Bijdrage Peter Ester aan debat over verdringingstoets

Foto Peter Ester - hoge resolutiedinsdag 06 maart 2018 15:46

Vandaag debatteert de Eerste Kamer over het initiatiefvoorstel van Karabulut, waarmee een verdringingstoets wordt geïntroduceerd om ongewenste verdringing op de arbeidsmarkt te voorkomen. Het tegen willen gaan van verdringing is natuurlijk sympathiek, maar of de voorgestelde verdringingstoets het juiste middel is betwijfelt senator Peter Ester sterk. Lees in zijn bijdrage waarom.

Mevrouw de Voorzitter,

Ook mijn complimenten aan de initiatiefneemster voor het feit dat zij dit wetsvoorstel na aanvaarding in de Tweede Kamer nu hier vandaag in de senaat kan verdedigen. Het kost veel tijd, energie en overredingskracht om een wetsvoorstel zo ver te brengen. Kern van het initiatiefvoorstel is het beschermen van werknemers tegen oneerlijke concurrentie door personen in de bijstand. Verdringing duidt dan op de vervanging van betaalde door onbetaalde krachten. De verdringingstoets geeft gemeenten een instrument om dit tegen te gaan. Ik wil mijn bijdrage rond een vijftal vragen componeren die voor de ChristenUnie bepalend zijn in het oordeel over dit initiatiefwetsvoorstel.

De eerste vraag die gesteld moet worden – een klassieke vraag in dit huis – is hoe groot het onderliggende probleem nu eigenlijk is. Met andere woorden: is de omvang van het verdringingsprobleem dusdanig dat nieuwe wetgeving geboden is? Het antwoord op deze proportionaliteitsvraag is niet in het voordeel van het wetsvoorstel. Mij is geen diepgaand wetenschappelijk onderzoek bekend dat het fenomeen van verdringing als hier bedoeld onomstotelijk vaststelt en dat laat zien dat er sprake is van een hardnekkig, omvangrijk en groeiend probleem in de afgelopen twintig jaar. De Memorie van Toelichting maakt vooral melding van ad hoc onderzoek en verhalen in de media. Maar termen als “signalen”, “berichten”, “geluiden” kwalificeren zich niet als voldoende bewijsvoering.

Het mainstream wetenschappelijk onderzoek, zo zeg ik op basis van eigen waarneming, richt zich vooral op wat veel weg heeft van de omgekeerde beweging: het verdringen van lager opgeleiden door hoger opgeleiden. Dit laatste is een courant vraagstuk in de arbeidsmarkteconomie en arbeidsmarktsociologie. En dat is de verdringingsthese die in de wetenschappelijke literatuur opgeld doet en die ook in ons land tot het nodige onderzoek heeft geleid.

Dit alles, voorzitter, maakt het voor mijn fractie moeilijk om mee te gaan in de conclusie dat er sprake is van een dwingend probleem dat een dringende oplossing behoeft. Ook de antwoorden van de initiatiefneemster in de schriftelijke voorbereiding waren in dit opzicht weinig overtuigend. Ik wil nogmaals vragen om een gedegen onderbouwing van de proportionaliteitskwestie; het gaat hier immers om een aangelegen beoordelingscriterium van wetsvoorstellen in de Eerste Kamer. Ik leg deze vraag ook aan de staatssecretaris voor, die ik overigens van harte welkom heet aan deze kant van het Binnenhof.

De tweede vraag is waarom er een landelijke kop op gemeentelijk arbeidsmarkt- en bijstandsbeleid moet worden gezet. Gemeenten hebben in het kader van de Participatiewet immers eigen mogelijkheden om in te grijpen indien verdringing zich voordoet. Ik verwijs naar artikel 9 en 10 van de Participatiewet. Zij zijn ook gezien de decentralisatie van het beleid de aangewezen actor om hier iets aan te doen. Zij kunnen dat prima zelf beoordelen. Zij kennen immers de lokale arbeidsmarkt. Waarom, zo vraagt mijn fractie, is hier landelijk beleid geboden? Welke urgentie doet zich voor om nu met een verdringingstoets te komen? Gemeenten zijn immers primair verantwoordelijk voor het bijstandsbeleid en het lokale arbeidsmarktbeleid. Indien verdringing zich voordoet, zijn zij de eerst aangewezenen om in te grijpen. Daar moet de afweging plaats vinden. Wat voegt het wetsvoorstel hier inhoudelijk aan toe? Ook op dit punt moet mijn fractie overtuigd worden. Het lijkt er toch op dat de gemeentelijke verantwoordelijkheid hier aan banden worden gelegd.

