Peter Ester: 'Blij dat belangen van jongeren serieus worden genomen'

Peter Ester - Foto: Anne Paul Roukema / ChristenUniedinsdag 20 mei 2014 18:09

ChristenUnie-senator Peter Ester is blij dat het kabinet de kritiek van de Eerste Kamer op de pensioenvoorstellen serieus heeft genomen. 'Er ligt nu een veel beter voorstel dan een half jaar geleden. De maximumopbouw wordt minder ingrijpend verlaagd en de belangen van jongere generaties worden serieus genomen.' Lees hieronder zijn hele bijdrage.

Bijdrage van Peter Ester aan het debat over de novelle bij de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen en het Belastingplan 2014. ChristenUnie-fractie, 20 mei 2014

MdV,

Het is al weer zeven maanden geleden dat we in dit Huis een gedenkwaardig debat hadden over de aanpassing van het Witteveenkader rond de pensioenopbouw. Een debat dat sterk in de publieke en politieke belangstelling stond. Een debat ook dat er toe leidde dat het wetsvoorstel de eindstreep niet haalde en voerde tot de novelle die we hier vandaag bespreken. Ook mijn fractie had forse kritiek op het voorstel dat in onze ogen geen recht deed aan de noodzaak van een duurzaam en generatiebestendig pensioenstelsel dat zicht biedt op een goed pensioen voor iedereen. Het voorstel zoals dat nu voorligt, beantwoordt aanmerkelijk beter aan dit uitgangspunt. In deze bijdrage, voorzitter, wil ik de meetlat die ik gebruikte bij het toenmalige wetsvoorstel ook leggen langs de pensioennovelle die we nu behandelen. Dat onderstreept de continuïteit in de wijze waarop de ChristenUnie-fractie naar ons pensioenstelsel kijkt. Ik heb het dan over de hoogte van het opbouwpercentage om een goed pensioen te kunnen bereiken, de borging van de beoogde premieverlaging, een rechtvaardige verdeling over de generaties, een stevig pensioenplan voor zzp-ers, het niet invoeren van de curieuze excedentregeling en het toewerken naar een integrale visie op een duurzaam en generatiebestendig pensioenstelsel. Een aantal van deze punten zijn in de pensioennovelle geadresseerd, een aantal andere punten vinden hun weg naar aangekondigde wetsvoorstellen.

Allereerst dan de aanpassing van het fiscale kader van de maximumopbouw en de premiepercentages. Het nieuwe opbouwpercentage wordt gemaximeerd op 1,875% - met een aftoppingsgrens van € 100.000 - dat na 40 jaar werken moet resulteren in een pensioen van ca. 75% middelloon. In vergelijking met het percentage van 1,75% in het eerdere wetsvoorstel is dat over deze 40 jaar bezien een behoorlijke verbetering. Mijn fractie is daar verheugd over, maar tekent wel aan dat met dit opgehoogde percentage tevens de benedengrens in beeld komt. De ontwikkelingen op de arbeidsmarkt zijn immers zeer ongewis. De trends naar flexibilisering en fragmentering zullen nog wel even doorzetten waardoor ononderbroken loopbanen geen vanzelfsprekend gegeven meer zijn. Het ontslagrecht - we komen daarover nog te spreken bij de behandeling begin volgende maand van de WWZ - wordt versoepeld, werknemers zullen meer transities op, naar en van de arbeidsmarkt maken, arbeidsmobiliteit zal toenemen en het hoge aantal zzp-ers is niet meer weg te denken. Loopbanen worden grilliger en diffuser, zo mag de conclusie wel luiden. Er zal vaker van baan, functie en contract worden gewisseld. De vraag die mijn fractie de bewindslieden wil stellen is hoe zij deze versplintering van de arbeidsmarkt beoordelen en de gevolgen die dit in hun ogen heeft voor het kunnen bereiken van een werknemerspensioen van 75% middelloon. Is een netto arbeidstraject van 40 jaar reëel? Hoe plausibel is de onderliggende redenering?

