Peter Ester: 'Blij met minder bezuinigingen op kindregelingen'

Peter Ester - Foto: Anne Paul Roukema / ChristenUniedinsdag 10 juni 2014 14:09

ChristenUnie-senator Peter Ester steunt de hervorming van de kindregelingen. 'Het is goed dat we van 11 naar 4 kindregelingen gaan, dat maakt het systeem eenvoudiger. En we zijn blij dat o.a. de ChristenUnie in het begrotingsakkoord de bezuinigingen sterk heeft weten te beperken. Het gezin is immers een kerinstitutie in onze samenleving.'

Volledige bijdrage van Peter Ester aan het debat in de Eerste Kamer over wetsvoorstel 33.716: Wet hervorming kindregelingen op 10 juni 2014

Voorzitter,

We spreken vandaag over een belangrijk onderwerp: de wijze waarop de overheid gezinnen financieel ondersteunt. Voor de ChristenUnie is de betekenis van gezinnen wezenlijk. Het gaat om een kerninstitutie in onze samenleving. Daar groeit de nieuwe generatie kinderen op die hun talenten inzetten, niet alleen voor hun eigen ontplooiing maar ook voor de toekomst van ons land. Een nieuwe generatie die op haar beurt weer de zorg op zich neemt voor de voorafgaande generatie. Er is dan ook alle reden om gezinnen te ondersteunen, ook financieel, zodat kinderen opgroeien in een omgeving die zorg, zekerheid en veiligheid biedt. In een samenleving die hun gaven en vaardigheden aanscherpt zodat ze goed toegerust zijn voor de groei naar volwassenheid. Stevig gezinsbeleid en een bestendig geheel van kindregelingen zijn essentieel voor een vitale samenleving.

Vanuit helikopterblik bezien, is het huidige stelsel van kindregelingen weinig transparant. Er is inmiddels sprake van maar liefst 11 regelingen die ieder voor zich op valide doelstellingen kunnen rusten, maar waarvan de onderlinge samenhang niet altijd duidelijk is. Het stelsel is te complex en behoeft een vereenvoudigingslag. De Raad van State deelt deze constatering en ik meen dat de politieke consensus op dit punt groot is. Dat ligt anders voor de versoberingsdoelstelling van het wetsvoorstel, daar kom ik later in deze bijdrage op terug. De beoogde herinrichting van ons systeem van kindregelingen moet dus de overzichtelijkheid ten goede komen en dient gebaseerd te zijn op een heldere en te verdedigen visie op hoe de overheid ouders financiële ondersteuning biedt. Mijn fractie vond de visie zoals de Memorie van Toelichting die verwoordt wat pover. Daartoe door ons uitgedaagd, bracht de minister het inhoudelijke debat een paar stappen verder in de Memorie van Antwoord. Dank daarvoor. Toch is het verhaal niet spanningsvrij. Kindregelingen moeten onder meer faciliteren dat ouders arbeid en zorg goed kunnen combineren. Terecht stelt de minister dat het adagium van de keuzevrijheid hierbij een groot goed is. Tegelijkertijd haalt de minister veel uit de kast om ook de nadelen van deze keuzevrijheid - daar waar bijvoorbeeld vrouwen kiezen voor zorg en deeltijdarbeid – uit te meten: zo wijst hij op onderbenutting van talent, economische onzelfstandigheid, financiële kwetsbaarheid. Hij doelt daarbij met name op vrouwen. Mijn fractie wil de minister vragen hoe hij de andere kant van het verhaal: de voordelen van deze keuzevrijheid weegt? Ik denk aan onbetaalde zorgarbeid, mantelzorg en vrijwilligerswerk. Stuk voor stuk participatievormen die belangrijk voor de samenleving zijn. Vindt de minister al met al dat ons land niet het juiste evenwicht heeft bereikt in de keuzes die Nederlanders maken tussen arbeid en zorg? En zo ja, wat zijn dan de gevolgen voor de generatie kinderen die nu opgroeien? Wat is hier nu precies de rol van de overheid en waar liggen de grenzen van overheidsinterventie? Dit leidt ook tot een bredere vraag. Het huidige stelsel van kindregelingen wordt teruggebracht tot vier regelingen rond twee basisdoelstellingen: inkomensondersteuning (kinderbijslag, kindgebonden budget) en participatiebevordering (combinatiekorting, kinderopvangtoeslag). De laatste doelstelling is vooral gedacht langs de lijnen van de ouders. Dat is ook wel begrijpelijk. Maar ik zou de minister toch willen uitdagen om het inhoudelijke Leitmotiv van dit kabinet – de participatiesamenleving – wat op te rekken en toe te passen op de kinderen die opgroeien in onze gezinnen. Op de jongste generatie. Enig additioneel denkwerk is hier toch wel nodig gezien het feit dat de brief van de Minister-President over de participatiesamenleving van twee maanden geleden nergens rept van kinderen of jongeren, van gezin of van jeugd. Hoe ziet de minister het verband tussen het nieuwe stelsel van kindregelingen, de onderliggende kabinetsvisie en de rol van kinderen in een participatiesamenleving? Zeker waar het gaat om kinderen die opgroeien in kwetsbare gezinnen?

