Bijdrage Peter Ester aan de Algemene financiële beschouwingen

Eurosdinsdag 12 december 2017 14:51

Vandaag worden door de Eerste Kamer de Algemene financiële beschouwingen gehouden en het pakket Belastingplan 2018 behandeld. Senator Peter Ester stond stil bij de mogelijke economische en financiële impact voor ons land van de grote internationale onzekerheden en daarmee samenhangende risico's, zoals de Brexit. Een ander groot voortdurend aandachtspunt voor Ester is de noodzaak van het verkleinen van ongerechtvaardigde fiscale verschillen. Lees hier zijn bijdrage, waarin hij ingaat op deze en andere aangelegen punten.

MdV,

Ook ik heet de minister en staatssecretaris van harte welkom in de Eerste Kamer. Ik zie uit naar inspirerende debatten over onze overheidsfinanciën en fiscale politiek.

Regeren in een onzekere internationale context

Voorzitter, voor de ChristenUnie is het aloude Jozef-principe een beproefd middel om de overheidsfinanciën te beoordelen. Een eenvoudig principe dat stelt dat je in vette jaren moet sparen voor magere jaren. Mijn fractie heeft dat in de afgelopen jaren consequent gehanteerd als toetsingskader van de overheidsfinanciën. Nu het economische tij gekeerd is en ons land er economisch weer zo veel beter voor staat, is er bij het aantreden van dit nieuwe kabinet wederom reden dit principe als leidraad te nemen voor de beoordeling van de beleidsvoornemens. Zeker, er valt veel goeds te zeggen over de miljarden lastenverlichting voor vooral middeninkomens en gezinnen met één modaal inkomen. En ook over de miljardeninvesteringen in onderwijs, onderzoek, energietransitie, defensie en de extra uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking. Mijn fractie is daar oprecht blij mee. Maar zowel aan de inkomsten- en zeker aan de uitgavenkant - zoekt het nieuwe kabinet in deze conjunctureel onmiskenbaar goede tijden - de tijd van de vette koeien - wel de randen op van het begrotingsbeleid. De Raad van State onderstreept in haar advies op de Startnota van het nieuwe kabinet dat de marges smal zijn en de budgettaire onzekerheden groot.

Bij dit alles moet worden aangetekend, voorzitter, dat in de jaren van de ‘magere koeien’ wel erg veel is bezuinigd op de uitvoering van primaire overheidstaken, van publieke diensten. Daarvoor moet nu de portemonnee worden getrokken. Sommige publieke taken hebben we ronduit laten versloffen. En dat geldt zeker voor onze krijgsmacht, die het ene gat met het andere moest stoppen. Het is dan ook goed dat het nieuwe kabinet structureel € 1,5 miljard in onze krijgsmacht investeert. Daarmee zetten we een substantiële stap richting het NAVO-gemiddelde, maar we zijn er ook na deze structurele injectie nog niet.

Toezichthoudende en andere cruciale overheidsdiensten die voor het ordelijk en ordentelijk functioneren van onze samenleving een cruciale rol vervullen, krijgen evenzeer een financiële impuls. Denk aan de voor onze voedselveiligheid cruciale NVWA en aan de Belastingdienst, waarvan het publieke belang geen betoog behoeft.

De extra uitgaven aan onderwijs, onderzoek en infrastructuur zijn met recht goede investeringen. En wij juichen het toe dat de aanpak van klimaatverandering en de energietransitie zo’n prominente plaats hebben gekregen in het regeerakkoord. We willen de schepping niet geschonden doorgeven aan de volgende generatie.

Maar, zoals gezegd, er zit een keerzijde aan al deze uitgaven. En die moeten we ook benoemen. De houdbaarheid van de overheidsfinanciën verslechtert (van +0,2% naar -0,4% bbp), de saldomarges ten opzichte van de (Europese) middellangetermijndoelstellingen worden smal, en het beleidspakket heeft zeker de eerste twee jaar een procyclisch karakter. Dit betekent dat, zoals het CPB terecht stelt, op enig moment in de toekomst de belastingen moeten worden verhoogd, dan wel overheidsuitgaven moeten worden verlaagd. De Raad van State adviseerde niet voor niets wat meer zekerheid in te bouwen. Op dit punt zie ik graag een nadere reactie van de minister.

