Bijdrage Carla Dik-Faber aan het algemeen overleg Decentralisatie Wmo

carla-dik-banner-2-944x390woensdag 08 juni 2016 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Carla Dik-Faber aan een algemeen overleg met staatssecretaris van Rijn van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Onderwerp:    Decentralisatie Wmo

Kamerstuk:    29 538          

Datum:            8 juni 2016

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Voorzitter. We zijn ongeveer anderhalf jaar op weg met de nieuwe Wmo. Ik moet eerlijk zeggen dat het beeld nogal wisselt. Aan de ene kant zien we dat gemeenten hun nieuwe taken voortvarend oppakken. Samen met zorgverleners spannen zij zich maximaal in om te zorgen dat iedereen de zorg en ondersteuning krijgt die nodig is. Een voorbeeld daarvan is de coöperatie StaphorstWerkt!, waarin de doelgroepen uit de Participatiewet en de dagbesteding samenwerken. Ik ben dan ook erg content met het vernieuwingsoverleg tussen de VNG en zorgaanbieders om tot een vernieuwd zorgaanbod te komen, waarin de cliënt centraal staat. Wat mij betreft zou de cliëntvertegenwoordiging overigens ook aan dit overleg moeten deelnemen.

Tegelijkertijd word ik geconfronteerd met talloze brieven van maatschappelijke organisaties die wijzen op knelpunten. Ik wil een aantal daarvan langslopen, te beginnen met de toegang tot zorg. Die is niet zo vanzelfsprekend als we denken. Vaak zijn talloze organisaties op een bepaald vlak actief in een gemeente, maar de zorgbehoevende burger weet niet waar hij moet aankloppen. Het knelt met name bij ouderen. Vaak moeten de kinderen, die vaak ook in een andere gemeente wonen, uitzoeken waar hun vader of moeder zich moet melden. Ook zijn er mensen met ggz-problematiek, die het allemaal niet overzien of zorg mijden. Als mensen het loket dan hebben gevonden, duurt het vaak nog zes weken of langer voordat de zorg daadwerkelijk geleverd wordt.

Is het niet denkbaar dat, als iemand op basis van een snelle toets inderdaad ondersteuning nodig heeft, direct wordt gestart met het leveren van zorg, en dat in de loop van de weken op basis van inschattingen van de zorgprofessional, dus niet alleen op basis van één keukentafelgesprek, wordt bekeken welke zorg daadwerkelijk nodig is? Dat is een beetje zoals het gaat in het buurtzorgmodel. Ik besef dat dit een wijziging is van de werkwijze, maar ik zie de volgende voordelen. De cliënt ontvangt direct zorg, er komt weer vertrouwen in de zorgprofessional en wellicht leidt het uiteindelijk ook tot meer efficiency. Volgens mij laat de wet hier ook wel ruimte voor. Zou de staatssecretaris dit eens willen bespreken met de VNG?

Gisteren nog sprak ik een wethouder uit mijn eigen regio, de FoodValley, die aangaf komende week voor het eerst, na anderhalf jaar, met een zorgverzekeraar aan tafel te zitten om te spreken over preventiebeleid en de Wmo. De zorgverzekeraar zou de FoodValley, waar bijvoorbeeld ook Ede bij hoort, een te klein verzorgingsgebied vinden om afzonderlijk het gesprek mee aan te gaan. Wat vindt de staatssecretaris daarvan? Is dit nou met het bestuurlijk overleg tussen Zorgverzekeraars Nederland en VNG opgelost?

Het rapport van Movisie is een onderzoek onder gemeenten. Daarin zien we een ontwikkeling naar laagdrempelige voorzieningen voor dagactiviteiten in de wijk. Dat is heel mooi, maar dat is niet de ervaring van de cliëntenorganisaties. Zij maken zich zorgen over de toegankelijkheid en beschikbaarheid, zeker voor specifieke doelgroepen. Ik noem de specialistische dagbesteding voor mensen met niet-aangeboren hersenletsel, mensen met dementie en de inloopvoorzieningen voor mensen met ggz-problematiek, zoals het ARC in Winschoten. Mensen zien af van dagbesteding door de hoge eigen bijdrage, zoals overigens ook in het rapport van Movisie wordt erkend. Daarnaast is er een verschraling van het aanbod. Ik zou hierop graag een reactie van de staatssecretaris willen. Mensen die verstandelijk beperkt of psychisch kwetsbaar zijn, komen moeilijk in beweging en dreigen nu toch uit het oog verloren te worden. De ChristenUnie maakt zich hierover grote zorgen.

Anderen zeiden het ook al: ik ben blij dat de staatssecretaris aan de slag is gegaan met een motie over de zorgboerderijen. De uitkomst dat gemeenten nog eens worden gewezen op het belang van zorgboerderijen vind ik wel wat mager. Wat kunnen we nog meer van de staatssecretaris verwachten?

Over de positie van mantelzorgers valt toch nog wel wat te zeggen, ondanks dat hier al zo veel aandacht voor is. De positie van de mantelzorger is nog onvoldoende in beeld bij het keukentafelgesprek. Dat moet veranderen. Herkent de staatssecretaris dat mantelzorgers worden uitgesloten als uitvoerder van pgb-gefinancierde professionele zorg? Wil hij gemeenten hierover duidelijkheid geven?

Ik ben blij met de toezegging van de staatssecretaris dat de medewerkers van Sensoor worden toegerust met specifieke kennis over mantelzorg bij dementie. Ik weet zeker dat Alzheimer Nederland daarbij graag behulpzaam is. Medewerkers kunnen dan indien nodig doorverwijzen.

De administratieve lasten zijn ook door anderen aangestipt. We krijgen nieuwe standaarden: iWmo en iJw. Dat is allemaal hartstikke goed, maar doen alle gemeenten hieraan mee? Anders blijft het toch een beetje een halfslachtige oplossing. Administratieve standaarden staan gemeentelijke beleidsvrijheid voor het ondersteuningsaanbod immers niet in de weg.

Ik kom bij mijn laatste punten. Heeft de staatssecretaris in beeld hoe gemeenten aan de slag zijn gegaan met de lokale inclusieagenda's? Het is een gemeentelijke verantwoordelijkheid, maar ik ben heel benieuwd hoe gemeenten dit oppakken.

Mijn laatste punt gaat over identiteit en zingeving. Ik lees in de brief niets over keuzevrijheid en identiteitsgebonden zorg. Wil de staatssecretaris hier als stelselverantwoordelijke wel bovenop zitten? Op welke manier wordt dit gemonitord? Juist bij het ouder worden kunnen zingevingsvragen belangrijk zijn. Ik heb eerder een amendement ingediend voor het Expertisenetwerk Levensvragen en Ouderen. De staatssecretaris had hier toen niet zo veel oren naar, maar ik zie wel dat dit in een behoefte voorziet en dat mensen die nu een beroep doen op de Wmo, eigenlijk zingevingsvragen hebben. Het gaat dan ook om de vraag achter de vraag. Wordt het niet tijd dat de staatssecretaris zijn standpunt heroverweegt? Ik ben wellicht wat vroeg, maar zou hij bij de evaluatie van de Wmo het onderdeel "zingeving" willen meenemen?

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl

« Terug

Nieuwsarchief > 2016

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari