Peter Ester: "Aanpak schijnzelfstandigheid scheert ten onrechte zzp-ers over één kam"

Portretfoto Peter Esterdinsdag 26 januari 2016 16:30

Vandaag - 26 januari - debatteert de Eerste Kamer over het wetsvoorstel 'Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties'. Een wetsvoorstel dat schijnzelfstandigheid onder zzp'ers wil bestrijden door de VAR (Verklaring Arbeidsrelatie) te vervangen door algemene modelovereenkomsten. Peter Ester toonde zich zeer kritisch over dit voorstel. Dat schijnzelfstandigheid moet worden bestreden is duidelijk, maar de door het kabinet gekozen oplossing is niet proportioneel: "Wat een goede aanpak van schijnzelfstandigheid in de weg zit is het ontbreken van een goede analyse van het probleem en een omvattende visie op het fenomeen zzp'er".

Lees hier de bijdrage van Peter Ester.

Voorzitter,

Het wil maar niet vlotten tussen het kabinet en de zzp’er. Een bevredigende pensioenregeling is nog steeds niet in zicht en de coalitiepartners kunnen het niet eens worden over een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De zelfstandigenaftrek is bij dit alles een heikel punt. Met het voorliggende wetsvoorstel dat de VAR - de Verklaring Arbeidsrelatie - vervangt door algemene modelovereenkomsten, wordt de zaak er niet veel beter op, zo vreest de ChristenUnie-fractie. En dan gaat het niet om het achterliggende principe van de bestrijding van schijnzelfstandigheid, maar om de uitvoering en de randvoorwaarden. Het wetsvoorstel genereert veel onrust onder zzp’ers en opdrachtgevende bedrijven. Schijnzelfstandigheid - ofwel zzp’ers die zich voordoen als zelfstandige ondernemer maar de facto werkzaam zijn in dienstverband - is onacceptabel. De bestrijding ervan vindt mijn fractie vanzelfsprekend. Wat echter niet vanzelfsprekend is, is de proportionaliteit van het wetsvoorstel, de aangedragen remedie, en bovenal het ontbreken van een eenduidige en omvattende visie op het fenomeen zzp’er.

Laat ik beginnen met de proportionaliteit van het wetsvoorstel, een klassiek beoordelingscriterium in dit huis. Wat direct opvalt bij de bestudering van de stukken is dat het volstrekt onduidelijk is hoe omvangrijk het onderliggende probleem is. Ook de Raad van State wees hier op in zijn tamelijk vernietigende advies en ook sprekers voor mij maakten dit punt. Om hoeveel schijnzelfstandigen gaat het nu eigenlijk en is er sprake van een forse stijging?  Het wetsvoorstel haalt veel overhoop in de zzp-wereld, maar het slaagt er niet in de orde van grootte van schijnzelfstandigheid te markeren. De beschikbare cijfers imponeren niet. Was het niet veel beter geweest, zo vraag ik de staatssecretaris, de handhavingskop op de huidige VAR-regeling aan te scherpen, met name in sectoren waarvoor een gefundeerd vermoeden van schijnzelfstandigheid bestaat? Waarom nu alles op de schop nemen? En kan ook de nieuwe regeling niet eenvoudig worden ontdoken? Wat is de meerwaarde op dit punt? Graag een reactie. Kan de staatsecretaris daarbij ook aangeven waarom de aanzuigende werking van de zzp-ondernemersfaciliteiten zich onder het nieuwe regime minder zal voordoen? De Raad van State betrok dit punt ook in zijn negatief oordeel over het wetsvoorstel. Er kunnen, kortom, serieuze vragen worden gesteld bij de proportionaliteit van dit wetsvoorstel. Er is ook geen aanmerkelijk budgettair belang mee gemoeid. Waarom dan toch zo veel tijdsdruk, voorzitter? Het wetsvoorstel leidt nu al tot onbedoelde neveneffecten: bedrijven kiezen positie en verwijzen hun zzp’ers naar payrollbedrijven om het zekere voor het onzekere te nemen. Dit raakt vooral lager opgeleide zelfstandigen.  Of bedrijven besteden even geen werk meer uit aan zzp-ers. Dat is toch zeker niet wat we willen.

