Bijdrage Peter Ester aan debat over Wet zorgplicht kinderarbeid

Kleding slavenarbeid.jpgwoensdag 20 december 2017 10:07

De laatste vergaderdag van het kalenderjaar in de Eerste Kamer stond vooral in het teken van het debat over de initiatiefwet van het Tweede Kamerlid Kuiken (PvdA). Senator Peter Ester vertolkte in een afgewogen bijdrage zijn positieve grondhouding tegenover dit voorstel om het wijdverbreide probleem van kinderarbeid niet te laten voor wat het is, maar aan te pakken. Tegelijk had hij ook de nodige uitvoeringsvragen.

Hier kunt u de bijdrage van Peter Ester terugkijken en -luisteren: https://www.eerstekamer.nl/debat_gemist_video?vergaderingid=vkjbo8sjwwy7&guid=bc33289c-96a0-46db-806b-5a54c7b99311&sprkguid=c148b9d3-fbc7-47b2-a0c2-458a5c606774&autostart=1

En onderstaand kunt u zijn bijdrage nalezen.

Mevrouw de Voorzitter,

Mijn complimenten aan mevrouw Kuiken dat zij dit initiatiefwetsvoorstel heeft willen overnemen van haar voormalig collega de heer Van Laar. Het vergt gedrevenheid en doorzettingsvermogen om een initiatiefvoorstel door het parlement te loodsen.

De bestrijding van kinderarbeid is een onderwerp dat mijn fractie na aan het hart ligt. Het is bepaald geen marginaal verschijnsel. Kinderarbeid is in vele landen helaas een veel voorkomend fenomeen en vaak onderdeel van een armoedecultuur. Een cultuur waarin alle gezinsleden worden ingezet om het hoofd boven water te houden. De ILO heeft becijferd dat er in 2016 meer dan 150 miljoen kinderen gedwongen arbeid verrichten, waarvan zo’n 70 miljoen in baantjes die een directe bedreiging vormen voor hun gezondheid en veiligheid. In de textielindustrie, tapijtweverijen, op koffie- en cacaoplantages, en in tin- en goudmijnen. Het gaat daarbij vooral om Azië, de Stille Zuidzee regio en Afrika. 150 miljoen kwetsbare kinderen - meer dan de bevolkingsomvang van Rusland - die zijn afgesloten van primaire levensbehoeften als geborgenheid, zorg en onderwijs. Kinderen van wie de ontwikkeling wordt geblokkeerd en die niet in onbevangenheid kunnen opgroeien. Kinderen die op zeer jonge leeftijd voor een schamel loontje lange dagen maken onder vaak erbarmelijke omstandigheden. Een flagrante schending van hun rechten. Een schending die ertoe leidt dat producenten hun producten tegen absurd lage prijzen op de wereldmarkt kunnen afzetten en zo een ongelijk speelveld creëren waarop het voor goedwillende bedrijven moeilijk concurreren is. Gelukkig laten de cijfers ook zien dat kinderarbeid mondiaal daalt sinds de eeuwwisseling, al stagneert deze daling de laatste jaren weer.

Kinderarbeid is onaanvaardbaar. Internationale actie is noodzakelijk. De Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties zijn terecht ambitieus op dit punt. De wereldgemeenschap wordt opgeroepen maatregelen te nemen die ertoe leiden dat kinderarbeid in 2025 tot het verleden behoort. Maatregelen die maken dat gedwongen kinderarbeid wordt uitgebannen. Ook de ILO, de OESO en de EU hebben richtlijnen uitgevaardigd om kinderarbeid tegen te gaan. De ILO-conventies C-138 en C-182 zijn leidend. Helaas heeft een land als India deze conventies niet geratificeerd.

Nationale inspanningen zijn evenzeer nodig om kinderarbeid een halt toe te roepen en in dit kader ziet mijn fractie dit initiatiefwetsvoorstel. Nu gebeurt er in Nederland al het nodige, ik denk aan de initiatieven en convenanten rond Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO), de inspanningen van vakbonden, kinderrechtenorganisaties en NGO’s, de inzet van maatschappelijke organisaties, kerken, en de aanbestedingsvoorwaarden van de overheid. De brief van Mw. Kuiken van 17 oktober jl. geeft daar nog eens een beeld van. Maar, zoals verschillende sprekers op de deskundigenbijeenkomst van begin oktober stelden: deze convenanten, initiatieven en het voorliggende wetsvoorstel versterken elkaar. Of, zoals mevrouw van der Meij van het MVO Platform concludeerde: er is sprake van “communicerende vaten”. En zo ziet mijn fractie dit ook. Het gaat om “en-en”, niet om “of-of”. Bovendien zijn deze sectorale convenanten veel breder dan kinderarbeid alleen. Kunnen de initiatiefneemster en de minister zich in deze vaststelling herkennen? Ik begrijp overigens dat bedrijven die deze convenanten hebben ondertekend daarmee voldoen aan hun zorgplicht in het kader van dit wetsvoorstel. Kan dat bevestigd worden?

