Bijdrage Mirjam Bikker aan debat over wetsvoorstellen gedwongen zorg

Mirjam Bikker - Foto: Rufus de Vries/ChristenUniedinsdag 16 januari 2018 13:44

De eerste vergaderdagen van 2018 in de Eerste Kamer stonden in het teken van het debat over de uitgebreide en complexe wetsvoorstellen gedwongen zorg. Senator Mirjam Bikker vertolkte in een evenwichtige bijdrage haar zorgen over de uitvoerbaarheid van deze ingewikkelde wetten: "De meest kwetsbare mensen in ons land verdienen hele goede zorg. Het zou jammer zijn als ingewikkelde wetten daar een belemmering voor zijn. Ik ben blij dat het kabinet aan de slag gaat met alle betrokkenen in de zorg om dwang te verminderen en de zorg te verbeteren." De wetten worden per 1 januari 2020 van kracht. Bikker was blij dat haar pleidooi bij de bewindspersonen gehoor vond om de implementatie een jaar te verlengen.

Lees hier haar volledige bijdrage.

Voorzitter!

Ook de fractie van de ChristenUnie is verheugd een drietal nieuwe bewindspersonen in de Eerste Kamer te begroeten. Ik wens de ministers en de staatssecretaris een goede tijd, ook in dit huis, maar vooral bevlogenheid en wijsheid bij het dienen van ons land met de portefeuilles die hen zijn toevertrouwd. Vandaag hebben ze als opening van de samenwerking met de Eerste Kamer niet de meest eenvoudige wetsvoorstellen meegenomen. Maar laat dat vooral een aanmoediging zijn tot een goed debat en een uitkomst die op breed draagvlak kan rekenen.

Als ons leven of dat van onze geliefden zo kwetsbaar is dat er zorg nodig is, dan willen we dat het goede zorg is. Die waar mogelijk bijdraagt aan herstel, die de zelfstandigheid en waardigheid van mensen recht doet. Dagelijks proberen vele mantelzorgers, hulpverleners en medici zo goed mogelijk te zorgen. Soms met resultaat van vooruitgang en herstel, soms ook helemaal niet, maar de zorg en nabijheid blijft. De wens om mensen zoveel mogelijk zelfstandig te laten functioneren en zeggenschap te laten houden over hun leven ook. Dwang moet het laatste redmiddel zijn en blijven. Het is goed om de wet- en regelgeving die de gedwongen zorg in goede banen moet leiden tegen het licht van de huidige praktijk en tegen het licht van de ideale praktijk te houden. En ons daarbij af te vragen of Nederland nu een land is waar je  kwetsbaar kan zijn. Is er op tijd passende goede professionele hulp en bescherming, soms ook tegen jezelf, te vinden? Is Nederland daarmee een veilige samenleving? Over die vragen gaat het vandaag. Dat zijn ingewikkelde vragen en dat blijkt eigenlijk ook wel uit de aanloop naar en omvang van de drie wetsvoorstellen die nu voorliggen en niet los van elkaar gelezen kunnen worden.

De fractie van de ChristenUnie steunt de gedachte dat het goed is om het tijdperk waarin de vigerende wet een opnamewet is, achter ons te laten. De nieuwe wetten zijn behandelwetten, hebben oog voor de verschillende gradaties van gedwongen zorg en zien dwang als ultimum remedium. Dat zijn terecht de dragende uitgangspunten die wezenlijk verschillen de huidige wet BOPZ. De reikwijdte moet veranderen: niet alleen de instellingen, maar ook vormen van kleinschalige zorg en zorg aan huis zijn veel vaker aan de orde. Want steeds meer mensen wonen ondanks ziekte of beperkingen langer thuis. Er is daarmee een nieuw juridisch kader nodig dat invulling geeft aan artikel 11 Grondwet.

Maar ondanks die goede onderliggende uitgangspunten leveren de voorliggende wetsvoorstellen echter ook de nodige hoofdbrekens op. Allereerst maakt het lange traject en de vele nota’s van wijziging, deze wetten tot complexe materie. Dat begint al heel letterlijk met het wetsvoorstel Zorg en Dwang. De wettekst die nu nog voorligt en de Memorie van Toelichting zijn onbegrijpelijk zonder de Wet verplichte ggz te kennen. Het is voor iedereen die niet is ingevoerd in de totstandkoming, maar gewoon duidelijk wil krijgen hoe de wet in elkaar steekt en met welk oogmerk keuzes gemaakt zijn, razend ingewikkeld om daar snel een goed antwoord op te krijgen. Mijn fractie had zich een aangepaste Memorie van Toelichting kunnen voorstellen. Heeft de minister, die het voordeel heeft dat hij met een frisse nieuwe blik naar dit geheel kon kijken, die gedachte ook niet alsnog gekregen? Er wordt nu wel aangekondigd dat er allemaal informatie gemaakt gaat worden voor betrokkenen. Maar zou een leesbare bijsluiter bij de wet dat niet het allermeest bevorderen? En hoe zorgt het kabinet dat de nieuwe regelgeving voor alle betrokkenen, dus de verschillende doelgroepen, op een begrijpelijke manier ontsloten wordt? Is dat ruim voordat de wet van kracht wordt?

