Peter Ester: “Tegen gedwongen splitsing energiebedrijven”

Portretfoto Peter Esterdinsdag 22 december 2015 13:00

Vandaag voert de Eerste Kamer een spannend debat over de verplichte splitsing van de laatste twee geïntegreerde Nederlandse energiebedrijven Delta en Eneco, waarvan provincies en gemeenten aandeelhouder zijn. Deze bedrijven zijn zowel energieleverancier als beheerder van regionale energienetten. Deze energienetten moeten in handen van de overheid blijven. Daar is iedereen het over eens. Maar Minister Kamp van Economische Zaken wil dat de productie en leverantie van elektriciteit wordt afgesplitst van het netbeheer en dat overheden het productie- en leverantiedeel van de Eneco en Delta verkopen (privatiseren). Geen enkel ander land in de Europese Unie stelt dit verplicht, waarmee deze bedrijven een gewillige overnameprooi worden voor andere Europese energiebedrijven en het werk van honderden werknemers in met name Zeeland in de waagschaal wordt gezet. Bovendien zijn Delta en Eneco van de grote op de Nederlandse markt actieve energiebedrijven de duurzaamste. De ChristenUnie-fractie is dan ook fel tegenstander van het doorvoeren van deze verplichte splitsing.

De ChristenUnie-fractie is wel groot voorstander van een ander belangrijke onderdeel in de voorliggende Wet STROOM: het mogelijk maken van de aanleg van grote windparken op zee en de daarvoor benodigde infrastructuur. Helaas is dit onderdeel verbonden aan de verplichte splitsing van de energiebedrijven. Senator Peter Ester hekelde deze koppelverkoop. Lees hieronder zijn gehele bijdrage.

Mevrouw de voorzitter,

Met het wetsvoorstel STROOM doet de minister aan koppelverkoop. Er worden namelijk belangrijke stappen gezet om grootschalig wind op zee mogelijk te maken, maar tegelijk is in dit wetsvoorstel het groepsverbod opgenomen voor regionale netbeheerders. Het gevolg hiervan is dat onze laatste twee geïntegreerde energiebedrijven - Eneco en Delta - definitief zullen moeten worden gesplitst, nog voordat andere Europese landen dit verplichten of een Europese richtlijn ons land dit voorschrijft. De minister plaatst daarmee fracties, zoals de ChristenUnie-fractie, die de ene stap (wind op zee) willen steunen en de andere (gedwongen splitsing) niet, voor een heus dilemma.

De minister heeft in aanloop naar dit debat grote woorden gebruikt en het lot van zo'n beetje het hele Energieakkoord verbonden aan de uitkomst van dit debat. Als je wind op zee wilt, dan moet je voor deze wet stemmen en word je gedwongen het andere product in de wet ook van de minister af te nemen: de verplichte eigendomssplitsing en daarmee deconfiture van de relatief duurzame Nederlandse energiebedrijven Delta en Eneco. Koppelverkoop dus. Er waren tijden dat het Ministerie van Economische Zaken daar buitengewoon kritisch over was. Ook vanuit het medewetgeversperspectief heeft mijn fractie grote problemen met dit soort heterogene wetsvoorstellen.

Wind op zee

Voorzitter, laat duidelijk zijn, de ChristenUnie-fractie steunt ten volle dat TenneT de verantwoordelijkheid krijgt toegewezen voor de aanleg en het beheer van de netinfrastructuur die benodigd is om toekomstige windparken op zee aan te sluiten. Het aanleggen van deze windparken is een operatie en investering van ongekende proporties. En dit wetsvoorstel is het sluitstuk van het wettelijke instrumentarium dat nodig is om wind op zee grootschalig van start te laten gaan en zo onze ambities rond duurzame energie waar te maken. Ambities die mijn fractie na aan het hart liggen.

Gelet op de transitieopgave waar ons land voor staat - van fossiele naar hernieuwbare energie - en de afspraken in het Energieakkoord, is aanname van deze wet belangrijk om investeerders in wind op zee zekerheid te geven. Het wordt daarbij ook eens tijd dat onze energievoorziening, naast veilig, betrouwbaar en betaalbaar, schoon wordt: een doelstelling die tot op heden onvoldoende uit de verf is gekomen. Tegelijk lijkt de beantwoording van de schriftelijke vragen door de minister impliciet ruimte open te laten voor het van start laten gaan van de eerste tender als de wet nog niet van kracht is, mits deze tender maar niet eindigt voordat de wet van kracht is. Ergo: de eerste tender zou gewoon per 31 december 2015 van start kunnen gaan en op 31 maart 2016 eindigen, mits de wet tussentijds maar van kracht wordt, bijvoorbeeld per 1 maart a.s. Kan de minister hier eens op ingaan? Is dit een denkbaar scenario?

