ChristenUnie zet in op behoud pluriformiteit publieke omroep

Mirjam Bikker - Foto: Rufus de Vries/ChristenUniedinsdag 02 februari 2016 17:10

Vandaag - 2 februari - debatteert de Eerste Kamer over de nieuwe Mediawet. Senator Mirjam Bikker benadrukte het belang van een onafhankelijke publieke omroep en pluriform omroepbestel: "Mijn fractie hecht groot belang aan de omroepverenigingen. Welk instituut in ons land kan zeggen dat er 3,5 miljoen huishoudens lid zijn? Helaas lijkt de echte waardering voor de omroepverenigingen en hun inzet bij het kabinet te ontbreken. Voor de ChristenUnie vormen zij de kern van het bestel."

Uitgangspunten waar de Eerste Kamerfractie van de ChristenUnie de nieuwe Mediawet aan toetst zijn: wordt recht gedaan aan de omroepverenigingen; blijft de rol van de NPO bescheiden; en blijft de ruimte voor levensbeschouwelijke inbreng intact?

Lees hier de volledige bijdrage van Mirjam Bikker.

Voorzitter,

‘Het bestel wordt gelegd in de handen van uit de samenleving opgekomen en opkomende organisaties, waardoor een zo groot mogelijk aantal meningen de huiskamers binnen kan komen,’ zo sprak de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, mejuffrouw Marga Klompé bij de behandeling van de Omroepwet in 1967. Het publieke bestel ging open.De tijden zijn veranderd, maar het verlangen naar een pluriforme, onafhankelijke, goed functionerende en toekomstbestendige publieke omroep blijft. De grote waarde van de publieke omroep, dat alle geluiden uit de samenleving er kunnen klinken, dat we kennis nemen van elkaars gedachten en diepste drijfveren, dat de onderliggende waarden met elkaar gedeeld worden, die grote waarde koestert de ChristenUnie ook vandaag de dag. Dat versterkt de samenleving.

Het voorliggende wetsvoorstel moet het huis van de Publieke Omroep zo op orde brengen dat het bestand is tegen de tijdgeest van het komende decennium en een nog groter bereik heeft. Mijn fractie vindt dat in zichzelf geen verkeerde doelstelling, maar heeft aarzelingen bij de probleemanalyse die aanleiding is van dit wetsvoorstel,  en heeft zorgen dat de gekozen oplossingen en de neveneffecten van dit wetsvoorstel uiteindelijk een bedreiging vormen van het draagvlak, de pluriformiteit en onafhankelijkheid.

Allereerst enkele woorden over de probleemanalyse en vervolgens een weging van het wetsvoorstel. Twee pijlers zijn de grondslag van dit voorstel. Het veranderende medialandschap en het bereik van bepaalde doelgroepen. De staatssecretaris grijpt daarbij terug op het advies van de Raad van Cultuur. Maar de ChristenUnie mist een diepere analyse wat nu de moeilijkheden zijn in de huidige wetgeving bij het veranderende medialandschap. Misschien is dat wel dat je jongeren helemaal niet bereikt via npo-kanalen. Maar via netflix of youtube, of dat jongeren überhaupt geen tv meer gaan kijken. Als het probleem niet scherp is, maar alleen de trend wordt benoemd, is er het gevaar dat een snelle oplossing eigenlijk geen oplossing blijkt.

Ten aanzien van de wens tot een verbeterd bereik constateert de ChristenUnie dat een diepte-analyse zich beperkt tot de cijfers van kijkers die  gewoon hun tv aanzetten. Maar  voor on-demand en uitzending-gemist is de analyse slechts kwantitatief en beperkt tot een week na de uitzending. Met hoeveel zekerheid kan je dan uitspraken doen over het bereik? Of over de nieuwe doelstellingen? Bovendien zijn het uiteindelijk niet de kijkcijfers die het stelsel moeten dicteren. Kwaliteit, verdieping, effect in de maatschappij doordat het gesprek over onderliggende waarden gaat, dat moet leidraad zijn. Als kijkcijfers alleen de richting bepalen, is de meerwaarde van de publieke omroep snel vertrokken. De pijlers onder het wetsvoorstel ogen daarmee wankel, de probleemanalyse had beter gemoeten. Graag een reactie.