Een belangrijke vraag van mijn fractie is ook of het huidige gekozen stelsel van een aparte wet verplichte GGZ en een aparte wet voor psychogeriatische en verstandelijk beperkte patiënten verstandig is. De Wet BOPZ is meermaals en zeer omvangrijk geëvalueerd. Dat heeft goede lessen opgeleverd. Maar teruglezend wordt ook wel duidelijk dat eerdere evaluaties hebben plaatsgevonden in een andere tijd. Ik denk nu aan de tweede evaluatie van de wet BOPZ uit 2002. Juist die evaluatie pakt de regering erbij als onderbouwing voor de keuze voor twee wetsvoorstellen. Toen gestart werd met het schrijven van de voorliggende wetten, was dat voorstelbaar. Maar in de loop van de tijd veranderen inzichten. De wetsevaluatie gedwongen zorg van ZonMw uit 2014 luidt echt anders. Ik vind daarbij het meest in het oog springende punt het verschil in rechtsbescherming tussen patiënten in de wet verplichte ggz en degenen die onder de wet zorg en dwang vallen. De regering heeft omstandig betoogd dat de verschillen vooral recht doen aan de eigenheid van de beide doelgroepen en verwijst dan naar de tweede evaluatie wet BOPZ. Maar dat antwoord voldoet mijns inziens nu niet meer. De evaluatie van 12 jaar later laat juist zien dat  bijvoorbeeld in het geval van dwangmedicatie niet valt in te zien waarom de patiënten in de Wvggz een ander niveau van rechtsbescherming hebben dan degenen die onder de Wet zorg en dwang vallen. Waarom is niet alsnog beter gekeken hoe dit meer op een gelijkwaardig niveau gebracht kan worden. Kan de minister dit toelichten?
Het is ook niet eenvoudig om in een procedure van vele jaren een helder en overzichtelijk wetsvoorstel te behouden. De totstandkoming van de wet BOPZ (23 jaar) had een waarschuwing kunnen zijn. De wetten die nu voorliggen onderstrepen dat opnieuw. Het gevaar is daardoor dat de wetgever telkens achter de feiten aanloopt. Is dat niet te voorkomen? Heeft de minister daar een reflectie op? De meest recente evaluatie uit 2014 van de wetten gedwongen zorg is trouwens duidelijk over de beste eindsituatie: één wettelijke regeling en vervolgens differentiatie voor de verschillende sectoren. Daarbij wordt als mogelijkheid genoemd om de beide wetten (Wvggz en WZD) enige jaren naast elkaar te laten functioneren en deze vervolgens te integreren.[1] Ik ben in dat licht heel benieuwd wat de minister van die mogelijkheid vindt. Wat doet hij als de eerstvolgende evaluatie, twee jaar na de inwerkingtreding van de wetten, opnieuw uitwijst dat één wet een veel beter uitgangspunt is? Hij heeft natuurlijk de wetenschap dat resultaten uit het verleden doen vermoeden dat het vervolgens toch nog wel een jaar of wat zal duren voordat de wet daar is.

Voorzitter, ik vervolg mijn betoog nu allereerst meer gericht op de Wet Zorg en Dwang, verder WZD. Naast het niveau van rechtsbescherming, richten de zorgen van mijn fractie zich hier met name op de uitvoerbaarheid en de invulling van de nadere regelgeving. Het stappenplan is omvangrijk geworden, maar tegelijk blijven belangrijke zaken onduidelijk. Neem alleen al de vraag wie er  nu wordt aangemerkt als de zorgverantwoordelijke. Dat kan een ter zake kundige arts zijn of degene die tot een categorie van deskundigen behoort die door de minister in nadere regelgeving gekwalificeerd wordt geacht en vervolgens door de zorgaanbieder is aangewezen. Betekent dit dat de zorgverantwoordelijke een academicus is? Of kan dat de huidige verzorgende, meestal met een MBO-opleiding zijn? Of is die per definitie alleen onder artikel 1 lid 1 sub h als ‘zorgverlener’ terug te vinden? Maar zij zijn toch juist vaak de uitvoerenden van het zorgplan (art 5) ? Kan de minister in elk geval garanderen dat de verzorgende aan tafel zit als er gesproken wordt over het zorgplan? Ik heb er graag duidelijkheid over.

