Het ‘wij’ dat verstikt (column ND)

segers-banner-1-944x390dinsdag 18 november 2014 09:50

Na de herdenking van de MH17-ramp schreef Bert Wagendorp in de Volkskrant dat we nu moeten rouwen zonder God. Hij verwoordde Nederlands grote gemene deler. ‘De zoektocht naar troost en verklaring is ingewikkelder geworden nu we ons niet meer kunnen beroepen op de ondoorgrondelijkheid van Gods wegen. Het waarom dat boven rouwen hangt, is scherper geworden, bozer ook, nu we de Act of God onacceptabel hebben verklaard en een verklaring eisen.’

Het zijn merkwaardige zinnen. Dat je bij rouw verdriet hebt, weet ik heel goed. Maar als alles toeval is, waarom word je dan boos? Op wie word je dan eigenlijk boos? Hoe kun je een verklaring verwachten als je gelooft dat alles gaat zoals het gaat? En hoe kun je in vredesnaam een verklaring eisen en van wie dan? Alles in deze zinnen schreeuwt om de God die net door Wagendorp is doodverklaard.

Maar wat mij als eerste opviel, was het woordje ‘we’. Dat woordje sluit iedereen in die er hetzelfde over denkt en niets meer met God kan. Maar het sluit mij uit. Ik hoorde even niet bij al die weldenkende Nederlanders die elkaar in de column van Wagendorp begripvol in de ogen keken, even een klopje op de schouder gaven en elkaar heel goed begrepen. Zo zijn wij.

minderheid
Ik heb mij zelden onderdeel gevoeld van het ‘vanzelfsprekende wij’. Op de middelbare school was ik de enige bevindelijk-gereformeerde jongen. Ik was anders, omdat ik thuis geen tv had, wekelijks naar de kerk ging en geen lid was van een sportvereniging. Als student had ik als christen regelmatig wat uit te leggen en was ik lid van een christelijke studentenvereniging die het in Leiden zonder pand en naamsbekendheid moest doen. In Egypte was ik lid van een etnische minderheid binnen een religieuze minderheid in een vooral islamitisch land. En nu vertegenwoordig ik een in omvang bescheiden partij waar je geen lid van wordt als je naar macht hunkert. Ik voel me vaak de afwijking op het ‘vanzelfsprekende wij’.

Natuurlijk hoor ik ook bij ‘wij’. Ik heb een prachtig gezin, ben lid van een familie, maak deel uit van een buurt, kerk, partij, omroep. Er is ook een ‘heilzaam wij’. Want, zo vraagt de Schrift zich retorisch af, hoe kan een mens alleen warm worden? We zijn elkaar gegeven, worden pas echt mens in relatie tot elkaar, tot God. Er zijn mensen die zo amechtig hun best doen om anders dan alle anderen te zijn, dat ze niet eens doorhebben hoe ze een ‘nieuw wij’ scheppen. Zoals punkers in mijn jeugd heel non-conformistische hanenkammen op hun hoofd hadden en zwarte, leren jassen aantrokken, maar blijkbaar niet doorhadden dat ze dat met z’n allen tegelijk deden. Zoals nu onthechte backpackers over de wereld trekken met dezelfde Lonely Planet-gids om daardoor allemaal naar dezelfde cafés en hangplekken te gaan. We zijn voor elkaar geschapen en maken, zelfs als we het niet willen, altijd deel uit van een ‘wij’. Zo zijn wij.

ruimte
Het gaat echter mis als het ‘wij’ vanzelfsprekend wordt en geen ruimte meer laat voor het ‘gezonde ik’. ‘We zijn een protestants land’, of ‘we zijn een islamitisch land’, of ‘wij moeten nu rouwen zonder God’. Dat soort veronderstellingen doen zo veel mensen onrecht. Zowel het ‘one nation, under God’ als het ‘one nation, zonder God’ verstikt het ‘gezonde ik’.

Mijn vriend Morcos, die ooit Mohammed heette, hoorde er niet meer bij in Egypte, niet meer bij zijn familie en is van ellende geëmigreerd. De woorden van Wagendorp sloten mij buiten het ‘wij van de weldenkende, moderne mens die niet meer zo achterlijk is om in God te geloven’.

Mijn al vroeg opgedane allergie voor het ‘wij dat anderen uitsluit’, maakt me extra alert voor de positie van minderheden. Ik weet heel goed hoe een meerderheid vaak nietsvermoedend met hun ‘dikke wij’ boven op zo’n afwijkend groepje gaat zitten. Niet eens doorheeft dat ze anderen verstikt. Daarom kom ik bijvoorbeeld op voor de Joodse gemeenschap en sta ik niet vooraan om ‘schande’ te roepen als donkere Nederlanders zeggen pijn te voelen als ze ‘onze’ Zwarte Piet zien. Het ‘gezonde ik’ kan alleen opbloeien als wij elkaar een beetje ruimte geven.

Wij zijn kuddedieren, die het anderen met een vlekje vaak moeilijk maken. Totdat God mij in de ogen kijkt, mij bij mijn eigen naam noemt en mijn ogen opent voor de ander.

Gert Jan Segers is Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie. Hij schrijft iedere zes weken een column in het Nederlands Dagblad.

Labels
Columns Gert-Jan Segers
Gert-Jan Segers

« Terug