Voorzitter, dan nu de tweede doelstelling van het wetsvoorstel: het versoberen van het stelsel van kindregelingen. Nederland geeft, in ieder geval in absolute termen, veel geld uit aan kindregelingen. Zo’n € 10 miljard Euro. Het oorspronkelijke voorstel uit het Regeerakkoord kwam neer op een structurele besparing van iets meer dan € 800 miljoen. Het Begrotingsakkoord van vorig jaar heeft de bezuinigingen met zo’n € 500 miljoen teruggedraaid. Ik heb het dan over het behoud van de kinderbijslag, het gratis blijven van schoolboeken en de kinderopvangtoeslag. Veel gezinnen haalden opgelucht adem. Zeker gezinnen die het niet breed hebben. Voor de ChristenUnie-fractie was dit een belangrijk kantelpunt in onze beoordeling van het voorliggende voorstel. Maar minstens zo belangrijk is het antwoord op de vraag hoe de resterende bezuinigingen uitpakken op kwetsbare groepen. Wij denken dan aan gezinnen en kinderen die in armoede leven. Het SCP heeft mede naar aanleiding van een motie van mijn fractie berekend wat de armoede-effecten zijn van de oorspronkelijke hervorming van de kindregelingen. Deze bleken beperkt. Wel waren er groepen van gezinnen die koopkrachtverlies leden. Het SCP gaf in een latere fase (zie de brief van 13 januari 2014)  aan dat een nadere herberekening op basis van de amendering van de kindregelingen door het Begrotingsakkoord niet zinvol werd geacht, omdat juist door dit akkoord het koopkrachtbeeld positiever uitviel. De veel mindere bezuiniging op de kindregelingen speelden in deze afweging van het SCP een doorslaggevende rol. Mijn fractie heeft begrip voor deze redenering getoond. Tegelijkertijd laat deze reactie van de rekenmeesters van het SCP zien dat het Begrotingsakkoord bij de kindregelingen positief uitpakt. Dat wordt ook in een recente doorrekening van SZW bevestigt: het inkomenseffect verbetert in doorsnee met 0,5%. Vooral grotere gezinnen profiteren hiervan en gezinnen met oudere kinderen. Op alleenstaande ouders kom ik dadelijk terug. Mijn fractie is ook blij met het met algemene stemmen aangenomen amendement Schouten/Dijkgraaf) in de Tweede Kamer dat regelt dat ook alleenstaande ouders met een thuiswonend gehandicapt kind in aanmerking komen voor het extra bedrag aan kinderbijslag (de zogenaamde TOGplus).

Er is een kwestie die mijn fractie nog eens graag krijgt toegelicht door de minister. Dat betreft de positie van alleenstaande ouders. Het wetsvoorstel wil de armoedeval adresseren die maakt dat niet-werkende alleenstaande ouders in de bijstand financieel meer overhouden dan een werkende alleenstaande ouder met een kleine deelbaan op het niveau van het minimumloon. Op dit moment heeft de helft van de groep niet-werkende alleenstaande ouders een bijstandsuitkering. De alleenstaande oudernorm wordt afgeschaft. Daar tegenover staat de invoering van de alleenstaande-ouderkop (“what’s in a name”) in het kindgebonden budget. Werk of uitkering is dan niet meer het uitgangspunt, maar financiële draagkracht. Mijn fractie kan dat billijken. Tabel 1 van de Nota naar aanleiding van het verslag van vorige week biedt een overzicht van de inkomenseffecten van de hervormingen van het stelsel van kindregelingen per 2017. Een inhoudelijke interpretatie blijft evenwel achterwege. Ik wil de minister vragen de inkomenseffecten voor alleenstaande ouders rond het minimumloon van commentaar te voorzien. Worden zij niet onevenredig getroffen als we kijken naar de eerste drie rij-percentages?