In de Tweede Kamer is als sluitstuk op het stappenplan binnen de WZD de WZD-arts bij amendement in de wet opgenomen. De overwegingen daartoe zijn begrijpelijk voor de ChristenUnie. Echter uit het veld komen signalen dat er ook doelgroepen zijn waar een gedragskundige beter in staat zal zijn om deze rol in te vullen. Hoe waardeert de minister deze signalen? Of is het altijd nodig dat het medisch effect van een dwangmaatregel ook bezien wordt?

Uit de voorliggende stukken krijg ik geen helder beeld welke gevolgen de wet heeft voor de vereiste beroepskwalificaties van zorgverantwoordelijken en zorgverleners. Zijn er bijvoorbeeld genoeg artsen of zorgverantwoordelijken? Zo ja, waar baseert de regering die kennis op? Zo nee, krijgt de minister het voor elkaar om binnen de implementatietermijn tot een aanvaardbaar niveau te komen? En wat is dan aanvaardbaar? Ik zie dit graag nader toegelicht en vind het een belangrijk punt om te volgen.

Ook wat betreft het interne toezicht heb ik nog vragen. Dat wordt zowel bij de zorgaanbieder als bij de WZD-arts gelegd en moet in het zorgplan worden vastgesteld. Het kan daarmee per patiënt en per zorgaanbieder behoorlijk verschillen. Waarom is daar voor gekozen? Welke winst levert deze vage afbakening op?

De Raad van State heeft gewaarschuwd dat de omvang en gedetailleerdheid van het zorgplan er toe kunnen leiden dat het een toetsingskader wordt en daarmee ongewenst te veel zou kunnen leiden tot een juridisering van het zorgproces. In de schriftelijke beantwoording van onze vragen daarover stelt de minister kortweg dat er zoveel is en wordt geïnvesteerd in de cultuuromslag dat er geen zorgen nodig zijn. Wij hopen dat natuurlijk met het kabinet, maar vragen toch ook om hier echt de vinger aan de pols te houden en dit te betrekken bij de evaluatie. Is de minister dat van plan?

Dan de Wet verplichte GGZ. Ook hier geldt als het uitgangspunt dat  verplichte zorg het ultimum remedium is. Pas indien er geen mogelijkheden van vrijwillige zorg meer over zijn en met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, van doelmatigheid en veiligheid is verplichte zorg een optie. Waarbij de kwaliteit van de verplichte zorg goed moet zijn. Maar de nadere invulling van die uitgangspunten is gedurende het wetgevingsproces behoorlijk gewijzigd en dat geldt natuurlijk allermeest voor de positie van het Openbaar Ministerie en de centrale verzoekersrol die daar belegd is. Voor de fractie van de ChristenUnie zijn er op dit punt nog een aantal vragen. Allereerst de aanwezigheid van de officier van justitie op de zitting van de rechter bij de mondelinge behandeling van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging. De wet zegt dat de OvJ daar moet zijn, tenzij evident is dat dit geen toegevoegde waarde heeft. Maar voorzitter, wanneer is iets evident? Wie kan dat voorspellen? En wat als de OvJ zijn aanwezigheid niet evident noodzakelijk vindt maar de betrokkene wel.

Hoe weegt de regering de uitkomsten van de eerste pilots dat deze bepaling alleen in uitzonderlijke gevallen van meerwaarde was? Kan nader worden ingegaan op die bevindingen? Het OM bepleitte zelf een veel striktere formulering. In de literatuur kwam ik nog de suggestie tegen voor mandatering aan gekwalificeerde medewerkers[2]. Ik hoor graag een reactie van het kabinet.

