Bijdrage Gert-Jan Segers aan het algemeen overleg Notitie antidemocratische groeperingen

donderdag 09 april 2015

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Gert-Jan Segers als lid van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan een algemeen overleg met minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en minister Plasterk van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Onderwerp:   Notitie antidemocratische groeperingen

Kamerstuk:    29 279

Datum:           9 april 2015

De heer Segers (ChristenUnie): Mevrouw de voorzitter. Vrijheid is kwetsbaar en vrijheid moet verankerd zijn, vooral in overtuigingen. Ten diepste gaat het om de weerbaarheid van de democratische rechtsstaat, van een democratische samenleving. Ook ik heb het boekje met de titel "Wat te doen met antidemocratische partijen?" gelezen, de oratie van George van den Bergh uit 1936. Ik zal daar zo op ingaan, maar een mogelijk verbod op partijen is eigenlijk een afgeleide oplossing. De weerbaarheid van de samenleving zelf is veel crucialer.

Die weerbaarheid vraagt om materiële versterking van de verankering van fundamentele rechten en vrijheden in onze Grondwet. Dat heeft een pedagogische en een symbolische functie, maar ook een normerende functie, een belangrijke functie van de Grondwet. Je geeft namelijk aan wat de fundamentele waarden en vrijheden zijn van onze Nederlandse samenleving. Het kabinet heeft als voornemen om te verankeren in de Grondwet dat wij een democratische rechtsstaat zijn. Dat is een mooi voornemen. Mijn voorstel is om dat materieel meer invulling te geven, om daar meer woorden aan te wijden dan alleen de enkele zin dat wij een democratische rechtsstaat zijn. In positieve zin zou eraan toegevoegd kunnen worden dat vrijheden fundamenteel zijn, dat die iedereen toekomen, dat die ook iets zijn waaraan wij elkaar houden en dat iedereen eraan gehouden is om die vrijheden te onderhouden en daarvoor te staan. In negatieve zin zou eraan toegevoegd kunnen worden dat vrijheden er niet zijn om vrijheden van anderen te dwarsbomen. Vrijheden zouden dus een positieve rol moeten hebben. Dat zou een aanvulling kunnen zijn op de zin die het kabinet voornemens is toe te voegen aan de Grondwet. Ik krijg graag een reactie op dat voorstel.

Ik kom op de specifieke vraag wat we moeten doen met antidemocratische partijen. In zijn oratie haalt George van den Bergh een Britse kiezer aan die aan een Engelse fascistische leider vraagt: "How can I get rid of you if you don't please me?" Dat is het kernprobleem. Als die fascist er eenmaal zit nadat hij via democratische weg gekozen is en hij de democratie afschaft, dan kunnen wij hem niet meer wegstemmen als hij één keer een meerderheid achter zich heeft. Dan is de zelfcorrectie van het democratische systeem niet meer mogelijk. Dat sterke zelfcorrigerende mechanisme in de democratische rechtsstaat maakt veel ruimte voor vrijheid mogelijk, maar kan dus onder druk komen te staan als die vrijheid zelf wordt aangetast. Met die democratische paradox hebben we te maken. Die vraagt mijns inziens om een bredere benadering dan alleen een pleidooi voor het verbieden van shariapartijen. Dat is wel de aanleiding van het hele debat, maar daarbij moeten we niet eenzijdig kijken naar shariapartijen. Aanvallen op vrijheid kunnen van alle kanten komen, ook van bijvoorbeeld rechts-extremistische en racistische groeperingen of van, zoals al eerder is aangehaald, groeperingen die pedofilie willen legaliseren of verheerlijken. Van alle kanten kunnen fundamentele vrijheden worden ingeperkt en onder druk komen te staan. Die breedte moeten wij zeker in de gaten houden.

Van den Bergh betoogt dat de democratische rechtsstaat een groot zelfcorrigerend vermogen heeft -- collega Voortman doelde daarop -- zolang de fundamentele rechten en vrijheden die haar vormen niet diepgaand worden aangetast. Dat is de voorwaarde. Om die aantasting te voorkomen moet de vrijheid om dat te doen soms wel worden aangetast, namelijk door middel van een verbod op antidemocratische partijen. Van den Bergh pleit daarvoor, zo schrijft hij, na veel overpeinzingen en lang aarzelen. Ik herken dat ongemak. Een democraat verbiedt niet graag. Ik vraag mij wel af of wij niet meer instrumenten nodig hebben of moeten hebben om daar in het uiterste geval wel toe over te gaan. Daarover heb ik een paar vragen.

De regering geeft in haar notitie aan dat er nu al voldoende middelen zijn om partijen te verbieden, maar is de grondslag van artikel 2:20 BW, de openbare orde, wel geschikt om onze democratische rechtsstaat te verdedigen? Zouden we antidemocratische partijen niet eerder een halt moeten kunnen toeroepen dan pas op het moment "dat beleid ter realisering van dergelijke doelstellingen voor de democratie voldoende naderend is"? Wat is "voldoende naderend"? Is dat als Hizb ut-Tahrir 30%, 40% van de stemmen heeft en een meerderheid dreigt te hebben? Is dat voldoende naderend? Of is dat als zo'n beweging zo'n podium en zo'n aantrekkingskracht heeft dat er een enorm destructieve werking van uitgaat? Moeten we niet al veel eerder kunnen ingrijpen? Hoe beoordeelt het kabinet de ruimere mogelijkheden in Duitsland om partijen te verbieden? Collega Heerma refereerde daar al aan. Het gaat dan om partijen die de fundamentele rechten en vrijheden van de democratische rechtsstaat willen aantasten. Wat vindt het kabinet van het pleidooi van George van den Bergh uit 1936 dat eisen moeten worden gesteld aan politieke partijen? Hij schrijft dat het zelfreinigend vermogen daar aanwezig moet zijn. Maar dan moet er wel openheid zijn over financiën en moeten er voldoende waarborgen zijn als het gaat om ledeninvloed. Politieke partijen zijn dus cruciaal voor het zelfreinigend vermogen, maar dan moeten die wel aan een aantal criteria voldoen.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

« Terug