Dat gezegd hebbend, kom ik bij de inhoud van het wetsvoorstel. Voor de ChristenUnie zijn daarbij 3 uitgangspunten extra belangrijk bij de weging van dit wetsvoorstel. Wij hebben ze de staatssecretaris reeds genoemd bij de vorige stap die hij zette ter verbouwing van de Mediawet. Die uitgangspunten zijn:

  1. Een sterke positie van omroepverenigingen als ledenorganisaties met invloed op de programmering;
  2. Een bescheiden rol van de NPO in de programmering en toewijzing van zendtijd;
  3. De ruimte voor levensbeschouwelijke inbreng.

De ChristenUnie hecht groot belang aan de sterke positie van omroepverenigingen. Er zijn 3,5 miljoen huishoudens lid. Welk Nederlands instituut heeft zo’n draagvlak, is zo’n robuust bastion van collectieve meningsvorming en uiting? Het huidige wetsvoorstel en de probleemanalyse impliceren dat omroepverenigingen vooral hun eigen achterban bedienen. Tussen de regels door zou men kunnen proeven dat ze als achterhaalde relicten gelden. Dat doet geen recht aan de taakopvatting en programma’s die gemaakt worden. Ik mis te vaak bij het kabinet de waardering voor de inzet en overtuiging die omroepverenigingen hebben om betekenisvolle programma’s te maken.

Programma’s die de samenleving in de breedte aanspreken.  Hoe ziet het kabinet de omroepverenigingen? Als kern van het bestel of als aflopende zaak? Is dit wetsvoorstel opmaat naar meer? De ChristenUnie wenst niet mee te werken aan het afbreken van het hart van het bestel.
De Nederlandse publieke omroep is namelijk uniek en presteert goed. Wie de staat van de Nederlandse publieke omroep opmaakt, moet constateren dat ze vergeleken met andere landen uitstekend presteert tegen een gemiddeld budget. Ook als het gaat om het bereik van de verschillende groepen doet de publieke omroep het goed. Waar de individualisering de ontmoeting tussen verschillende groepen in de samenleving belemmert,  daar blijft de publieke omroep verbindend. Ze draagt er aan bij dat we kennis nemen van elkaar en elkanders diepste overtuigingen, dat we elkaar ruimte gunnen en in gesprek gaan over het waarom. Het levensbeschouwelijke media-aanbod is een integraal onderdeel van de publieke mediaopdracht. De diepste overtuigingen verdienen niet alleen een plek met programma’s aan de rand van  zendtijden en mediakanalen, maar zijn stevig onderdeel, graag een duidelijke bevestiging van de staatssecretaris.

Het huidige wetsvoorstel gaat niet uit van die kracht, maar zoekt de oplossing in een sterkere NPO en de komst van buitenproducenten. Het is straks aan de NPO om zo nodig middels buitenproducenten dat vergrote bereik te halen.  Dit wetsvoorstel spreekt zelfs over te organiseren publieksbetrokkenheid door de NPO. Wat is het einddoel van de regering, maar ook van politieke partijen die enthousiast zijn? Een soort staatsomroepvereniging, of in beleidstaal een volwaardige mediaorganisatie? Mijn fractie wijst zowel verstatelijking als vermarkting af. Doet de staatssecretaris dat ook?  Voorkomt hij dat de NPO zich steeds meer opbolt, waarbij het hart, of zo u wilt de ziel van de publieke omroep, dat zijn de omroepen zelf, langzaam uit beeld raakt, of zou hij dat geen probleem vinden? Het moet  zin blijven hebben om lid te worden van een omroep. Welke meerwaarde heeft het lidmaatschap van een omroepvereniging straks volgens de staatssecretaris? Hoe draagt dit voorstel bij aan sterke omroepverenigingen en enthousiasmeert het potentiële nieuwe toetreders? Graag de visie van de staatssecretaris, en een overtuigd ja,  dat de kern van de Nederlandse publiek omroep bestaat uit stevige omroepverenigingen. En dat ook in een nieuwe concessieperiode dat het uitgangspunt moet zijn.