Voorzitter, dan nog twee meer specifieke punten. In het wetsvoorstel is een wijziging van de fiscale aftrekbaarheid van kosten voor levensonderhoud van kinderen voorzien. Ik doel op het vervallen van afdeling 6.4 van de Wet IB 2001. Dit heeft gevolgen voor de alimentatiebecijfering. Nu is te verwachten dat rechters voor toekomstige gevallen de niet-aftrekbaarheid verdisconteren in hun oordeel over de hoogte van de alimentatie, maar deze maatregel kan op huidige gevallen een grote impact hebben. Een toename van het aantal wijzigingen is te voorzien en daarom heeft de ChristenUnie in de Tweede Kamer de motie-Heerma gesteund waarin wordt opgeroepen om via de Raad voor de Rechtspraak te komen tot een standaardrekenregel. Er is evenwel niet in een overgangsregeling voorzien. In de praktijk leidt dit, zo blijkt ons, bij huidige gescheiden ouders tot forse koopkrachtverliezen. Kinderen mogen daar niet de dupe van worden. Is de minister bereid een overgangsregeling te overwegen?

Het tweede punt betreft een kwestie die kort voor Pinksteren actueel werd. Het gaat om een groep ouders met een bijstandsuitkering die de facto alleenstaand zijn omdat de partner in een verzorgingstehuis verblijft, gedetineerd is of simpelweg met onbekende bestemming vertrokken is. Deze ouders missen de toeslag voor alleenstaande ouders in het nieuwe stelsel van kindregelingen omdat ze administratief een toeslagpartner hebben. Volgens Divosa en VNG zal dit neerkomen op een gemiste toeslag van zo’n € 240 euro per maand. Zij kunnen geen aanspraak maken op de alleenstaande ouderkop op het kindgebonden budget en verliezen een deel van hun uitkering. De minister nam snel afstand van dit probleem en decentraliseerde het in de publiciteit schielijk naar de gemeenten. Dit zal ertoe leiden dat het beroep op de bijzondere bijstand rap zal oplopen. In technische termen komt het neer op een definitieverschil: in de AWIR (Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen) geldt de afwezige partner toch als toeslagpartner, in de WWB (de Bijstandswet) is sprake van een alleenstaande ouder. Kan de minister hier niet wat meer soelaas bieden? Bijvoorbeeld door voor deze groep de alleenstaande oudernorm met een jaar te verlengen en in de tussentijd naar een structurele oplossing te zoeken? Wellicht in het verlengde van het amendement-Hamer dat aan de overzijde van het Binnenhof op brede steun mocht rekenen? Het gaat om een groep van een paar duizend feitelijk alleenstaande ouders. Graag hoort mijn fractie wat mogelijk is.

Dan nog een laatste punt. We spreken vandaag over een tamelijk ingrijpende hervorming van de kindregelingen, zowel inhoudelijk als financieel. De vraag die mijn fractie ter afsluiting wil stellen is of in de visie van de minister met deze herziening een duurzaam en toekomstbestendig stelsel van kindregelingen is ontworpen dat op zijn minst een decennium mee kan. Is in zijn beleving het nieuwe stelsel redelijk “af”? Of zijn er nog witte plekken die om nader beleid vragen?

Voorzitter, ik rond af. Mijn fractie steunt de inzet van dit wetsvoorstel om het stelsel van kindregelingen te vereenvoudigen. We hebben daar wel een aantal vragen bij. Met de initiële versobering van de regelingen hadden we aanzienlijk meer moeite.  De ChristenUnie-fractie is blij dat door het Begrotingsakkoord 2014 een fors deel van de bezuinigingen is teruggedraaid. We wachten de antwoorden van de minister op onze vragen af.

 

Labels
Eerste Kamer
Peter Ester

« Terug

Nieuwsarchief > 2014 > juni