Ter nuancering van dit beeld moet worden opgemerkt dat ondanks de forse stijging van de overheidsuitgaven, de bruto collectieve uitgaven in relatieve zin dalen. Dat ondanks de stevige lastenverlichting, de collectieve lastendruk gelijk blijft. Dat het EMU-saldo positief blijft gedurende de gehele kabinetsperiode en dat de EMU-schuld bijna naar het pre-crisisniveau daalt. Onze begroting en verwachte performance voldoen aan de Europese normen. Tenminste, als de ramingen uitkomen. En dat is zelden vanzelfsprekend. Hopelijk zijn de marges zodanig dat ook bij een plotselinge omslag de automatische stabilisatoren hun werk kunnen doen, zonder dat pijnlijke ingrepen nodig zijn. En of de marges voldoende zijn in onze open en vitale, maar evenzeer volatiele en kwetsbare economie. Dat is een serieuze vraag. Ik ben benieuwd naar het antwoord van de Minister van Financiën hierop, mede in het licht van drie internationale onzekerheden waar ik nu nader bij stil zal staan, te weten: de Brexit, de eurozone en de rol van de ECB en de Chinese schuldenberg.

Brexit

Voorzitter, allereerst de Brexit. Die gaat ons land hard raken. Nederland exporteert jaarlijks voor zo’n € 40 miljard aan goederen en diensten naar het Verenigd Koninkrijk en is daarmee na Duitsland en België de derde exportbestemming. Veel bedrijven hebben zonder deze export geen bestaansrecht. Denk bijvoorbeeld aan handelsbedrijven in bloemen en planten of groente en fruit hier een paar kilometer verderop in het Westland. Het Verenigd Koninkrijk is van groot belang voor ons bedrijfsleven en de uittreding van de Britten zal zijn sporen nalaten. Menig Nederlandse onderneming, groot en klein, houdt het hart vast. De onzekerheid is groot en het politieke deelakkoord van vrijdag verandert daar weinig aan. Nu breekt immers het echte werk aan.

De Rabobank heeft onlangs becijferd dat een harde Brexit Nederland tot maar liefst 4,25% economische groei kan schelen. Tot 2030 hebben we het dan over een bedrag van zo’n € 35 miljard, ofwel € 4.000 cumulatief per werkende Nederlander. Ook de effecten van een zachte Brexit zijn aanzienlijk, met een negatieve bbp-groei van 3%. Deze economische effecten zijn beduidend groter dan eerdere studies aangaven. Recente schattingen komen op een verlies van meer dan 70.000 Nederlandse banen door een harde Brexit. Hoe ziet de minister de economische betrekkingen tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk na de Brexit? Indien bij een harde Brexit de vrije toegang tot de interne EU-markt wordt beëindigd, welke bilaterale mogelijkheden heeft Nederland als EU-lidstaat dan nog om afspraken met de Britten te maken? Zijn daar binnen het kabinet al gedachten over of misschien zelfs strategieën voor ontwikkeld? Wat zijn de gevolgen, zo vraag ik de staatssecretaris, van de Brexit voor de douane-unie en hoe bereidt de Belastingdienst zich daarop voor?

De onderhandelingen over de “Brexit Bill” verlopen stroef. De vraag die mijn fractie aan de minister voorlegt, is of deze moeizame vooruitgang ook niet het gevolg is van het ontbreken van eenduidige exit-regels binnen de Unie en van een geaccepteerde methodiek van afwikkeling van financiële verplichtingen. Moet het Europees Verdrag niet worden aangescherpt op deze punten? Ik doel dan, zo geef ik de minister mee, op artikel 50.

Eurozone en ECB

Voorzitter, ten tweede kom ik op de risico’s die samenhangen met de Eurozone en het monetaire beleid van de ECB. De huidige conjunctuur verhult misschien de hier spelende risico’s. Feit is dat lidstaten in de eurozone economisch eerder divergeren dan convergeren. En feit is ook dat de ECB met haar extreem omvangrijke opkoopprogramma grote risico’s neemt. Ultimo 2017 is inmiddels € 2.400 miljard toegevoegd aan de balans van de centrale bank. En vanaf januari gaat de ECB door met het opkopen van staats- en bedrijfsobligaties, weliswaar in een lagere versnelling, maar nog altijd met € 30 miljard per maand. DNB-president Klaas Knot pleitte nog onlangs voor een totale afbouw van het opkoopprogramma.