Publiek belang is volgens mijn fractie trouwens wel een gezonde media-opvoeding van de nieuwe generatie. De teruggang van tv-kijktijd bij jongeren gaat hard, schrijft de staatssecretaris, dat moet beter. Tegelijk is het huidige aantal minuten dat een jongeren vandaag de dag tv kijkt, nog steeds boven de nationale gezondheidsadviezen. Wat is dus een succes? Hoe kan de staatssecretaris zich in de ene rol zorgen maken om de schermtijd van jongeren en in de andere rol aanmoedigen dat er veel tv gekeken wordt? Ik hoor het graag.

Ons tweede wegingspunt is een bescheiden rol voor de NPO. Dat wringt. Laat ik beginnen met een simpele vraag. Waar positioneert de staatssecretaris de NPO nu precies in het bestel? Aan de voorkant en bij de inhoud, of aan de achterkant van de producties of eigenlijk overal? Bepalende zaken zijn in de wet niet uitgewerkt. Daar is de Raad van State zeer kritisch over, zelfs met verwijzing naar de Grondwet. Ik deel de vragen van het CDA. Doordat de uitleg van de nieuwe wetsbepalingen vervolgens ook nog eens wisselt, is mijn fractie argwanend. Neem de bestelmacht. Als een omroep als co-producent optreedt met een externe partij, stelt het concessiebeleidsplan dat omroepen de inhoudelijke kaders kunnen aanpassen en dat tenslotte goedkeuring van de NPO nodig is voor de uitwerking. Maar de staatssecretaris schrijft in reactie dat direct bij elke wijziging naar de NPO gegaan moet worden voor goedkeuring.  Wat is het nu? Graag duidelijkheid. 

Er klonken voorbeelden van bemoeienis door de NPO met de inhoud. Hoe wordt voorkomen dat de beoordeling of een programmavoorstel past in een genre of netprofiel  wordt opgerekt tot een oordeel over de inhoud? Welke elementen bepalen dan of een voorstel voldoet? En hoe verhoudt zich dat dan tot de vrijheid die de omroepen hebben voor vorm en inhoud van het programma conform art. 2.88 Mediawet? Is het NPO-oordeel bindend en wat zijn de checks and balances? Terughoudendheid en bescheidenheid is de norm, meer dan dat vraagt om uitleg. Dat principe moet uitgangspunt zijn.  Bevestigt de staatssecretaris dat klip en klaar?
De ChristenUnie ziet art. 2. 88 Mediawet als uitgangspunt. Maar dat moet geen lege huls worden. Garandeert de staatssecretaris een terughoudende opstelling van de NPO? Hoe blijft artikel 2.88 Mediawet dat krachtige uitgangspunt? Inhoudelijk heb ik de vraag of buitenproducenten straks beter af zijn. Geeft de huidige situatie van zelf een idee voorleggen bij een omroep inhoudelijk eigenlijk niet meer ruimte? De externe partij kiest zelf, kan nog naar een andere omroep stappen als het inhoudelijk geen goed huwelijk blijkt. Nu is er 1 loket, de NPO.

Het derde belangrijke wegingspunt is de ruimte voor levensbeschouwing. Ik zie die ruimte bekrachtigd in de motie Segers-Bisschop. Maar welke uitvoering geeft de staatssecretaris aan deze motie? 

