Ester: 'Voor internetvrijheid voor velen, keuzevrijheid voor enkelen niet offeren'

Peter Ester rand fontein zoomdonderdag 10 mei 2012 11:07

Plenaire bijdrage van Peter Ester bij Wetsvoorstel 32 549 Wijziging van de Telecommunicatiewet ter implementatie van de herziene telecommunicatierichtlijnen en 32 403 Verzamelwet Verkeer en Waterstaat 2010, 8 mei 2012

MdV,

Telecommunicatie heeft de wereld ingrijpend veranderd. De snelle ontwikkeling van internet, mobiele telefonie en digitale media doordringt alle lagen van ons bestaan. De telecommunicatierevolutie heeft onze woningen doen veranderen in kleine elektronicawinkels. Het verandert de manier waarop we leven en denken. Het verandert de manier waarop we communiceren en werken. Zelfs in dit Huis zijn de gevolgen merkbaar. Senatoren zijn met hun hypermoderne i-Pads, digitale “whiz kids” op leeftijd geworden. Maar deze nieuwe mogelijkheden stellen ons ook voor nieuwe uitdagingen. We moeten nieuwe codes – waaronder gedragscodes – uitdenken en munten. En er moeten nieuwe regels komen rond de bescherming van de consument. De gemiddelde consument heeft geen idee van de digitale sporen die hij of zij nalaat. Geen idee van hoe privacy geborgd wordt. Het wetsvoorstel rond de wijziging van de Telecommunicatiewet dat wij vandaag bespreken ambieert de bescherming van de consument op het terrein van de telecommunicatie te verbeteren. Dat is een lofwaardig streven. Een zeer lofwaardig streven zelfs. Toch wil mijn fractie twee fundamentele zaken meer expliciet in het debat met de minister onder de aandacht brengen, ook in relatie tot de Verzamelwet Verkeer en Waterstaat.

 

Privacy

Het eerste aandachtspunt, MdV, van mijn fractie betreft de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer. In dit kader stelt de minister dat het toenemend gebruik van internet en het gebruik van hoogwaardige technologieën gebruikers aan extra gevaren blootstelt. Een voorbeeld is dat verkeerd gebruik van cookies kan leiden tot een ongeoorloofde inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer. Dit gebeurt onopgemerkt en zonder dat burgers daar zelf invloed op hebben. De minster vindt daarom extra consumentenbescherming noodzakelijk. Mijn fractie deelt die analyse, maar vraagt zich af of dit wetsvoorstel komt met voldoende concrete verbeteringen ten behoeve van de consument. Ik wil een paar punten aanstippen bij enkele voorgestelde maatregelen.

Ten eerste het toestemmingsvereiste. Voor het plaatsen van cookies moet toestemming aan de gebruiker worden gevraagd. Wat dit vereiste precies inhoudt, blijft onduidelijk, maar toestemming door middel van browserinstellingen wordt geopperd als een mogelijk vereiste. Dat lijkt geen werkelijke verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Mijn fractie begrijpt dat een ondubbelzinnige toestemming – hetgeen de regering in eerste instantie voorstelde – door de sector als te ingrijpend wordt ervaren. Maar er mist een aanzet om tot een werkbaar alternatief te komen, of de sector te dwingen hier scherper over na te denken. Mijn fractie betreurt dat. De internetgebruiker heeft behoefte aan solide bescherming van de privacy, maar krijgt die onvoldoende. En dat terwijl de ontwikkelingen op het gebied van internet, mobiele telefonie en media in hoog tempo doorgaan. Wat vindt de regering bijvoorbeeld van de opkomst van zogenaamde “flash cookies”, die zich nestelen in verborgen plekken op de computer? Wat zijn de kaders waarbinnen ze dit soort nieuwe ontwikkelingen beziet? En welke rol ziet ze voor zichzelf: sterk regulerend, of alleen kaderscheppend zodat de markt zelf met oplossingen kan komen? Graag een reactie.

Dan kom ik bij de meldplicht bij veiligheidsinbreuken die leiden tot, ik citeer: “het verlies, ongewild vrijkomen, diefstal of misbruik van persoonsgegevens”, en de verplichting van aanbieders om de gebruiker “duidelijke en volledige informatie” te verstrekken overeenkomstig de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Je kunt je afvragen of dit werkelijk iets veranderd. Ik durf bijvoorbeeld de stelling wel aan dat wanneer een internetaanbieder niet meldt dat gegevens zijn gestolen, zijn gedrag ook zonder deze wet als laakbaar zou worden beoordeeld door een rechter. Ook op dit punt graag een reactie.

Mijn fractie heeft er begrip voor dat het adequaat en alert reageren op alle nieuwe ontwikkelingen in de grenzeloze digitale wereld veel van de overheid vraagt. Maar we zouden graag iets meer ambitie zien, zeker gezien het grote belang van het structureel verbeteren van de bescherming van de consument.

 

Netneutraliteit en filtering

Dan het tweede – voor mijn fractie zeer wezenlijke – aandachtspunt: netneutraliteit en filtering. Wij zijn voorstander van netneutraliteit. Over de reikwijdte van netneutraliteit zelf heeft de ChristenUnie-fractie nog wel een vraag: hebben wij het goed begrepen dat netneutraliteit de vrijheid van de burger niet aantast om zèlf filters te installeren die ongewenste websites blokkeren? Blijft de regiemacht hier bij de burger als consument? Blijft deze vrijheid onverlet? Graag een eenduidige reactie van de minister op dit voor mijn fractie elementaire punt.

