld. Er zijn experts die dit toezicht als onderdeel van de kerntaken van de overheid zien en daarom principieel niet mee kunnen met een privatisering. Ik las ook opmerkingen van een deskundige dat de marktprikkels pas echt hun werk doen als er nog verder geprivatiseerd wordt en hij noemde als voorbeeld Frankrijk. Is dit voorstel zo bezien dan niet eigenlijk vlees noch vis? Waarom niet gekozen voor optimalisering van het huidige publieke stelsel in plaats van het deels wegschuiven van deze toezichthoudende verantwoordelijkheden naar een hybride configuratie?

Voorzitter voor de  fractie van de ChristenUnie weegt het eerste en meest principiële punt zwaar. De overheid heeft namelijk een verantwoordelijkheid om veiligheid te garanderen. De minister betoogt dat dit ook kan met een mix van publiek/privaat toezicht en een publieke handhaving. Maar dat geeft voor de burger toch een ingewikkeld beeld. Stel een burger ziet een gang van zaken op de bouwplaats die niet in de haak is. In het nieuwe stelsel moet hij dat melden bij de vergunninghouder dan wel de kwaliteitsborger. Dat zijn de partijen die er over gaan. Maar er zullen ook meldingen blijven binnenkomen bij de gemeenten. Burgers houden het bevoegd gezag ook terecht verantwoordelijk voor de handhaving. Vanuit het oogpunt van politieke verantwoordelijkheid voor de handhaving valt zodoende te verwachten dat het bevoegd gezag geneigd zal zijn meldingen actief op te volgen. In het rapport dat de minister liet  maken over de rol van de gemeente bij private  kwaliteitsborging wordt het voorbeeld gegeven van de situatie dat de gemeente zo’n melder doorverwijst naar de kwaliteitsborger en dat het voor kan komen dat deze vervolgens de gemeente vraagt haar handhavingsbevoegdheid uit te voeren op basis van deze melding. Het is de vraag of de gemeente zichzelf de rust kan gunnen om deze volgens het wetsvoorstel gewenste route te doorlopen. Noopt de politieke verantwoordelijkheid niet tot nauwere betrokkenheid en is het dan mogelijk om bij het inhoudelijke toezicht weg te blijven? Voorzitter u merkt het, mijn fractie heeft nog erg veel vragen. Maar juist daarom zie ik uit naar de antwoorden van de minister.

Labels
Eerste Kamer
Mirjam Bikker
Wonen & Ruimtelijke ordening

« Terug