De eurozone toont een sterk herstel. Monetair beleid helpt echter weinig in landen die achterblijven, daar is vooral behoefte aan hervormingsbeleid. Natuurlijk is de ECB een onafhankelijk instituut, maar hoe taxeert de minister de geschetste ontwikkelingen voor ons land? De Raad van State heeft in haar advies 'De staat van de euro' ook een aantal opmerkingen gemaakt over de noodzaak van een meer beperkte taakopvatting van de ECB. Hoe kijkt de minister aan tegen deze opmerkingen en wat is überhaupt zijn reactie op dit advies van de Raad van State?

Chinese schuldenberg

Voorzitter, ten derde maakt mijn fractie zich zorgen over de turbulentie op de Chinese financiële markten. We zien een enorme en uitdijende schuldenberg bij Chinese bedrijven van inmiddels meer dan 165% van het bbp. Ruim € 500 miljard aan bedrijfsobligaties moeten worden geherfinancierd. De marktrentes lopen snel op en we zien een tombola van leningen en schulden in het schaduwbankcircuit. Ook deze ontwikkelingen vergroten de internationale financiële onzekerheden. Hoe beoordeelt de minister deze onzekerheden en hoe kunnen ze Nederland raken?

Deze drie grote onzekerheden op het internationale speelveld vormen de ongewisse context van Nederlands financieel beleid dat weliswaar het economisch tij mee heeft, maar zich ook tot deze context heeft te verhouden. Dit onderstreept het belang van prudent financieel beleid, waarbij het Jozef-principe als kompas dient. Ziet de minister dit ook zo?

Verschillen verkleinen: het belastingpakket

Voorzitter, dan kom ik bij het tweede deel van mijn bijdrage: het belastingpakket.
De afgelopen jaren hebben ons belastingstelsel geen goed gedaan. Ik heb daar bij herhaling in verschillende debatten de vinger op gelegd. Onder invloed van steeds verdergaand instrumentalisme is tijdens de vorige kabinetsperiode het draagkrachtprincipe onder de inkomstenbelasting verder uitgehold. Fiscaal instrumentalisme - enerzijds gericht op koopkrachtbehoud van lage inkomens met als illustratie het inkomensafhankelijk maken van de algemene heffingskorting; en anderzijds gericht op het bevorderen van arbeidsparticipatie van uitkeringsgerechtigden en vrouwen door de inkomensafhankelijke arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting steeds verder op te pompen - heeft de inkomstenbelasting op een zeer ondoorzichtige wijze uit het lood geslagen. Deze maatregelen gecombineerd met al langer bestaande fiscale regelingen hebben geleid tot grote kloven in belastingdruk tussen zzp’ers en werknemers, tussen woningeigenaren en huurders in de vrije sector en tussen gezinnen met één en met twee inkomens.

En als er door de coalitiepartijen niet was ingegrepen, was de extreme kloof tussen één- en tweeverdieners de komende jaren verder vergroot. En als er niet was ingegrepen, was de marginale druk voor hurende eenverdieners nog groter geworden dan de extreme druk van 161% bij een brutoloon van € 32.000 in 2018. Dankzij de afspraken in het regeerakkoord halveren we deze op dit inkomensniveau naar 83%. En over het vorig jaar tijdens de AFB veelvuldig aangehaalde inkomenstraject van € 22.000-32.000 daalt de marginale druk voor deze groep van hurende eenverdieners tussen 2018 en 2021 met maar liefst 25%. Dat betekent dat deze groep, die tot op heden praktisch niets overhield aan een stijging van het brutoloon met € 10.000, er door het regeerakkoord meer dan € 2.500 op vooruit gaat bij deze stijging en deze groep er door het kabinetsbeleid € 3.600 extra overhoudt bij een brutoloon van € 32.000 vergeleken met 2018. De belastingdruk voor lage en middeninkomens daalt substantieel.