De derde vraag, voorzitter, is wat het wetsvoorstel nu precies betekent voor mensen die in een re-integratietraject zitten. Zij zullen immers via werktrajecten naar de arbeidsmarkt worden herleid. Werkritme en werkervaring vergroten hun arbeidsmarktkansen. Theoretisch kan hier sprake zijn van verdringing van betaalde werknemers. Vallen deze personen nu wel of niet onder het regime van het wetsvoorstel? Graag een antwoord op deze voor mijn fractie wezenlijke vraag. Het gaat hier om een kwetsbare groep die terug wil keren naar de reguliere arbeidsmarkt en daarin ondersteund wordt. Ik begrijp overigens uit de Tweede nota van wijziging dat de verdringingstoets niet van toepassing is op arbeidsbeperkten waarvoor de werkgever een loonkostensubsidie ontvangt. Beschut werk en de sociale werkvoorziening vallen evenzeer buiten de scope van het wetsvoorstel. Het is goed om dat hier plenair te onderstrepen.

Personen die in het kader van social return, bijvoorbeeld via een gemeentelijk aanbestedingstraject, werkzaamheden verrichten, vallen nadrukkelijk wel onder het regime van dit initiatiefvoorstel. Ook hier is de vraag aan de orde waarom we in de bevoegdheden van gemeenten willen treden. Zij kunnen eigen argumenten hebben om deze kwetsbare groep een extra duwtje in de rug te geven. Moeten we daar wel tussenbeide willen komen, zo vraagt mijn fractie de initiatiefneemster. En hoe ligt deze kwestie voor bijvoorbeeld vluchtelingen die met steun van de gemeente een bestaan willen opbouwen in Nederland. Zijn ook zij aan de verdringingstoets onderworpen? En zo ja, betekent dit niet een enorme verschraling van de inzet van arbeidsmarktinstrumenten voor ook deze kwetsbare groep?

Voorzitter, dan kom ik bij de vierde vraag. Ik associeer het potentiële nut van een verdringingstoets toch vooral met een economie die zich kenmerkt door langdurige hoge werkloosheid. Met een forse economische crisis. Immers, dan hebben werkgevers het voor het kiezen en zullen zij de voor hen goedkoopste arbeidskrachten selecteren. Dan is de arbeidsreserve groot. En mensen in de bijstand behoren tot deze groep. Dat verhaal gaat echter niet op voor een economische opbloei zoals we die nu meemaken. Dan is de arbeidsreserve klein. Dan ligt het primaat veel meer bij de werknemers; dit ondanks een substantiële langdurige werkloosheid onder bepaalde groepen.

De arbeidsmarktcijfers van het CBS van drie weken geleden maken deze omslag duidelijk. Het CBS spreekt zelfs van een “gespannen arbeidsmarkt”. Er is sprake van verkrapping: tegenover iedere vacature staan steeds minder weinig werkzoekenden. Ter illustratie: in 2013 stonden tegenover iedere vacature 7,1 werkzoekenden, nu is dat tot onder de twee werkzoekenden gedaald. Het aantal banen ligt nu boven de 8 miljoen; hoger dan ooit. En het aantal vacatures steeg eveneens naar grote hoogte, naar ruwweg een kwart miljoen. Werkgevers moeten alles uit de kast halen om concurrerend op de arbeidsmarkt te zijn en in sommige sectoren is sprake van een “war for talent”. Werkgevers weten dat ze de portemonnee moeten trekken om nieuwe werknemers aan zich te binden, om via ruimhartiger primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden het verschil op de arbeidsmarkt te maken. Verdringing van betaalde door onbetaalde arbeidskrachten is dan echt niet aan de orde.

Dit is bepaald niet het recessiebeeld dat het wetsvoorstel lijkt te ademen. Graag hoor ik van de initiatiefneemster hoe zij nut en noodzaak van de door haar voorgestelde verdringingstoets beoordeelt in het licht van deze krappe arbeidsmarkt. Botsen de onderliggende vooronderstellingen niet? Hoe maakt zij aannemelijk dat in een sterk aantrekkende economie, uitkeringsgerechtigden betaalde arbeid verdringen? Dat er sprake is van oneigenlijke concurrentie? Wat is hier de diepere logica? Mijn fractie moet echt op dit punt overtuigd worden. Ik hoor ook graag de opvattingen van de staatssecretaris over deze kwestie. Als er al gesproken kan worden van verdringing, is deze dan niet vooral en alleen van cyclische aard en dan juist in omgekeerde richting dan het wetsvoorstel veronderstelt?

