Peter Ester: 'Jozef-principe voor pensioenen'

peter-ester-banner-944x390dinsdag 16 december 2014 11:35

'Een gezonde balans tussen generaties.' Dat bepleitte ChristenUnie-senator Peter Ester tijdens het debat over pensioenen in de Eerste Kamer. 'Het Jozef-principe moet gaan gelden. In vette jaren sparen voor moeilijke jaren. Dat draagt bij aan intergenerationele rechtvaardigheid. De nieuwe spelregels voor de pensioenfondsen zijn van groot belang voor een goed pensioen voor de huidige en toekomstige generatie van gepensioneerden.'

Lees hieronder de hele bijdrage van Peter Ester aan wetsvoorstel 33.972: Wet aanpassing financieel toetsingskader (FTK)

Voorzitter,

Nederland mag dan een pensioenstelsel hebben dat internationaal veel bewondering ontmoet, ook ons stelsel behoeft met regelmaat groot onderhoud. Dat moment is nu weer gekomen. De economische crisis heeft laten zien dat forse financiële schokken maar moeilijk door het huidige stelsel geabsorbeerd kunnen worden. Deze schokken worden nog eens uitvergroot door de toenemende levensverwachting en de verdere vergrijzing van het deelnemersbestand van de pensioenfondsen. De Commissie Goudswaard en de Commissie Frijns hebben hier behartenswaardige analyses aan gewijd. Het nieuwe FTK maakt nadrukkelijk gebruik van het werk van beide commissies. En dat is goed. Het pensioen als Tweede Pijler is ook naar de mening van de ChristenUnie-fractie toe aan een stevige renovatie. De economische crisis heeft ook in het pensioendossier zijn tol geëist: neergaande beleggingsresultaten, structureel lage rentestand en problematische dekkingsgraden van de fondsen. Indexatie bleef achterwege, de pensioenpremies gingen omhoog en afstempelen werd realiteit. Ons pensioenstelsel bleek niet goed in staat om abrupte macrofinanciële schokken op te vangen. De nationale pensioenpot mag met ruim 1.000 miljard euro goed gevuld zijn, onverhoedse ontwikkelingen kunnen in absolute termen behoorlijke schade aanrichten. Ook ons pensioensysteem, kortom, is kwetsbaar.

De ChristenUnie-fractie kan zich grosso modo vinden in de probleemanalyse van dit wetsvoorstel. We moeten de financiële spelregels voor de pensioenfondsen beter toerusten voor plotselinge en drastische exogene veranderingen. Voor de volatiliteit van financiële markten. We moeten het pensioengebouw beter oplijnen als het gaat om abrupte financiële jojo-bewegingen. Het Financieel Toetsingskader is het beleidsvehikel waarin deze spelregels worden vervat. Het kabinet kiest nadrukkelijk voor een evolutionair perspectief op dit nieuwe FTK. Zeker, het wijkt af van het huidige kader maar er is geen sprake van een revolutionaire wijziging. Het voorstel blijft, zoals ook de Raad van State vaststelt, binnen de bestaande kaders van het nominaal pensioencontract. Is dit, zo vraagt mijn fractie aan de staatssecretaris, een doelbewuste keuze van het kabinet? Zijn ook verdergaande opties overwogen en zo ja waarom is daar van afgezien? De evolutionaire benadering blijkt ook uit het feit dat de kwestie van de doorsneepremie niet wordt geadresseerd. Staat dit gevoelige onderwerp op de agenda van het kabinet? Komt de staatssecretaris wellicht na het nationaal pensioendebat op deze kwestie terug? Mijn fractie is benieuwd.