Voorzitter, dat stemt mij dankbaar. Het is goed dat deze trend van het steeds verder ondergraven van het draagkrachtprincipe met het nieuwe regeerakkoord is doorbroken. Met het pakket aan belastingmaatregelen worden bestaande kloven gestabiliseerd of verkleind. Met maatregelen als de introductie van het tweeschijventarief in de inkomstenbelasting, het niet meer overdraagbaar laten zijn van de arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting, de verhoging van het kindgebonden budget en de zorgtoeslag voor paren, de afbouw van alle aftrekposten van het toptarief naar het basistarief - van hypotheekrenteaftrek tot zelfstandigenaftrek - en het schrappen van de Wet Hillen, worden fiscale kloven onmiskenbaar kleiner. En wordt de torenhoge marginale druk tussen WML en modaal flink lager. Ja, dat zijn forse stappen in de goede richting. En nee, daarmee zijn we er wat betreft de ChristenUnie nog niet. Maar het is goed dat we deze kabinetsperiode de extreme verschillen in belastingheffing - die niets te maken hadden met draagkracht, maar puur met hoe je je geld verdient, hoe je woont en hoe je huishoudsituatie is - kleiner maken. Natuurlijk weet ik dat de staatssecretaris eerst en vooral het regeerakkoord moet uitvoeren, maar ik hoop dat het met mijn fractie zijn missie is om alles op alles te zetten om verschillen in fiscale behandeling te verkleinen en het draagkrachtprincipe verder in ere te herstellen. Kan hij daar een korte beschouwing aan wijden?

Aanpak belastingontwijking

Bij het verkleinen van fiscale verschillen hoort vanzelfsprekend ook een stevige aanpak van belastingontwijking. Het beleid in de afgelopen jaren was gewoon te slap. Mijn fractie kan zich goed vinden in het voorgestelde beleid. Maar papier is geduldig. Zeker in deze kwestie. Ik reken op een voortvarende uitvoering van alle afspraken in OESO-, EU- en coalitieverband. Ik neem aan dat de urgentie bij de staatssecretaris om belastingontwijking aan te pakken na de Panama- en Paradise Papers hoog is. Ook vorige week waren we weer slecht in het nieuws. De samenleving vraagt terecht om krachtdadig optreden. Er moet nu worden doorgepakt. Wat zijn zijn ambities in deze dossiers, welke erfenis wil hij achterlaten?

Arbeidsmarkt

Voorzitter, ik noemde al even de kloven op onze arbeidsmarkt. Die zijn groot en diep. Tussen vast en flex, tussen zelfstandige en werknemer, tussen ondernemer en zzp’er. De overhaaste afschaffing van de VAR en de komst van de onvoldragen Wet DBA hebben de problemen op de arbeidsmarkt eerder verergerd dan verkleind. De ongerustheid is onverminderd groot. In het regeerakkoord zie ik een realistischer benadering van zzp’ers dan voorheen. Ze worden niet meer op één hoop gegooid. Er is terecht veel aandacht voor de groep van kwetsbare zzp’ers, onder andere via invoering van minimumtarieven voor de onderkant van de zzp-markt. Maar nog steeds ontbreekt een omvattende analyse van het zzp-fenomeen. Dat brak het vorige kabinet op. En dat gold evenzeer voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de Wet DBA. Daar is in dit huis uitvoerig over gedebatteerd en mijn partij nam daarin helder stelling. Hoe gaat de staatssecretaris beide omissies aanpakken? Wanneer komt hij met een inhoudelijke visie en het inregelen van zijn Belastingdienst, zodat deze de uitvoering van het zzp-beleid op orde heeft? Graag een reactie.

Geleidelijke afschaffing Wet Hillen

Voorzitter, de dankzij de onvolprezen motie Hoekstra apart voorliggende afschaffing van de Hillen-subsidie, verdient natuurlijk ook aandacht. Deze uitfasering van de Hillen-subsidie is onderdeel van een pakket fiscale maatregelen, waar ook de verhoging van de ouderenkorting en de verlaging van het eigenwoningforfait met 20%, van 0,75 naar 0,6%, onderdeel van uitmaken. Uit de vele tabellen die tijdens de wetsbehandeling zijn gewisseld, komt het beeld naar voren dat het uitfaseren van de aflossubsidie niet alleen fiscaal gezien logisch is, maar ook alleszins redelijk. Berekeningen laten zien dat door het Regeerakkoord 96% van de woningeigenaren erop vooruit gaat in koopkracht. En hun koopkracht neemt ook nog eens harder toe dan van huurders: 1,4 versus 0,8% per jaar.