Kern van dit wetsvoorstel is dat consumenten die producten op de Nederlandse markt aanschaffen ervan mogen uitgaan dat de bedrijven die deze producten aanbieden er alles aan doen om te zorgen dat deze producten niet met de inzet van kinderen zijn gemaakt. Indien een bedrijf meermaals in gebreke blijft, wordt er sprake van een strafbaar feit. Door middel van een verklaring geven bedrijven aan dat hun producten “kinderarbeidvrij” zijn.

Daarmee past het wetsvoorstel, zo meent mijn fractie, bij een brede informatiebehoefte onder consumenten om het productieproces van goederen en diensten transparant te maken. Dan gaat het om energieverbruik, milieu-impact en gezondheidseffecten. Het niet gebruikmaken van kinderarbeid past daar goed bij. Consumenten, zo blijkt uit onderzoek, willen geen producten die met kinderarbeid zijn gemaakt. Maar ze kunnen hun attitude alleen in gedrag omzetten als ze ook de benodigde product- en productie-informatie hebben. Het is goed dat de Tweede Kamer-motie die vraagt om het openbaar stellen van het register met de bedrijfsverklaringen, meerderheidssteun kreeg.

Er zijn, ik gaf het al aan, de nodige initiatieven rond de bestrijding van kinderarbeid maar dit wetsvoorstel geeft een juridische verankering van de zorgplicht van bedrijven om geen goederen op de Nederlandse markt af te zetten die met behulp van kinderarbeid zijn gemaakt. Daar ligt de meerwaarde.

Voorzitter, de gedeelde urgentie van het onderliggende probleem van kinderarbeid mag uiteraard niet verhinderen dat de wetgeving zelf solide dient te zijn en aan hoge maatstaven moet voldoen. De Raad van State was kritisch, met name rond kwesties als onderbouwing, uitvoerbaarheid, toezicht en handhaafbaarheid. Mijn fractie stelt vast dat de oorspronkelijke indiener van het wetsvoorstel, de heer van Laar, serieus met deze kritiek is omgegaan. Dat geldt ook voor de behandeling in de Tweede Kamer. We tellen maar liefst vijf nota’s van wijziging. Toch blijven er zorgpunten. Belangrijke zorgpunten zelfs. Ik wil ze graag delen.

In eerste instantie werd de ACM als meest geschikte toezichthouder aangemerkt. Nadien werd dit opener geformuleerd. Tijdens de deskundigenbijeenkomst werd duidelijk dat de ACM zelf weinig heil ziet in deze rol. Als alternatief werd tijdens de meeting de Inspectie SZW en het NCP genoemd. Kunnen initiatiefneemster en minister hun visie op deze kwestie geven? Moet dit punt niet eenduidig beslecht worden? Is er overleg geweest met de ACM? Het komt mij daarbij voor dat het budget voor de toezichthouder, 1 miljoen euro, wel erg bescheiden is. Vaak zal diepgaand onderzoek vereist zijn om de productieketen in kaart te brengen. Bewijsvoering is immers cruciaal. De pakkans van bedrijven die willens en wetens de fout ingaan moet substantieel zijn. De effectiviteit van het wetsvoorstel moet hier niet onder lijden. Het toezicht moet ondubbelzinnig geregeld zijn. Mijn fractie heeft behoefte aan duiding op deze punten. Verwijzing naar de AMvB is onvoldoende.

We hebben het ook over moeilijke materie. Productieprocessen van consumentgoederen strekken zich vaak uit over wijdvertakte en lange ketens, met verschillende toeleveranciers en tussenhandelaren, soms in verschillende landen. Het is niet altijd even makkelijk om de inzet van kinderarbeid in deze ketens boven tafel te krijgen voor bedrijven die aan het einde van de pijplijn zitten. Heeft de initiatiefnemer zicht op de medewerking van Nederlandse bedrijven om de verantwoordelijkheid te nemen die dit wetsvoorstel van hen vraagt? Is er draagvlak? Wat is hier de laatste stand van zaken? VNO-NCW en MKB Nederland zijn kritisch en zetten liever in op de MVO-convenanten. Maar vorige week kregen we een brief waarin een groot aantal CEO’s van internationaal opererende Nederlandse bedrijven hun steun aan het wetsvoorstel gaven. Bedrijven van naam en faam.