De burgemeester kan op grond van art. 7.1 een crisismaatregel nemen. Maar ook dit artikel roept nog vragen op. De burgemeester moet zo mogelijk betrokkene in de gelegenheid stellen om gehoord te worden. Door wie moet de betrokkene gehoord worden? En wat bedoelt de wetgever met zo mogelijk? Houdt dat verband met de conditie van betrokkene of zijn er meer uitzonderingen mogelijk? Ook de implicaties van het verkennende onderzoek door het college van B&W in art. 5:1 en 5:2 zullen nog nader moeten worden uitgewerkt. Een belangrijke vraag daarbij, die ook bij de VNG leeft, is welke informatie gebruikt mag worden. Welke wettelijke grondslag is er om informatie te vergaren? En hoe wordt de afweging gemaakt als het bijvoorbeeld van belang wordt geacht om na te gaan of degene over wie de melding gaat al een vrijwillig zorgtraject doorloopt. In hoeverre wordt de privacy van betrokkene gewogen? Welke ondersteuning is er voor kleine gemeenten?

Het wetsartikel dat de meeste vragen oproept is art. 2.3 Wet forensische zorg in relatie tot de Wet verplichte GGZ. Hier raken het civielrechtelijke en het strafrechtelijke vermengd, en artikel 37 WvSr wordt bovendien geschrapt. Zowel het OM als de raad voor de rechtspraak zien een leemte ontstaan. Kan de minister toelichten waarom hier gekozen is voor 2 circuits en dit niet binnen het strafrecht geregeld kan worden? Hoe kan het dat er niet goed rekening is gehouden met het feit dat er geen cassatie mogelijk is tegen beslissingen van de penitentiaire kamer en wel tegenbeslissingen binnen het kader van de Wvggz. Is dat geen recept voor brokken? Graag een reactie.

Ik vervolg met de wet forensische zorg. De fractie van de ChristenUnie is nog niet overtuigd dat de huidige voorgestelde regeling voor weigerende observandi de beste is. Want ja, het is onverteerbaar als verdachten niet meewerken aan onderzoek, TBS ontlopen en na hun straf vrij komen terwijl een behandeling eigenlijk noodzakelijk moet worden geacht. Maar worden de mogelijkheden die de huidige wet biedt dan nu wel op de juiste manier ingevuld? En heeft de voorgestelde regeling niet als groot gevaar dat potentiële verdachten zorg gaan mijden? Waardoor eventuele behandeling die erger had kunnen voorkomen niet plaatsvindt. De autoriteit persoonsgegevens voor wie de doorbreking van het medisch beroepsgeheim zwaar weegt, heeft de Eerste Kamer doen kennis nemen van een alternatieve oplossing. Die onderscheid maakt tussen straf en maatregel en het medisch beroepsgeheim in stand houdt. Maar weigeraars komen niet weg met weigeren van onderzoek tijdens het strafproces. Hoe kijkt de minister naar dit alternatief, is hij bereid het te overwegen in plaats van het huidige voorstel voor weigerende observandi? Want is de nu voorgestelde regeling eigenlijk wel werkbaar? Ik heb het zo begrepen dat een commissie zal bezien of in het medisch dossier relevante stukken zitten voor de strafzaak, dat de Officier van justitie aan de penitentiaire kamer om een machtiging van gebruik daarvan moet vragen. Als de penitientiaire kamer daarover moet beslissen kan ze enkel de voorzitter van de commissie volgen en niet de stukken zien. Hoe kan zo’n kamer nou oordelen zonder de stukken te zien? Verwacht de minister daar echt geen problemen?

Voorzitter, ik kom tot een afronding. De fractie van de ChristenUnie heeft zorgen als het gaat om de complexiteit en samenhang van deze wetten, de verschillende gradaties van rechtsbescherming van patiënten, de invulling van nadere regelgeving, de uitvoerbaarheid en de implementatie. Bij de wet forensische zorg moet ik bovendien nog overtuigd raken van de effectiviteit van de voorgestelde regeling voor weigerende observandi. Tegelijk ziet mijn fractie zeker dat de wet BOPZ niet meer voldoet. Ik kijk daarom uit naar de beantwoording van de ministers en de staatssecretaris. Zij staan aan het begin van een nieuwe kabinetsperiode en kunnen zich juist voor de meest kwetsbaren in onze samenleving inzetten om hen nog betere zorg te geven en een goede plek in een veilige samenleving. Dan komt het er op aan dat wetten aansluiten bij de praktijk die er is in de zorg en richting geven bij de idealen die we hebben om dwang steeds meer uit de zorg te laten verdwijnen.

Via de website van de Eerste Kamer is het gehele debat terug te luisteren en te lezen: https://www.eerstekamer.nl/verslagdeel/20180115/verplichte_geestelijke.



[1] Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg, 2014, p.341.

[2] Dijkers, Tijdschrift voor gezondheidsrecht, 2017/1.

Labels
Eerste Kamer
Mirjam Bikker
Zorg, Welzijn & Sport

« Terug