Bijdrage Gert-Jan Segers aan het plenair debat Wijziging Mediawet 2008

dinsdag 04 juni 2013

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Gert-Jan Segers met de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan een plenair debat met staatssecretaris Dekker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Onderwerp:   Wijziging van de Mediawet 2008 i.v.m. de verspreiding van televisie- en radio-programmakanalen door middel van omroepnetwerken en omroepzenders en de vaststelling van de minimale omvang van het standaard pakket televisie- en radioprogrammakanalen

Kamerstuk:    33 426

Datum:            4 juni 2013

De heer Segers (ChristenUnie):

Voorzitter. Er is inderdaad sprake van roerige tijden voor Hilversum. Omroepen zitten in een fusieproces. Het publieke bestel heeft te maken met financiële onzekerheid. Dan is het voorstel waar we het nu over hebben redelijk bescheiden van aard in vergelijking met de grote hervormingen waar het publieke omroepbestel voor staat.

De discussie daarover hebben we binnenkort. Tegelijkertijd is de doorgifte via de kabel ook niet niks, want die raakt het bereik en de betaalbaarheid van ons bestel.Met het wetsvoorstel dat we vandaag behandelen, worden de programmaraden afgeschaft en wordt de minimale omvang van het digitale standaardpakket vergroot van 15 naar 30 zenders. Drie kwart van de Nederlanders vindt het belangrijk om invloed te hebben op het aanbod van televisiezenders in het digitale zenderpakket. Voor mijn fractie is de invloed van de consumenten op het digitale pakket van belang. Daarom is destijds ook de motie-Atsma/Slob ingediend en aangenomen, waardoor de invloed van de programmaraden zich niet alleen uitstrekte tot het analoge aanbod, maar zich ook uitbreidde tot het digitale kabel- en etheraanbod.

Ondertussen zijn de tijden veranderd, is het digitale aanbod groter en zijn er vraagtekens te plaatsen bij het functioneren van de programmaraden. Maar hoe wordt voorkomen dat pakketaanbieders uit motieven van marktaandeel en inkomstenvergroting zullen kiezen voor uitsluitend grote zenders, om zodoende aan de grootst mogelijke doelgroep tegemoet te komen? Op welke manier wordt het gevarieerde aanbod gegarandeerd? Op welke wijze worden de belangen van kleine doelgroepen behartigd?

De staatssecretaris stelt dat de inspraak via consumentenonderzoek en onafhankelijke klantenraden omslachtig is en in zekere zin "terug bij af". Leidt dit echter juist niet tot het negeren van consumenten en is dát eigenlijk niet "terug bij af"? Een belangrijke vraag voor mijn fractie is deze: waarom heeft de staatssecretaris er niet voor gekozen om een andere vorm van inspraak te organiseren in plaats van de programmaraden, die hij gaat afschaffen? Die raden weten dat klanten meer willen dan alleen de grote commerciële zenders. In Limburg bijvoorbeeld werd een aantal Duitse zenders afgevoerd, hetgeen leidde tot een stormvloed aan reacties bij die programmaraden. Hoe kan zo'n correctie in het nieuwe stelsel plaatsvinden, ook regionaal? Soms zijn die wensen namelijk ook heel regionaal.

Er zijn standaardpakketten, pluspakketten en premiumzenders, die per stuk kunnen worden afgenomen. De techniek schrijdt voort en het aandeel van analoge televisie neemt af. Dat de regering ervoor kiest om het minimumaantal zenders voor het digitale standaardpakket te verhogen van 15 naar 30, is een logisch gevolg van de groei van het aanbod en van alle genoemde veranderingen. De staatssecretaris meent dat de minimumomvang van 30 zenders de onderhandelingspositie van de commerciële zenders versterkt en bijdraagt aan een gevarieerd aanbod van ook buitenlandse zenders. Tegelijk zijn er bijna geen kleine pakketten meer. De staatssecretaris gaf zelf in de memorie toelichting aan: pakketaanbieders bieden in het algemeen een standaardpakket van 50 tot 60 televisiezenders aan. Dat is wat mij betreft een inperking van de keuzevrijheid van klanten. Er is namelijk een groep die graag een klein pakket wil. Het is de groep die analoog kijkt en zich door alle ontwikkelingen in de markt genoodzaakt voelt om van pakket te veranderen. We willen allemaal een beeld met heldere kleuren en zonder ruis. En wat betreft zenders geldt voor sommige mensen: less is more. Dat kan voortkomen uit bijvoorbeeld pedagogische overwegingen, maar ook uit de wens om een goedkoper pakket te hebben. Ter vergroting van de keuzevrijheid van klanten stelt de ChristenUnie-fractie daarom voor om het aanbod te verrijken met de mogelijkheid van een standaardpakket waarin het minimum van 30 zenders ook het maximum is. Op dit punt hebben we een amendement gemaakt.

Tot slot vraag ik in algemene zin aan de staatssecretaris of er op de kabel eigenlijk wel sprake is van voldoende concurrentie en dus van een eerlijke prijs voor het aanbod van de Publieke Omroep. Aan de ene kant is er de must-carrybepaling, die een eerlijke onderhandeling tussen de omroep en de kabelaars in de weg staat. Aan de andere kant levert de Publieke Omroep programma's aan via de kabel, waarbij het zeer de vraag is of hij daarvoor wel een marktconforme vergoeding krijgt. Ik zag de laatste winstmarges van Ziggo. Die zijn bepaald indrukwekkend te noemen. Volgens de staatssecretaris is de vergoeding die de Publieke Omroep voor alle bedrijven samen over 2011 krijgt, in totaal 10 miljoen. Dat steekt daar wel heel schraal bij af. Vandaar mijn vraag aan de staatssecretaris: hoe kunnen we gezonde marktverhoudingen bevorderen, waarbij ook de inkomsten voor de omroep zouden kunnen stijgen?

De heer Verhoeven (D66):

Ik vond het zinnetje over de winstmarges intrigerend. Wat wil de heer Segers zeggen met die winstmarges? Waar doelt hij op? Waar denkt hij aan als hij dat zegt? Of is het gewoon toevallig dat hij dat nu even noemt?

De heer Segers (ChristenUnie):

Dat is zeker niet toevallig. Ik doel erop dat er in Hilversum door programmamakers heel hard gewerkt wordt. Er worden prachtige programma's gemaakt, die soms voor een habbekrats worden doorverkocht aan mensen die er vervolgens enorme winsten mee behalen. Vandaar dat ik de staatssecretaris heb gevraagd hoe gezond die markt eigenlijk is. Kunnen wij markconcurrentie en marktwerking niet bevorderen, zodat die makers een goede prijs krijgen voor een goed product?

De heer Verhoeven (D66):

De heer Segers is het op zich dus wel eens met de analyse van mijn partij dat de verhouding tussen de verschillende spelers in de keten door al die ontwikkelingen een van de discussiepunten is waar wij het in de toekomst over moeten hebben?

De heer Segers (ChristenUnie):

Wij moeten het daar in de toekomst zeker over hebben. De D66-fractie legt een heel directe link tussen dit wetsvoorstel, de verandering van de Mediawet en de bezuiniging van 100 miljoen. Als het gaat om die programmaraden en een maximum- of minimumpakket vind ik dat wat lastig. Maar wij moeten zeker spreken over gezonde financiën, waarbij wij moeten letten op de kabel en op wat kabelaars betalen voor datgene wat Hilversum maakt. Of dat in het kader van deze wet moet, daar ben ik nog niet helemaal zeker van.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

« Terug