Dan de vijfde en laatste vraag aan de initiatiefneemster. Het opstellen en uitvoeren van de verdringingstoets zelf wordt bij AMvB geregeld en moet zijn weg vinden naar gemeentelijke verordeningen. De initiatiefneemster reikt daarbij een zestal leidende vragen aan. Deze zijn nog eens samengevat in de Nadere Memorie van Antwoord van 9 januari jl. De initiatiefneemster lijkt uit te gaan van een wel erg hoekige definitie van verdringing. Een onbetaalde activiteit verdringt en betaalde activiteit doet dat niet. Een digitale opvatting: het is 0 of het is 1. Maar er is een fors schemergebied en overloop tussen beide activiteiten; eenduidigheid is vaak ver te zoeken. In de schriftelijke voorbereiding kwam dat ook al aan de orde. Een moderne arbeidsmarkt is dynamisch en vaak disruptief. Verdringing vindt ook plaats op het niveau van betaalde banen: nieuwe banen die oude banen overnemen of overbodig maken. We zien dit op grote schaal gebeuren door automatisering die administratieve banen verdringt. Hoe passen deze ingrijpende arbeidsmarktontwikkelingen in het denken van de initiatiefneemster?

Het vaststellen, voorzitter, van verdringing op microniveau is complexe materie waar zich ingewikkelde vragen van causaliteit voordoen. Toon maar eens aan dat het verrichten van onbetaalde arbeid door een persoon met een uitkering in causale zin tot verdringing van betaalde arbeid door een andere persoon in een bedrijf of organisatie leidt. Tot onomstotelijke bewijsvoering dat in voorkomende gevallen zelfs de opmaat kan vormen naar bestuursrechtelijke of zelfs strafrechtelijke vervolging. Werkgevers zullen zich hier zeer terughoudend gaan opstellen. Heeft de initiatiefneemster contact gehad met velddeskundigen om zich te laten adviseren hoe een dergelijke toets te ontwerpen? Deze moet immers én valide én betrouwbaar zijn. De initiatiefneemster legt dit probleem wel erg makkelijk op het bordje van de staatssecretaris van SZW. Ik hoor ook graag hoe de staatssecretaris dit ziet.

Voorzitter, ik sluit af. Mijn fractie heeft moeite met dit voorstel en heeft behoefte aan nadere duiding. De omvang van het onderliggende probleem – verdringing van betaalde arbeid door onbetaalde krachten – blijft wazig waarmee de proportionaliteit van het wetsvoorstel in het geding is. Dat geldt zeker ten tijde van een krappe arbeidsmarkt en een economie die sterk herstel vertoont. Als er al sprake is van verdringing op de arbeidsmarkt dan kunnen gemeenten in het kader van de decentrale Participatiewet hun verantwoordelijkheid nemen en daar is geen Haags instrumentarium voor nodig. Arbeidsmarkten zijn lokaal en regionaal en we hebben het beleid daarom terecht gedecentraliseerd. De mogelijke impact van het wetsvoorstel op kwetsbare groepen die een weg zoeken naar de arbeidsmarkt baart ons zorgen. Bovendien moeten we constateren dat het draagvlak voor het wetsvoorstel bepaald niet overhoudt, gelet op de reactie van VNG, Cedris, Divosa en werkgeversorganisaties. Ook de Raad van State heeft kritische kanttekeningen en noemt het wetsvoorstel prematuur en is niet overtuigd van de toegevoegde waarde ervan gezien de mogelijkheden van bestaande wetgeving om verdringing tegen te gaan.

Voorzitter, de voorganger van deze staatssecretaris, mevrouw Klijnsma, ontraadde het initiatiefwetsvoorstel in haar brief van een jaar geleden. Mijn fractie vraagt de nieuwe staatssecretaris wat haar oordeel over het wetsvoorstel is. Deelt zij de motiveringen en afwegingen van de vorige staatssecretaris en wat is haar uiteindelijke oordeel? Indien verdringing zoals bedoeld door de initiatiefneemster zich op grote schaal voordoet, dan hebben we een serieus maatschappelijk probleem. Mijn fractie moet daarvan wel een overtuigende onderbouwing zien. Wij zijn benieuwd naar de antwoorden van de initiatiefneemster en de staatssecretaris op onze vragen in eerste termijn.

Labels
Eerste Kamer
Peter Ester

« Terug