Voorzitter, mijn fractie heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat een versobering van het maximumopbouwpercentage samen moet gaan met premieverlaging. Dit zijn immers communicerende vaten. Het is goed dat er een aantal – maar liefst negen – premiewaarborgen zijn ingebouwd die tot verlaging van de premie moeten leiden. DNB heeft daarbij een leidende rol en zal toezien dat de betrokken belangen – waaronder generatiebelangen – op zorgvuldige en evenwichtige wijze zijn meegewogen. Daarvoor is een beoordelingskader ontwikkeld en is sanctiebeleid voorzien. Ook de interne governance van de pensioenfondsen wordt aangescherpt rond de premievaststelling. Zij moeten de premieopbouw in de jaarrekening transparant maken en vooraf aan het eigen verantwoordingsorgaan voorleggen. Uiteraard moeten we afwachten in welke mate deze premiewaarborgen precies doorwerken. Maar dat ze er zijn, is winst. Ze zijn ook nodig. Ook vanuit intergenerationeel oogmerk. Het CPB heeft berekend dat een versobering van de jaarlijkse pensioenopbouw met een navenante verlaging van de premie beperkte generatie-effecten heeft. Voor de gepensioneerden is er een effect van nul, de oudere werkende generaties verliezen iets en de jongere werkende generaties gaan er licht op vooruit. Gelet op het belang van dit onderdeel in de hele pensioenketen en de relatief geringe regiemacht van de overheid op het punt van premievaststelling, wil mijn fractie de bewindslieden vragen het parlement jaarlijks uitvoerig te rapporteren over de premieontwikkeling bij de pensioenfondsen en DNB te verzoeken ferme conclusies op dit wezenlijke punt niet te schuwen. Het gaat hier immers om een kernbestanddeel van het wetsvoorstel. Kunnen de bewindslieden dit toezeggen?

Uit de cijfers blijkt dat als gevolg van de aanpassing van het Witteveenkader door het Lenteakkoord de pensioenpremie in 2014 is gedaald van 19,2% naar 17,6% van het salaris. Dat is mooi en dat kleurt de verwachtingen positief. Maar de overheid bepaalt de pensioenpremies niet, dat doen de fondsen. De overheid bepaalt ook niet hoe de verlaging van premies doorwerkt in het loon van werknemers, dat doen de sociale partners bij de Cao-besprekingen. Maar als de regiemacht van de overheid rond de doorvertaling van pensioenpremies ergens wel substantieel is, dan is dat in de eigen sector. De overheidssector dus. De overheid is bovendien de grootste werkgever van Nederland. Defensie en Politie bevinden zich in de top-3 qua aantallen werknemers. Het verheugt mijn fractie dan ook dat de pensioenpremie van het ABP van 2013 op 2014 met 3,8%-punt gedaald is. Maar bij deze constatering moet het niet blijven. Welke waarborgen gaat het kabinet inbouwen dat deze daling ook in volgende jaren geheel zal doorwerken in de premie? Wat gaat daarbij de inzet worden van het kabinet in Cao-onderhandelingen in de overheidssector rond het werkgeversdeel van de pensioenpremie, nu en in de komende jaren? Is er kabinetsbeleid op dit punt afgesproken? En zo ja, hoe luidt dit beleid dan? Dit is immers de beste testcase van hoe de overheid zelf verantwoordelijkheid neemt.