Verplichte splitsing energiebedrijven

Deze vraag is tevens een bruggetje naar het volgende onderwerp dat ik wil aansnijden; het pièce de résistance in het wetsvoorstel: het zogenaamde groepsverbod. Een verbod dat voor mijn fractie een brug te ver is. Bijna 10 jaar na de debatten over de Wet Onafhankelijk Netbeheer, zijn de discussies over de splitsing van de energiebedrijven nog onverminderd hevig en verhit. De stellingname van het Ministerie van Economische Zaken heeft daarbij nauwelijks aan dogmatisme ingeboet. Trends als internationalisering en liberalisering en de toenmalige wens om tot meer marktwerking te komen moesten leiden tot privatisering van de energiebedrijven. Maar daarbij dienden de energienetten - een natuurlijk monopolie - vanzelfsprekend in overheidshanden te blijven. Deze stellingname leidde tot een vergaande wet die tot gevolg had dat de vier geïntegreerde Nederlandse energiebedrijven (Nuon, Essent, Eneco, Delta) zouden worden gesplitst. Niet pas logischerwijs bij eventuele verkoop door de publieke aandeelhouders, maar hoe dan ook. Als je de debatverslagen van toen, met name in de Tweede Kamer, terugleest, lijkt het wel of het splitsen van de energiebedrijven voor de toenmalige minister van Economische Zaken (Brinkhorst) doel op zich was en niet een middel dat pas bij privatisering aan de orde zou moeten zijn. Het groepsverbod was en is in de ogen van mijn fractie geen noodzakelijk en proportioneel middel ter bescherming van de netten, zeker niet in de context van de Europese Unie. Naar achteraf blijkt - en waar destijds onder andere door de ChristenUnie reeds voor werd gewaarschuwd - heeft geen enkel Europees land ons in het gedwongen splitsen gevolgd. Splitsing is dan ook geen Europees beleid, met als gevolg dat Nederland “Europeser” is dan Europa zelf en Nederlandse bedrijven op een concurrentieachterstand zet. Sterker, gezonde en steeds duurzamere Nederlandse energiebedrijven en Nederlandse, niet in het minst Zeeuwse werkgelegenheid worden ermee in de uitverkoop gedaan. Dat kan toch niet de bedoeling zijn, voorzitter?

En voorzitter, wat heeft de verplichte splitsing van energiebedrijven ons tot op heden gebracht, behalve voor een aantal provincies een hoop geld? Voor de verduurzaming van de energievoorziening is het in ieder geval slecht geweest. Wrang genoeg zijn het de buitenlandse geïntegreerde energiebedrijven die Essent en Nuon hebben overgenomen, die nieuwe kolencentrales zijn gaan bouwen. Kolencentrales die mijn fractie toen al niet wilde, en die we nu in meerderheid
willen sluiten, met grote maatschappelijke kosten tot gevolg. RWE/Essent heeft niet voor niets de hoogste CO2-uitstoot per geproduceerde kilowattuur (kWh). En wat zijn van de zeven grote elektriciteitsproducenten in Nederland de schoonste c.q. duurzaamste energiebedrijven? U raadt het al: Delta en Eneco. Graag een reactie.

In de uitvoerige antwoorden op de schriftelijke vragen van mijn en andere fracties vind ik dan ook geen steekhoudende argumenten om het groepsverbod nu door te zetten. Het is een oplossing voor een probleem dat niet (meer) bestaat. Mocht het groepsverbod onverhoopt wel van kracht worden, dan zullen publieke belangen niet beter dan op dit moment worden bediend en geborgd, maar zullen wel vele honderden mensen hun baan verliezen. En met name voor de mensen in Zeeland betekent dat een hard gelag. De werkgelegenheid staat daar al zo onder druk. Daar helpt geen symboolpolitieke “Commissie structuurversterking en werkgelegenheid Zeeland” aan, ook al staat deze onder leiding van onze gewaardeerde oud-premier Balkenende. En volstrekt onnodig worden omvangrijke investeringen in duurzame energie van twee goed renderende Nederlandse bedrijven in de waagschaal gesteld. En blijft de kerncentrale in Borssele verweesd achter.