MdV, er is ook een groep gebruikers die een dergelijk filter niet zelf wil installeren, maar die de provider vraagt om deze filtering voor hen te doen.  Dit is een diverse groep gebruikers: sommigen van hen worden gedreven door religieuze motieven, andere gebruikers zijn bezorgde ouders die hun ICT-vaardige kinderen beter willen beschermen. In het wetsvoorstel ter wijziging van de Telecommunicatiewet ziet  artikel 7.4a lid 1 sub eop deze gevallen. Mijn fractie staat positief tegenover deze regeling, maar heeft daarover nog wel een vraag. Lid 1 sub e stelt dat alleen aanbieders die voor 1 juni 2011 op uitdrukkelijk verzoek van consumenten diensten en toepassingen belemmerden op grond van door,ik citeer, “de abonnee gespecificeerde ideologische motieven”, onder de uitzonderingspositie van dit lid vallen. Mijn fractie hoort graag of levenbeschouwelijke motieven door de minister ook worden geschaard onder de categorie ideologische motieven.

Helaas is er de mogelijkheid dat artikel 7.4a lid 1 sub e de Telecommunicatiewet niet zal sieren. Via artikel XIVA van de Verzamelwet Verkeer en Waterstaat – die wij hier vandaag ook bespreken –  wordt deze regeling op weinig elegante wijze geschrapt. Mijn fractie heeft grote bedenkingen bij de weg die in de Tweede Kamer is gekozen om een stemfout te repareren. Wij zijn überhaupt geen fan van verzamelwetten, omdat ze de afweging van het parlement – in het bijzonder in dit Huis, waar amendering niet meer mogelijk is – er niet zuiverder op maken. Maar dit keer stelt het mijn fractie voor een wel heel vervelend dilemma. We zijn namelijk vóór het wetsvoorstel in zijn huidige vorm en we zijn niet tegen de Verzamelwet, met uitzondering van het artikel XIVA, dat eigenlijk niets met Verkeer en Waterstaat te maken heeft.

Maar belangrijker nog, deze bepaling  miskent dat voor een diverse groep gebruikers in onze samenleving, toegang tot internet alleen een optie is wanneer de provider filtert. In feite ontzegt de Verzamelwet Verkeer en Waterstaat deze groep de toegang tot het internet. Kan de minister uitleggen waarom dit nodig is? Mijn fractie snapt de huiver voor mazen in de wet als het gaat om netneutraliteit. Maar van een op zichzelf uitstekend principe als netneutraliteit zou een groep gebruikers met specifieke wensen op grond van principiële of religieuze motieven toch geen last moeten hoeven hebben. De bepaling van artikel 7.4a lid 1 sub e tracht dit ook wettelijk tot uitdrukking te brengen. Waarom zouden we deze oplossing alsnog moeten laten sneuvelen? Kan er voor deze groep nog op een andere manier een uitzondering gemaakt worden, mocht artikel 7.4a lid 1 sub e via de Verzamelwet worden geschrapt? En klopt mijn indruk dat we hier verder zouden gaan dan de Europese richtlijn voorschrijft? We zijn in dit Huis altijd terecht kritisch geweest over een nationale kop op implementatiewetgeving. Ik hoor graag hoe dat rond dit onderwerp ligt. Verder ben ik benieuwd naar de juridische gevolgen. Verwacht de minister een schadeclaim van bedrijven die internetfiltering aan de bron aanbieden?

Wij stellen een beantwoording van de minister van deze kernvragen zeer op prijs. Het wil er bij mijn fractie niet in dat internetvrijheid voor velen, alleen kan bestaan als we keuzevrijheid voor enkelen offeren. Hier moet een oplossing te vinden zijn. Dat is voor ons – en voor een belangrijke groep in de samenleving – een principiële kwestie. Ik overweeg rond deze kwestie een motie in te dienen.

 

MOTIE ESTER

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende, dat internetfiltering aan de bron op dit moment mogelijk
is,

constaterende, dat deze mogelijkheid binnen het uitganspunt van de
contractvrijheid valt,

constaterende, dat deze vorm van internetfiltering zeer belangrijk is voor
een aanzienlijke groep gebruikers met pedagogische en principiële
motieven,

constaterende, dat voor een groot deel van hen alternatieve vormen van
internetfiltering niet acceptabel zijn,

spreekt uit voorstander te zijn van netneutraliteit,

verzoekt de regering om de mogelijkheid te creëren voor aanbieders van
internettoegangsdiensten om tegemoet te komen aan een uitdrukkelijk
verzoek van de abonnee om diensten of toepassingen op grond van door
de abonnee gespecificeerde ideële motieven te belemmeren, mits de
aanbieder de abonnee voor dit verzoek geen geldelijk of ander voordeel
biedt en de aanbieder de mogelijkheid om aan een dergelijk verzoek te
voldoen reeds voor 1 juni 2011 aanbood,

en gaat over tot de orde van de dag.

Ester
Franken
Reuten
Bröcker
Holdijk

 

Labels
Eerste Kamer
Peter Ester

« Terug

Nieuwsarchief > 2012 > mei