De essentie, voorzitter, van het voorstel is dat bedrijven op basis van “due-dilingence”, in goed Nederlands: gepaste zorgvuldigheid, moeten onderzoeken of hun product met behulp van kinderarbeid is vervaardigd om zo nodig een plan van aanpak op te stellen met maatregelen om dit tegen te gaan. Wordt hiervoor een handzaam uniform format ter beschikking gesteld? Wat zijn de minimumvoorwaarden? Dit zal de beoogde zorgvuldigheid ten goede komen. Het gaat, zoals gezegd, om complexe materie. De Memorie van Toelichting geeft aan dat de minister in overleg zal treden met sociale partners om bedrijven hier steun te bieden. Dat alles klinkt mijn fractie te vrijblijvend in de oren. De effectiviteit en efficiency van het wetsvoorstel zal toenemen naarmate de ondersteuning professioneler geregeld is om de productieketen in beeld te brengen. Dat geldt zeker voor de kleinere bedrijven. Mede in dat licht is van belang welke zaken concreet geregeld gaan worden in de AMvB. Graag een reactie.

De wet wordt geacht in 2020 in te gaan en dat geeft bedrijven tijd om hun zaakjes op orde te brengen. Dat betreft zeker bedrijven die al voortvarend aan de slag zijn met de genoemde convenanten. De stok achter de deur, zo begrijp ik het toch, is vooral bedoeld voor bedrijven die achterlopen. De sanctie zelf varieert van een bestuurlijke boete tot strafbaarstelling. Ingebrekestelling wordt geregeld via de Wet economische delicten (WDE). Is daarvoor een aparte wetswijziging noodzakelijk? Zo ja, wat is hier het tijdpad? Hoe worden sancties geïmplementeerd voor buitenlandse bedrijven en internet-bedrijven? Dat lijkt mij bijna ondoenlijk.

Al met al constateert mijn fractie dat elementaire onderdelen van het wetsvoorstel – ik noem het toezicht en de handhaafbaarheid – nader worden uitgewerkt in de AMvB. Dat bemoeilijkt de inschatting van de effectiviteit van het wetsvoorstel. En dat zijn beslissende maatstaven in de beoordeling van de Eerste Kamer van wetsvoorstellen. Mijn fractie heeft behoefte aan een gedegen toelichting op beide punten. De Tweede Kamer heeft om een zware voorhangprocedure gevraagd en minister Ploumen heeft dit toegezegd. Ik neem aan dat de nieuwe minister deze toezegging gestand zal doen. Ik hoor dat graag.

Voorzitter, dan, tot slot, nog meer specifiek drie korte vragen aan de minister. In het Regeerakkoord wordt gewag gemaakt van het voornemen het fonds Bestrijding Kinderarbeid binnen de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking te verhogen. Het gaat om een bedrag van €7 miljoen. Mijn fractie hoort graag hoe dit voornemen zich verhoudt tot de primaire doelstelling van het wetsvoorstel dat nu voorligt. Hoe past dit voorstel in het bredere beleid? Wat zijn hier de ambities?

Kinderarbeid is een gecompliceerd en gelaagd probleem. Dat geldt ook voor de bestrijding ervan. De thematiek rond toezicht, handhaafbaarheid en sancties laat dit duidelijk zien. Het debat van vandaag en de voorbereiding ervan illustreren dit. Het wetsvoorstel voorziet in een evaluatie van de wet na vijf jaar. Mijn fractie wil de minister vragen om gezien deze thematiek de wet breed te evalueren. Ook wat betreft de positie van buitenlandse bedrijven en online-bedrijven die producten afzetten op de Nederlandse markt. Kan de minister dit toezeggen?

Dan de laatste vraag. Vorige maand vond de Global Conference on Child Labour plaats in Buenos Aires. Was ons land hier vertegenwoordigd en heeft dit nog tot nieuwe inzichten geleid?

Voorzitter, ik sluit af. Met dit wetsvoorstel wordt geen einde gemaakt aan het schrijnende fenomeen van kinderarbeid. Daarvoor is het probleem te diep geworteld, zowel economisch als cultureel. En daarvoor is vooral verandering in de landen zelf noodzakelijk. Maar dat is de inzet van het initiatiefvoorstel niet. Wel laat Nederland zien dat het kinderarbeid serieus neemt en dat bedrijfsleven en consumenten een rol krijgen toebedeeld in de strijd tegen uitbuiting van kinderen. Een rol die naar ik hoop een hefboomfunctie kan gaan vervullen.

Deze positieve insteek laat onverlet dat mijn fractie een aantal fundamentele vragen rond het wetsvoorstel heeft. Ik zie uit naar de antwoorden van de initiatiefneemster en de minister.

Labels
Eerste Kamer
Fair Trade
Peter Ester

« Terug