Voorzitter, een belangrijke pijler van dit wetsvoorstel is dat pensioenfondsen meer buffers moeten aanleggen als reserves voor slechte tijden. Een goed Bijbels principe. Jozef zorgde er voor dat de graanschuren in de jaren van overvloed goed gevuld werden als reserve voor de magere jaren. Er worden in het nieuwe FTK regels gesteld wanneer en hoe de buffers voor indexatie mogen worden aangewend. De drempel ligt hoog en wel bij een dekkingsgraad van 110%. Indexeren moet toekomstvast zijn: de pensioenen van jongeren mogen immers niet in gevaar komen. Daar tegenover staat dat pensioenkortingen over tien jaar mogen worden verdeeld. Hierdoor zal er minder sprake zijn van plotselinge kortingen. En dat is weer in het voordeel van gepensioneerden. Het is goed, voorzitter, dat hierbij wordt uitgegaan van een beleidsdekkingsgraad, ofwel een voortschrijdend 12-maands gemiddelde van actuele dekkingsgraden. Ook dit biedt meer stabiliteit. Bij de waardering van de pensioenverplichtingen zal een aangepaste, lagere, UFR (Ultimate Forward Rate) worden gehanteerd die eveneens tot minder schommelingen moet leiden. Over de hoogte hiervan wordt veel gediscussieerd in kringen van pensioenexperts. De Commissie UFR heeft hierover geadviseerd en het kabinet heeft dit advies overgenomen. Er doen zich hier wel een paar prangende kwesties voor. Zoals het er nu naar uit ziet zal er de komende jaren een paar keer van UFR-regime worden gewisseld. Wellicht zelfs drie keer in de komende twee jaar. Wat zijn daarvan de consequenties voor het beleggingsbeleid van de pensioenfondsen, zo vraagt de ChristenUnie-fractie. Dit leidt toch tot juist grotere instabiliteit? Dat staat toch haaks op het gedachtegoed van dit wetsvoorstel? Voor mijn fractie, voorzitter, is dit een stevige hobbel. Ik geef dit signaal maar vast af. Is er overigens inmiddels al meer duidelijkheid hoe de UFR zich verhoudt tot Europese solvabiliteitseisen? Ik begrijp dat de Europese richting per 1 november bekend is geworden en dat verzekeraars per februari volgend jaar met de nieuwe UFR gaan werken. Hoe beoordeelt de staatssecretaris de impact van een divergerend regime voor de pensioensfondsen en de verzekeraars?

Het nieuwe FTK regelt dat pensioenfondsen een herstelplan moeten maken indien het fonds niet beschikt over het vereist eigen vermogen. Het plan moet aangeven hoe het fonds binnen maximaal 10 jaar weer kan beschikken over het vereiste vermogen. Dit plan is geboden voor ieder jaar dat de limiet niet gehaald wordt. Ook hier geldt een spreidingsperiode. Het vereist eigen vermogen wordt opgehoogd naar bijna 27%. Kan de staatssecretaris om en nabij aangeven hoeveel pensioenfondsen zich nu onder deze vermogenseis bevinden? Korten van de aanspraken is blijkens de Memorie van Toelichting een “ultimum remedium”. Kan de staatssecretaris in operationele termen verduidelijken wanneer dit laatste redmiddel in zicht komt? Welke garanties zijn er dat het hier inderdaad om een ultieme keuze gaat?

Dan het herstelplan zelf. De voorliggende teksten zijn op dit punt niet echt helder. Veel zal in latere regelgeving worden vastgelegd. Kan de staatssecretaris de leden van de ChristenUnie-fractie op hoofdlijnen schetsen wat de basisingrediënten van dit herstelplan zullen zijn en hoe het toezicht door DNB precies belegd is? Komt er een uniform format waar alle fondsen zich aan moeten houden?

De ChristenUnie-fractie, voorzitter, heeft in het pensioendebat steeds consequent de positie ingenomen dat de belangen van oudere en jongere generaties in balans moeten zijn. Intergenerationele solidariteit is een belangrijke goed en dient de basis te zijn van een duurzaam pensioenstelsel. Ook het voorliggende wetsvoorstel wordt door mijn fractie op dit punt gewogen. De cijfermatige doorrekening van het CPB laat zien dat het wetsvoorstel op dit punt redelijk op orde is. De generatie-effecten van de aanscherping van het FTK zijn per saldo beperkt. De nieuwe systematiek van het herstelplan vermindert het risico op forse kortingen voor de huidige generatie van gepensioneerden. Tegenvallers mogen immers over langere tijd uitgesmeerd worden. Jongere generaties profiteren van het feit dat pas vanaf een dekkingsgraad van 110% geïndexeerd mag worden. Oudere generaties ontvangen dus minder snel indexatie of inhaalindexatie. De CPB-doorrekening stelt ons vanuit intergenerationeel oogpunt gerust. Additionele doorrekeningen van alternatief beleid – waaronder het volledig inzetten van vermogenssurplus voor inhaalindexatie, het verlagen van de drempel voor houdbare indexatie naar 105% en het niet aanpassen van de UFR – zoals verzocht door het CDA, laten wel generatie-effecten zien. Het voordeel voor gepensioneerden wordt groter, het nettoprofijt voor jongere generaties wordt negatief. Mijn fractie is overigens blij dat de Tweede Kamer bijna unaniem een amendement van de ChristenUnie heeft aangenomen dat fondsen bij hogere dekkingsgraden meer bewegingsvrijheid biedt om gemiste indexatie of kortingen te compenseren. Een goed signaal naar onze gepensioneerden.