Het wetsvoorstel kent een rommelige voorgeschiedenis. In eerste instantie werd de VAR – het “boterbriefje van de zzp’er” aldus het Financieel Dagblad – vervangen door de BGL, de Beschikking Geen Loonheffing. Toen dit op grote bezwaren stuitte in het veld van belanghebbenden, kwam de staatssecretaris met het voorstel van fiscaal getoetste modelovereenkomsten (het huidige wetsvoorstel). Alras bleek evenwel dat invoering per 1 januari jl. geen haalbare kaart bleek omdat er simpelweg te weinig modelovereenkomsten beschikbaar kwamen en de voorlichting niet op orde was. De staatsecretaris zag zich genoodzaakt een transitieplan uit te vaardigen dat de inwerkingtreding een jaar opschuift. Voorwaar geen wonder van strakke regie. Een rondje langs de velden leert dat de zzp-wereld in grote onzekerheid verkeert en zich zorgen maakt om het implementatietraject. Hoe kijkt de staatssecretaris terug op dit wetgevingsproces en welke lering trekt hij hieruit? Kan hij  aangeven in hoeverre de thans beschikbare modelovereenkomsten dekkend zijn? Indien we site van de Belastingdienst raadplegen dan zien we dat het aantal overeenkomsten bepaald niet overloopt. Ook bereiken ons berichten uit bijvoorbeeld de muzieksector, die aangeven dat er voor ieder optreden nieuwe overeenkomsten moeten worden voorgelegd. Dit leidt tot een hoop administratieve rompslomp. Kan de staatssecretaris met ons delen of dit een niet te vermijden issue zal worden voor zzp-ers die kortdurend voor verschillende opdrachtgevers werken?

Er is ook veel onduidelijkheid  over de arbeidsrechtelijke kant van de zaak. Kan de staatssecretaris ook aangeven wat nu de precieze juridische status van de modelovereenkomsten is? Welke zekerheid wordt er nu precies geboden? Veel is en blijft ongewis en werkgevers zijn daarom beducht voor forse naheffingen. En dit leidt er weer toe dat zij minder werk uitbesteden waardoor de omzet van zzp-ers onder druk komt. Hoe schat de staatssecretaris de gevolgen in van het wetsvoorstel voor de arbeidsmarktpositie en het ondernemerschap van zzp-ers? Gaat hij dit monitoren?

Mocht het wetsvoorstel worden aangenomen dan is een stevige evaluatie geboden. Deze evaluatie is na drie jaar voorzien. Kan de staatssecretaris toezeggen, zo vraagt mijn fractie, dat de ervaringen die worden opgedaan in de implementatiefase tussen 1 april en het eind van dit jaar, tot bijstellingen van het beleid kunnen leiden?

Voorzitter, de reden waarom het kabinet op zo weinig vorderingen kan bogen in het zzp-dossier heeft ongetwijfeld ook van doen met botsende maatschappijbeelden van de coalitiepartners. Of milder uitgedrukt: met maatschappijbeelden die niet zonder meer in elkaars verlengde liggen. De sociaaldemocratische visie benadrukt het verlies van fundamentele zekerheden dat de status van zzp’er met zich brengt rond inkomensderving bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, het ontbreken van een goede pensioenregeling en de dreiging van concurrentie met de klassieke werknemer vanwege hun lagere premielast. De liberale visie beklemtoont juist de positieve aspecten van het zzp-schap: nieuw ondernemerschap en nieuw elan, flexibiliteit, onafhankelijkheid en zelfregie en het voorzien in je eigen inkomen. De ene opvatting ziet het groeiende zzp-leger vooral als een arbeidsmarktprobleem, de andere opvatting juist als een arbeidsmarktoplossing. Twee verschillende maatschappijvisies, twee verschillende visies op het zzp-fenomeen. 