Voorzitter. Naast deze punten ziet mijn fractie een aantal andere moeilijkheden. Ik leg ze kort neer. Allereerst is er de zorg van bureaucratisering. Ik  vraag de staatssecretaris hoe dit wetsvoorstel de stapels paperassen, procedures en overleggen vermindert. Hoe wordt de publieke omroep hier slagvaardiger van?

Daarnaast hebben voorgaande sprekers terecht veel gezegd over de benoemingen van bestuurders en toezichthouders door de Minister. Als onafhankelijkheid het devies is, moet te allen tijde voorkomen worden dat de  politieke geur aan een benoeming kleeft. Helaas is dat nu niet het geval. Er ligt al een opdracht tot herijking. Dat is goed, de onafhankelijkheid moet buiten kijf staan in de breedte van het benoemingsbeleid.  Maar hoe en wanneer en met welke daadkracht voert de staatssecretaris deze opdracht uit? Als dat een meerjarenplan wordt, vindt de ChristenUnie dat in elk geval onvoldoende.

Dan het financiële beeld van de publieke omroep. Wordt daar niet te makkelijk over gedaan? Algemeen beeld is dat de STER-inkomsten zullen teruglopen. Helder is dat een aantal sportevenementen inmiddels al niet meer bij de publieke omroep wordt uitgezonden. Dat zal ook gevolgen hebben voor de reclame-inkomsten. En vervolgens heeft dit kabinet een wetsvoorstel gelanceerd dat online gokken liberaliseert. Een wetsvoorstel waar ik weinig mee heb, dat zal geen verrassing zijn. Maar de waarde van de uitzending van sportevenementen in Nederland zal daardoor toenemen en ik vrees dat gokmarkt en commerciële omroepen hun kansen ruiken. Geen wenkend perspectief voor begroting en kijkcijfers van de publieke omroep. Wat is de visie van de staatssecretaris? Als geschetst wordt dat na dit wetsvoorstel de rust moet terugkeren, wat garandeert hij dan als inkomsten teruglopen?

Vervolgens de Regionale Omroepen. Indien dit wetsvoorstel niet de meerderheid haalt, brengt het de regionale omroepen in problemen vanwege de ingecalculeerde bezuinigingen. Dat geeft direct de verdenking dat de RPO in zichzelf een bezuinigingsvehikel is. Terwijl we zien dat de regionale en lokale omroepen op veel plaatsen in zwaar weer verkeren en tegelijk van levensbelang zijn als tegenmacht en waakhond in de lokale democratie. De verdere invulling komt bij een volgend wetsvoorstel. Daarmee stemmen we nu in met een kapstok, zonder helemaal helder te hebben welke jassen er aan zullen hangen. De bezuiniging mag niet ten koste gaan van kwaliteit en inhoud. Hoe voorkomt de staatssecretaris dat? Hoe weet hij dat kwaliteit gewaarborgd is? Hoe wordt voorkomen dat de RPO de regionale kracht en eigenheid niet juist wegneemt? Hoe staat het met de uitvoering van de motie Heerma/Segers met betrekking tot Omrop Fryslan?

Afronding
Voorzitter, de ChristenUnie ziet de veranderingen in het medialandschap, vindt het logisch dat de publieke omroep zich daar op aanpast. Maar ook een nieuw bestel moet de positie van de omroepverenigingen sterk maken, een bescheiden opstelling van de NPO tot uitdrukking brengen en pal staan voor de pluriformiteit. Nu de probleemanalyse beperkt is, de indruk bestaat dat de vrijheid van de omroepen wordt beperkt en de NPO zich in de mal van een steeds meer actieve mediaorganisatie moet ontwikkelen, en er discussie is over het benoemingsbeleid twijfelt de ChristenUnie zeer of dit voorstel het bestel versterkt. Mijn fractie zal daarom zorgvuldig luisteren naar de antwoorden van de staatssecretaris om deze goed te kunnen wegen.

« Terug

Reacties op 'ChristenUnie zet in op behoud pluriformiteit publieke omroep'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2016

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari