Verder zónder gas, mét Groningen

scheuren groningen.jpg
carladikfaber2018
Door Carla Dik-Faber op 22 januari 2019 om 17:27

Verder zónder gas, mét Groningen

“Overheidsfalen van on-Nederlandse proporties.” Dat waren de woorden van minister Eric Wiebes bij zijn eerste werkbezoek. Groningen kreeg van hem prioriteit, was de boodschap, zoals dat al jaren eerder had moeten gebeuren. Groningen – jarenlang zonder gêne leeggepompt – moest weer op de Nederlandse kaart worden gezet.

Met zulke grote woorden móesten daden volgen. Dat gebeurde ook. De NAM – zelf belanghebbende bij de gaswinning – wordt uit het proces van schadeafhandeling en versterking gehaald. Er is een nieuw schadeprotocol en er komt een nieuw Instituut Mijnbouwschade. Het is klip en klaar dat de NAM álle kosten van schade en versterking zal vergoeden. Er is ruim 1 miljard beschikbaar voor het toekomstperspectief van Groningen. En, een fundamenteel besluit: aangekondigd is dat de gaswinning zo snel mogelijk helemaal naar nul gaat.

En toch: het is de betrokken overheidsinstanties niet gelukt. Er liggen 17.500 schademeldingen op de plank en de versterking komt niet op gang. Terwijl inwoners op duidelijkheid wachten, wijst in een kringetje iedereen naar elkaar en gebeurt er intussen niets. Ik ben daarover boos en teleurgesteld.

Al zijn enthousiasme ten spijt, uiteindelijk is de minister zelf degene die verantwoordelijk is voor de instanties die nu niet over de brug komen. Vorige week heb ik hem hier tijdens het Kamerdebat dan ook verantwoordelijk voor gesteld. Híj moet er nu voor zorgen dat mensen wél het verschil merken en weer vertrouwen krijgen in de toekomst – de ambitie waarmee dit kabinet aan de slag is gegaan.

Dan is de vraag natuurlijk: hoe dan?

De regio (Groninger Bodem Beweging, Gasberaad, provincie en gemeenten) heeft daarover een brief geschreven met waardevolle adviezen. Je kunt net zo goed zeggen dat het mooi is dat de regio meedenkt over de eigen toekomst, als je kunt zeggen dat het belachelijk is dat de regio zelf met oplossingen moet komen. Maar áls de regio dan met eigen ideeën komt, is het reden dat bijzonder serieus te nemen. Omdat het óm Groningen gaat en we het dus ook mét Groningen moeten doen.

Dan inhoudelijk. De voorstellen uit de regio zijn het omarmen waard en moeten ook in de Tweede Kamer kracht worden bijgezet. Ik heb daarom ook een aantal moties (mede)ingediend om hier direct mee aan de slag te gaan. Een paar voorbeelden:

  • aannemers kunnen schade onder de € 10.000 direct herstellen, inspectie en beoordeling komen er alleen aan te pas als het gaat om hogere bedragen (de zogeheten ‘aannemers-variant’), zodat mensen met schade aan hun huis in de meeste gevallen direct aan de slag kunnen met herstel, in plaats van wachten op beoordeling;
  • er komt een samenhangende beoordeling en afhandeling van schade en versterking door één Instituut Mijnbouwschade, wat voor meer duidelijkheid moet zorgen en zorgt voor één aanspreekpunt voor inwoners;
  • gemeenten hebben de mogelijkheid om versterking en gebiedsontwikkeling te combineren, zodat niet alleen wordt gewerkt aan herstel, maar ook aan nieuw perspectief;
  • de minister moet voor 1 februari met gemeenten afspraken maken over geld en planning, zodat de mensen met de meest onveilige woningen (de zogenaamde P50-groep) uiterlijk in februari geïnformeerd worden;
  • er komt op verzoek van de sector zelf een agroloket voor boeren, want zij hebben te maken met complexe schade, asbestsanering en veranderingen in de bedrijfsvoering en belang bij specifieke ondersteuning daarbij.

Opnieuw maatregelen – daden bij de woorden – die oplossingen dichterbij moeten brengen. Tegelijkertijd besef ik dat hiermee de situatie in de praktijk nog niet veranderd is. De stapel schademeldingen is morgen niet ineens verdwenen. Dit gaat – opnieuw – tijd, bloed, zweet en tranen kosten. Maar met het ‘aannemers-model’ hoop ik dat dit wel voortvarend opgepakt kan worden. En er móet snel begonnen worden met de versterking van de meest onveilige woningen.

Ik verwacht, kortom, niet dat alle kritiek in één klap weg is. Het HRA-model, een wetenschappelijk gevalideerd model dat jaarlijks verfijnd wordt, heeft nog niet iedereen kunnen overtuigen. De Mijnraad heeft geadviseerd om op basis van dit model de meest onveilige woningen te versterken. En ik kan niet anders zeggen dan dat er nu geen beter model om de volgorde te bepalen waarin woningen versterkt moeten worden, voorhanden is. Het alternatief - nu teruggaan naar het oude Meerjarenprogramma - betekent dat de meest onveilige woningen in de wacht komen te staan en dat wil ik niet.

Wel is belangrijk dat we het model niet heilig verklaren. Wel of niet versterken, dat mag niet afhangen van een rekenmodel. Daarom moet een opname van de woning altijd ook fysiek plaatsvinden. Dat geldt ook voor woningen waarvan eerder is vastgesteld dat ze versterkt moeten worden, maar nu volgens het model veilig zijn. Ik begrijp heel goed dat mensen er dan niet gerust op zijn. Er is klip en klaar toegezegd dat hiervoor capaciteit wordt vrijgemaakt. De menselijke maat moet centraal staan.

Mensen in Groningen moeten net zo fijn en veilig wonen als mensen elders in ons land. Dat is het doel waar we aan werken. Nadat het vorige kabinet de gaskraan wagenwijd openzette en de productie liet oplopen naar recordhoogte, gaat die nu zo snel mogelijk dicht. Schade moet worden hersteld en huizen worden versterkt en dan niet tientallen, zoals tot nu toe, maar álle onveilige woningen. Alleen met zichtbare resultaten kan vertrouwen hersteld worden. Zoals iemand zei: “ga gewoon aan de slag!” Dat wil ik ook. Groningen verdient perspectief op een betere toekomst. Ik wil verder zonder gas, maar mét Groningen.

Labels: ,