Toekomstig beheer kerncentrale

Over de kerncentrale gesproken. Er is nog steeds geen duidelijkheid hoe de regering de aandeelhouders precies tegemoet gaat komen, mocht de verplichte splitsing onverhoopt doorgaan. Mijn fractie vroeg in de laatste schriftelijke ronde voorafgaand aan deze plenaire wetsbehandeling wat de procedurele bezweringsformule in de memorie van antwoord nou precies betekent. Daar werd namelijk gesproken over, ik citeer “een overeengekomen proces leidend tot een onderbouwde analyse en een heldere weging van mogelijke alternatieven”. Wat schetste mijn verbazing: het antwoord op deze vraag bevatte vrijwel dezelfde formulering, maar zonder de gevraagde inhoudelijke duiding. Graag krijg ik dus van de minister alsnog een inhoudelijk antwoord op de vraag hoe het beheer van de kerncentrale in Borssele nu precies gaat worden geregeld. Want zonder helderheid over het toekomstig beheer van de centrale, is het doorzetten van het groepsverbod een onvoorspelbare en onverantwoorde sprong in het duister. Ik heb zo het vermoeden dat een en ander met de financiële consequenties te maken heeft. Hoe groot zijn de financiële gevolgen van het groepsverbod in relatie tot een verantwoord beheer van de kerncentrale in Borssele? En hoe ziet de minister de financiële verantwoordelijkheid van het Rijk in deze kwestie?

Juridische consequenties

Voorzitter, ik kom op de eventuele juridische consequenties van het door mijn fractie gewenste opschorten van het groepsverbod. Terwijl de minister enerzijds met enige nadruk, zo niet dreiging meldt dat er in dat geval claims zijn te verwachten, geeft hij anderzijds aan niet in te kunnen schatten hoe groot de slagingskans is van eventuele claims tegen de staat in het geval het groepsverbod “on hold” wordt gezet. Het moge duidelijk zijn dat het de ChristenUnie-fractie bevreemdt dat er in dat geval succesvol tegen de staat zou kunnen worden geprocedeerd, terwijl geen enkele andere lidstaat van de Europese Unie een groepsverbod kent en er sowieso geïntegreerde ofwel ongesplitste buitenlandse energiebedrijven op de Nederlandse energiemarkt actief zijn.

Privatiseringsverdriet

Voorzitter, ik kom aan het eind van mijn bijdrage nog even terug op de privatiseringsdimensie van dit wetsvoorstel. Het bevreemdt mijn fractie dat de minister bij de behandeling van dit ingrijpende en verstrekkende wetsvoorstel geen gebruik heeft gemaakt van het gedachtegoed van de Parlementaire Onderzoekscommissie Privatisering/Verzelfstandiging Overheidsdiensten. De energiesector vormde een van de vijf cases die de commissie - ingesteld door de Eerste Kamer - uitgebreid onderzocht. De thematiek van het voorliggende wetsvoorstel rond marktordening, concurrentie, de borging van publieke belangen, sturing en de rol van de overheid vormde hier de essentie. De commissie ontwikkelde een speciaal besliskader om de besluitvorming te verbeteren. Mijn fractie vraagt de minister waarom hij niet expliciet gebruik heeft gemaakt van dit door onze Kamer unaniem aangenomen rapport. De beantwoording door de minister in de schriftelijke vragenronde liet bepaald te wensen over.

Voorzitter, ik sluit af. Het zal duidelijk zijn dat de ChristenUnie afwijzend staat tegenover de gedwongen eigendomssplitsing in de energiesector. De splitsing is overbodig en disproportioneel. Het schaadt ons nationaal belang. De zelf veroorzaakte uitzonderingspositie van ons land in Europa in dit dossier vinden wij niet acceptabel. Ik heb daarom de eerder in deze termijn ingediende motie Meijer-Flierman graag meeondertekend.

Mijn fractie ziet uit naar de antwoorden van de minister op onze vragen en wil hem meegeven dat het beter is ten halve te keren dan ten hele te dwalen, zoals in voorliggend wetsvoorstel gebeurt.

Labels
Eerste Kamer
Energie
Peter Ester

« Terug

Reacties op 'Peter Ester: “Tegen gedwongen splitsing energiebedrijven”'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2015 > december