Voorzitter, er zijn nogal wat onderwerpen die via latere en lagere regelgeving nader worden uitgewerkt. Het gaat daarbij om cruciale onderdelen van de wet. Ik noem alleen al het herstelplan indien het vereist eigen vermogen onder de maat is, de haalbaarheidstoets op het verwachte pensioenresultaat en het “prudent person” beginsel. Nu kunnen daar goede redenen voor zijn, maar tegelijk belast dat ons totaaloordeel over dit wetsvoorstel. Mijn fractie wil graag van de staatssecretaris horen wat haar afwegingen hier waren en met welk tijdspad we rekening moeten houden. Ook voor de pensioenfondsen is dit uiteraard een belangrijke kwestie.

Voorzitter, dan twee vragen rond de procesregie van de herziening van ons pensioensysteem. Belangrijke vragen wat ons betreft. De afgelopen jaren hebben we ons in dit huis intensief bemoeit met deze herziening. Meerdere wetsvoorstellen passeerden de revue, waaronder de verhoging van de AOW-leeftijd, de aanscherping van de governance-eisen aan de fondsen en de bijstelling van het Witteveenkader. We zijn daarnaast in afwachting van het SER-advies rond een duurzaam pensioenstelsel, er komt een versnelde verhoging van de AOW-leeftijd aan en bovendien vindt er een nationale pensioendialoog plaats. Ook dit zal resulteren in nieuwe wetgeving. Dit alles bijeen betekent dat het pensioenbord overvol is. Dat leidt tot de nodige onrust en coördinatieopgaven. Veel burgers, zo ervaren wij, zien door de wetgevingsbomen het pensioenbos niet meer. Scherpe en doortastende procesregie is nodig om de verschillende wetsvoorstellen op de juiste manier met elkaar te verbinden en het achterliggende verhaal over een toekomstbestendig en intergenerationeel rechtvaardig pensioenstelsel recht te doen. Kan de staatssecretaris met ons delen hoe het kabinet deze procesregie belegd heeft en hoe de verschillende wetsvoorstellen zich inhoudelijk maar ook operationeel tot elkaar verhouden? Is het beleid op dit wezenlijke punt op orde? Mijn fractie heeft er moeite mee dat het hele wetgevingsproces eindigt met een visie op een toekomstbestendig pensioen en er niet mee begint. De verkeerde volgorde, zo menen wij. Verwacht de staatssecretaris überhaupt dat deze omvattende pensioenvisie nog deze kabinetsperiode in parlementaire behandeling komt? De ChristenUnie-fractie hecht aan zorgvuldigheid maar ook aan duidelijkheid. Wij manen het kabinet dan ook tot spoed. Met welke planning werkt de staatssecretaris nu?

De tweede vraag heeft met communicatie van doen. Een goede pensioenvoorziening is voor iedere Nederlander van vanzelfsprekend belang. Het gaat om een voorziening voor een levensfase waarin je niet gekweld wilt worden door financiële zorgen. Dat betekent dat veranderingen van het pensioenstelsel helder naar burgers gecommuniceerd moeten worden. Het grotere pensioenverhaal rond pensioenambities, collectiviteit en solidariteit tussen oud en jong moet daarin leidend zijn. Ook om de verwachtingenkloof te dichten. De rol van psychologie is in het pensioendebat markant aanwezig. Uiteindelijk gaat het om de juiste balans tussen pensioenambities en de zekerheid dat we deze ambities kunnen waarmaken. Mijn fractie hoort graag van de staatssecretaris wat haar beleid op dit punt is en welke middelen daarvoor worden uitgetrokken. Uiteraard hebben ook de pensioenfondsen hier zelf verantwoordelijkheid. Begrijpt mijn fractie goed dat op het punt van communicatie aparte wetgeving is voorzien? Zo ja, wat moeten we ons daar bij voorstellen?

Voorzitter, ik sluit af. De ChristenUnie-fractie kan zich vinden in de diagnose van dit wetsvoorstel dat demografische en financiële ontwikkelingen moeten leiden tot aanscherping van het FTK. Tot het gespreid verwerken van abrupte schokken in ons pensioenstelsel. Tot een betere absorptie van tegen- en meevallers. Het wetsvoorstel kent geen evaluatiebepaling. Gezien het grote belang van de nieuwe spelregels voor de pensioenfondsen, voor een goed pensioen voor de huidige en toekomstige generatie van gepensioneerden, voor de intergenerationele rechtvaardigheid, verzoekt mijn fractie om een degelijke brede evaluatie van dit wetsvoorstel. Kan de staatssecretaris dat toezeggen?

Financiële dijkbewaking blijft geboden in het pensioendossier. Zoveel is duidelijk. Wel roept het wetsvoorstel een aantal fundamentele vragen op bij de leden van de ChristenUnie-fractie. Die hebben zowel betrekking op de inhoud van het wetsvoorstel als op de algehele procesregie. We zien uit naar de beantwoording ervan.

 

Labels
Eerste Kamer
Peter Ester

« Terug

Nieuwsarchief > 2014 > december