Voorzitter, voor de ChristenUnie-fractie is solidariteit tussen de generaties een groot goed. Dat geldt zeker ook voor het pensioendebat. De pensioenaanspraken van de huidige generatie pensioengerechtigden dienen serieus genomen te worden, maar zeker ook de belangen van de jongere generatie – het cohort van de toekomstige generatie pensioengerechtigden – dienen scherp op ons netvlies te staan. Het is de stem van een generatie die in het pensioendebat veel te weinig gehoor krijgt. En misschien ook veel te weinig neemt. Met alle onzekerheden die daarbij horen, moet ons pensioenstelsel generatiebestendig zijn. Er dient sprake te zijn van verdelende rechtvaardigheid tussen de generaties. Dit standpunt heeft mijn fractie van meet af aan ingenomen en ook op dit punt beoordelen we de novelle. Het moet gezegd dat het kabinet werk heeft gemaakt van het inbouwen van toetsen die deze intergenerationele rechtvaardigheid moeten borgen. Ik noem hier met name de generatie-evenwichttoets die DNB zal toepassen op het premiebesluit van pensioenfondsen. Het kwam al even aan de orde. Het is mijn fractie evenwel niet duidelijk welk generatiebegrip DNB nu precies gaat  hanteren. Dat komt er zeer op aan. Gaat het om een statistische definitie van generaties in termen van geboortejaarcohorten of wordt een bredere definitie gebruikt? De bewindslieden zijn  niet echt geporteerd van mijn voorstel rond een externe consultatie door DNB van generatiewetenschappers blijkens hun Memorie van Antwoord, maar ik waag toch een nieuwe poging. Generatieonderzoek is complex. Je moet bijvoorbeeld leeftijd, periode- en cohort-effecten van elkaar scheiden. DNB heeft – met alle respect en begrip – geen track record op dit gebied. Dat geeft ook niet, daar is de bank niet voor. Ik wil DNB via de beide staatssecretarissen verzoeken hun generatietoets aan gereputeerde generatieonderzoekers voor te leggen om zo de sterkst mogelijke propositie te ontwikkelen. Inzet daarbij is het ontwerpen van een robuuste generatietoets die kan bogen op externe validatie. Het onderwerp is er belangrijk genoeg voor. Het zal zeker ook terugkeren bij de herziening van het FTK-kader waarover wij nog komen te spreken. Dat deze kwestie nauw luistert, blijkt wel uit het volgende. Op een vraag van mijn fractie daarover, schotelt het kabinet een wel erg grove generatie-indeling voor. Ik citeer: “actieve deelnemers kunnen daarbij gezien worden als de jongere premiebetalende generatie en gepensioneerden als de oudere generatie” (Memorie van Antwoord, blz 31). Dit betekent dat alle 65-minners tot de categorie jongeren worden gerekend. Voor de ouderen onder ons is dit wellicht een vleiende aanduiding, maar het debat over de intergenerationele verdeling van pensioenlusten en – lasten schiet hier niets mee op. Het is veel te grofmazig. Ik herhaal daarom mijn verzoek en wacht het antwoord graag af. Behalve toetsen die zorgen voor intergenerationeel evenwicht, kan ook de samenstelling van het verantwoordingsorgaan hieraan bijdragen. In het debat over pensioenfondsbesturen medio vorig jaar gaf staatssecretaris Klijnsma aan stevig te willen nadenken over hoe de inbreng van jongeren in het pensioendebat vergoot kan worden. Deze gedachten zou zij ook op papier zetten. Graag hoor ik de vruchten van deze reflectie, voor dit moment primair wat betreft een actieve deelname van jongeren aan de verantwoordingsorganen. Hoe gaat de staatssecretaris het enthousiasme van jongeren opvijzelen? Daar is nog een wereld te winnen, zoals zij in dat debat toen ook al aangaf. Ter illustratie: bij de verkiezingen in maart jl. voor nieuwe actieve deelnemers van het ABP-verantwoordingsorgaan was de gemiddelde leeftijd van de kandidaten bijna 50 jaar. Hier zijn de deelnemende generaties bepaald niet in balans.

Dan de twee volgende criteria van onze meetlat: de excedentregeling en een pensioenvoorziening voor zzp-ers. Op beide punten valt de balans nu positief uit. Wij betreuren het niet, voorzitter, dat de excedentregeling de Staatscourant niet zal halen. De ChristenUnie-fractie had hier forse kritiek op. Het was een schoolvoorbeeld van een wetsvoorstel dat negatief scoort op vrijwel alle gangbare beoordelingscriteria die wij in deze Kamer hanteren: proportionaliteit, doelmatigheid en uitvoerbaarheid. Met bovendien nauwelijks opbrengsten voor de deelnemer. Het alternatieve wetsvoorstel rond de nettolijfrente – de bijspaarregeling – zien wij tegemoet. Wij gaan er van uit dat het voorstel tijdig aan de Senaat zal worden aangeboden. De afspraak in het Pensioenakkoord om te komen tot een vrijwillig collectieve pensioenregeling voor zzp-ers is een belangrijke doorbraak in het pensioendossier. Mijn fractie steunt dit van harte. Met 800.000 zzp-ers is dat bepaald ook geen luxe. Ik hoor ook graag hier wat de stand van zaken is en welke eventuele hobbels nog resteren.