Dat wat in 2005 begon als een aflossubsidie van € 250 miljoen, is inmiddels uitgegroeid tot een structurele kostenpost van € 1,4 miljard en na de verlaging van het eigenwoningforfait in het regeerakkoord, van nog steeds € 1,1 miljard. Dat wat in 2005, de tijd van de aflossingsvrije hypotheken, al een dure aflossubsidie was, heeft zich - nadat in 2013 voor nieuwe gevallen de verplichte aflossing een feit is geworden - ontwikkeld tot een extreem dure en niet langer effectieve belastinguitgave. Aflossen is nu de fiscale norm en daar past geen aflossubsidie bij. De Wet Hillen heeft zijn rationaliteit verloren. Maar mijn fractie is blij dat er 30 jaar voor de uitfasering wordt uitgetrokken.

Met het afschaffen van de Hillen-subsidie gaan we terug naar de situatie, zoals die was in de periode 1893-2005. En hoewel historisch en inhoudelijk gezien de Wet Hillen een anomalie was, roept de afschaffing wel vragen op over het wispelturige handelen van de overheid bij zoiets belangrijks als het eigen huis. En voorzitter, als je daarbij het feit betrekt dat huizenbezitters die netjes hun hypotheek hebben afgelost, die tijdens hun werkzame leven ervoor gezorgd hebben dat ze weinig woonlasten en weinig schuld meer over hebben op hun oude dag, dan begrijp ik dat er boosheid is. Hoe kijkt de staatssecretaris terug op de wijze waarop de overheid hier gecommuniceerd heeft met de burger? Welke lessen trekt hij? Gelijk hebben en gelijk krijgen zijn immers twee verschillende kwaliteiten.

Het begrip vermogen is bij dit debat in het geding. Het eigen huis is om in te wonen én het is vermogen. Weliswaar geen vrij opneembaar vermogen, zoals spaargeld. Hoe kijkt de staatssecretaris hier eigenlijk tegenaan? En tot welke bestemming van de eigen woning in het fiscale stelsel leidt het uitfaseren van de Wet Hillen? Welk fiscaal eindplaatje staat de staatssecretaris voor ogen? Ook de Raad van State maakte dit punt.

Afrondend

Voorzitter, ter afronding kort nog een paar andere punten over het Belastingplan. Mijn fractie is enthousiast over de Box 3-maatregelen. Een flinke stap in de goede richting. Hopelijk vormt het de opmaat naar wat we allemaal willen: het belasten van reëel rendement. Welk tijdpad heeft de staatssecretaris hier voor ogen?

Natuurlijk ligt er geen Regeerakkoord, Miljoenennota en Belastingplan waarin integraal het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie is opgenomen. Er zitten maatregelen in die mijn fractie de wenkbrauwen doen fronsen. Zo is de afschaffing van de dividendbelasting niet onze eerste prioriteit. De taxaties over de impact van deze maatregel lopen uiteen. Ik wil de staatssecretaris met klem vragen de onderbouwing van het wetsvoorstel stevig ter hand te nemen en de te verwachten opbrengsten helder af te zetten tegen de kosten ervan.

Overall gelden er forse plussen in dit Belastingplan: het draagkrachtprincipe in de fiscale pikorde stijgt; belastingen worden groener; en belastingontwijking wordt veel steviger aangepakt. Het Belastingplan ademt ons uitgangspunt dat arbeid goedkoper moet worden en het belasten van ons milieu duurder. Een agenda die doortastendheid en consistentie vereist.

Al met al, voorzitter, ligt er een uitdagende financiële en fiscale agenda. Ik hoop dat de minister en staatssecretaris daar met passie aan zullen werken. Wij wensen hen Gods zegen op hun arbeid.

Gekoppelde documenten
TitelBestandsgrootteMIME-type
20171212 Motie van het lid Ester over marginale druk24.5 kBapplication/msworddownload
Labels
Eerste Kamer
Financiën
Peter Ester

« Terug