Hoe het ook is, voorzitter, de zzp’er is niet meer weg te denken van de Nederlandse arbeidsmarkt. In tien jaar tijd is hun aantal explosief gestegen naar zo’n 800.000 fulltime zelfstandigen en het eind is nog niet in zicht. Bovendien zijn er enige honderdduizenden die werknemerschap en zzp-schap combineren. Het gaat hier om een “stille revolutie” op de Nederlandse arbeidsmarkt. Deze ontwikkeling heeft grote gevolgen voor de balans tussen flexibiliteit en zekerheid in Nederland en voor de collectieve verzekeringen. Dit maakt dat de overheid zich dient te bezinnen op wat nu het bredere perspectief is op de positie van de zzp’er op de Nederlandse arbeidsmarkt, alsmede op de arbeidsrelaties en contractvormen die daarbij horen. Wetgeving moet zich baseren op een helder inhoudelijk en omvattend kader rond het zzp-schap. We moeten er, aldus mijn fractie, voor waken dat het kabinet met een reeks van zzp-wetsvoorstellen komt waarvan het grotere geheel niet duidelijk is. Dat geldt daarmee ook voor dit wetsvoorstel dat de arbeidsrelatie tussen opdrachtgever en de zzp’er als opdrachtnemer herdefinieert. En daar zit nu net de makke. Mijn fractie heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat dit wetsvoorstel over deregulering van de beoordeling van arbeidsrelaties nadrukkelijk verbonden dient te worden met deze meer integrale plaatsbepaling. Daarbij was steeds het wachten op de rapportage van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Zelfstandigen zonder personeel. In de wandelgangen: IBO zzp. Dit rapport verscheen eerder vorig jaar; de kabinetsreactie volgde in oktober. Het rapport zelf biedt een brede reflectie op de positie van de zzp’er en een brede baaierd aan cijfermatige inzichten. Interessant is het voorstel om het beleid niet zozeer in te zoomen op de as “zelfstandige-werknemer” maar meer op de as “zelfredzaamheid-afhankelijkheid” voor alle werkenden. De institutionele vorm van werken wordt daarmee minder relevant en de kwetsbaarheid van de positie juist meer relevant. De mate waarin dit het geval is, is dan afhankelijk van de politiek gewenste mate van bescherming en solidariteit. Een drietal beleidsvarianten wordt aangedragen die tamboereren op deze dimensie. De eerste variant zet in op bescherming van zzp’ers en werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt, de tweede variant focust op keuzevrijheid, flexibiliteit en innovatie en de derde variant richt zich op toegankelijke bescherming en lagere lasten op arbeid. Deze inhoudelijke invalshoek maakt een veel beter debat mogelijk over hoe we kwetsbare zzp-ers daadwerkelijk en effectief kunnen beschermen en welk sociaal vangnet er voor hen beschikbaar is. Dat is het debat waar mijn fractie behoefte aan heeft.

De reactie van het kabinet op deze integrale visie van het IBO zzp was voor mijn fractie teleurstellend. Vooral veel verwijzingen naar vigerend beleid, nader onderzoek en komende dialogen. Waarom, voorzitter, heeft het kabinet niet gekozen voor een meer offensieve visie? Wat vindt de staatssecretaris van de fiscale analyse en de fiscale beleidsrichtingen die het IBP zzp rapport voorstelt? Kan hij daarmee uit de voeten voor zijn beleid? Of is de waarneming van mijn fractie correct dat hij deze fiscale implicaties liever aan een volgend kabinet overlaat? Graag een reactie op deze punten. Mijn fractie koppelt daaraan de vraag hoe de staatsecretaris in dit dossier concreet omgaat met de mede door de ChristenUnie ondertekende motie-de Graaf die vraagt om een visie op een meer evenwichtige verhouding tussen werknemers en zelfstandigen op de Nederlandse arbeidsmarkt. De paar zinnen die de staatssecretaris hier in zijn brief van 16 november jl. aan wijdt, zijn te mager. De staatssecretaris had in de ogen van mijn fractie ook best even kunnen wachten op het komend SER-advies over flexibilisering van de arbeidsmarkt en de rol van de zzp’er. Er is immers geen evidente dringendheid die snelle wetgeving vereist.

Voorzitter, ook de wereld van de intermediaire dienstverleners, de uitzendbranche en bemiddellaars, heeft zich duchtig geroerd rond dit wetsvoorstel. Hun aanvliegroute is een wat andere. Zij vrezen een wirwar van modelovereenkomsten die hun dienstverlening ondermijnen en constateren dat invoering van het wetsvoorstel op grote praktische problemen stuit. Zij vrezen dat het dienstverband tussen intermediair en zzp’er als fictief wordt gezien en zij daarom onder het regime van de loonheffing zullen vallen. Kan de staatssecretaris nog eens uitleggen wat hij de uitzend- en bemiddelingsbranche te bieden heeft? Is een hoger aggregatieniveau en een beperkt aantal modelovereenkomsten een serieuze mogelijkheid? Welke rol speelt het klassieke tussenkomstmodel hierbij? We hebben het immers over een branche die meer dan 700.000 mensen een baan biedt.     

Voorzitter, ik rond af. De ChristenUnie-fractie deelt de zorg over het kwalijke fenomeen van schijnzelfstandigheid. Het kabinet kan evenwel niet inzichtelijk maken wat de omvang van het misbruik is. Onze kritiek, stevige kritiek mag ik wel zeggen, betreft vooral de proportionaliteit, de niet aannemelijk gemaakte urgentie, het gebrek aan onderliggende visie op het zzp-fenomeen en de implementatieproblemen rond het wetsvoorstel.

Mijn fractie ziet uit naar de reactie van de staatssecretaris op onze vragen en kritiek.

Labels
Eerste Kamer
Peter Ester

« Terug

Nieuwsarchief > 2016 > januari