Voorzitter, ik kom dan nu bij het laatste criterium van de meetlat: de noodzaak van een integrale visie op een duurzaam pensioensysteem. Deze omvattende visie ontbreekt nog steeds, zo moeten wij helaas constateren. Maar bij deze vaststelling hoeft het gelukkig niet te blijven. Het kabinet heeft gekozen voor een meer inductieve benadering waarbij het bouwstenen gaat verzamelen die tot deze visie moeten leiden. Twee trajecten worden daarvoor uitgezet: een SER-advies en een brede maatschappelijke dialoog over de toekomst van ons pensioenstelsel. Mijn fractie is blij dat de SER voor het einde van dit jaar een door het kabinet gevraagd advies zal uitbrengen over de toekomst van onze pensioenvoorziening. Het biedt de polder de kans om zich in het pensioendebat te rehabiliteren en bestanddelen aan te dragen voor een duurzaam en generatiebestendig pensioenstelsel. Het is goed dat de adviesaanvraag verzoekt om reflectie op de fundamentele keuzedilemma’s tussen collectiviteit, keuzevrijheid en maatwerk; tussen risicodeling en solidariteit; en tussen vermogensopbouw voor pensioen, zorg en eigen woning. Dat zijn de wezenlijke vraagstukken. Mijn fractie had wel graag gezien dat de generatie-effecten van de doorsneepremiesystematiek – alle premiebetalers in een pensioenregeling betalen eenzelfde premiepercentage – een wat prominenter plaats had gekregen in de aanvraag. Wij kijken uit naar dit advies en hopen dat de SER alle registers zal opentrekken. Wij hebben daar ook alle vertrouwen in. Mijn fractie gaat ervan uit dat ook het vernieuwende RMU-voorstel rond pensioenen en wonen in dit kader de aandacht krijgt die het verdient. Het kabinet zou dit voorjaar met een reactie op dit voorstel komen. Die is nog niet verschenen. Wanneer komt deze reactie, zo vraag ik de bewindslieden.

Het kabinet wil daarnaast een brede maatschappelijke discussie organiseren rond ons pensioenstelsel. Mijn fractie heeft behoefte aan een nadere toelichting van de bewindslieden op wat we ons bij een dergelijke discussie moeten voorstellen en welke verwachtingen het kabinet op dit punt heeft. Ik herinner mij nog de Brede Maatschappelijke Discussie over kernenergie in het begin van de jaren tachtig, onder leiding van de markante Jonkheer De Brauw. Deze discussie had voornamelijk tot gevolg dat voorstanders van kernenergie nog meer voorstander en tegenstanders van kernenergie nog meer tegenstander werden. Beide groepen kwamen niet tot elkaar; de polarisatie nam juist toe. Kortom, hoe wil het kabinet deze pensioendiscussie gaan voeren en welke rol gaat dit in het beleid spelen? Hoe worden jongere generaties in de dialoog betrokken? De brief hierover aan de Tweede Kamer blijft over dit alles rijkelijk vaag.

Alles overziend, voorzitter, is en wordt er veel in gang gezet in het pensioendossier, van wetsvoorstellen tot brede dialogen, van visieontwikkeling tot consultatie, van instrumentontwikkeling tot beleidsuitvoering. En er komen nog de nodige wetsvoorstellen aan. De voor de hand liggende vraag die mijn fractie het kabinet wil voorhouden is hoe al deze eindjes met elkaar verknoopt gaan worden en hoe de eindregie gevoerd gaat worden. Graag een korte beschouwing op dit punt.

Voorzitter, ik rond af. Er ligt nu een veel beter voorstel dan een half jaar geleden. Het is goed dat het kabinet de kritiek van de Eerste Kamer ter harte heeft genomen. De maximumopbouw wordt minder ingrijpend verlaagd en de belangen van jongere generaties worden serieus genomen. De nodige toetsen en waarborgen zijn ingebouwd om ons pensioenstelsel sterker te maken en premiedaling te bewerkstelligen. Er komt een pensioenvoorziening voor zzp-ers en de excedentregeling is van tafel. We zien de te ontwikkelen integrale kabinetsvisie op de toekomst van ons pensioenstelsel tegemoet. We blijven het ongelukkig vinden dat de hervorming van het stelsel niet met deze visie is begonnen. Dat was de Koninklijke weg geweest.

De ChristenUnie-fractie wacht de beantwoording van de vragen met belangstelling af.

 

 

Labels
Eerste Kamer
Peter Ester

« Terug

Nieuwsarchief > 2014 > mei