Bijdrage Carola Schouten aan plenair debat inzake Verdrag stabiliteit economische en monetaire unie

dinsdag 19 maart 2013

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Carola Schouten aan een plenair debat met minister Dijsselbloem van Financiën    

Onderwerp:   Goedkeuring van het op 2 maart 2012 te Brussel tot stand gekomen Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in een economische en monetaire unie

Kamerstuk:    33 319

Datum:            19 maart 2013

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Voorzitter. Dit is een bijzondere avond. We hebben zojuist gehoord dat Cyprus heeft gestemd tegen het meebetalen door de spaarders. De consequenties daarvan moeten wij nog overzien, maar we bespreken dit EU-verdrag dus in een zeer bijzondere situatie, terwijl dat verdrag juist zeer toeziet op het handhaven van de regels en van de begrotingsnormen die we met elkaar hebben afgesproken.

Wij spreken hier ook over een verdrag dat al in werking is getreden. Dat geeft ook aan dat de situatie zeer bijzonder is. Wij beoordelen dit verdrag op basis van twee elementen. Ten eerste de bekrachtiging van de afspraken over de begrotingsdiscipline. Feitelijk bevestigt het verdrag opnieuw afspraken die wij al eerder hadden gemaakt in het Stabiliteits- en Groeipact, maar we weten allemaal hoe het destijds is gegaan. Duitsland en Frankrijk zochten ruimte om juist niet aan die voorwaarden te voldoen. Dat betekende voor diverse andere landen dat ook zij de teugels maar lieten vieren. Dat had grote gevolgen, zoals we deze dagen ook merken. Mijn fractie heeft dan ook altijd gepleit voor een striktere handhaving van de regels van het Stabiliteits- en Groeipact. Wij zien dat met dit verdrag die striktere handhaving geregeld gaat worden.

Ten tweede. Het verdrag bevat echter ook een ander element. Mijn ervaring is dat je juist bij dat soort zaken altijd erg moet opletten. De verdragen lijken zich allemaal zeer te beperken tot de hoofdlijnen. Ze hebben vaak lovenswaardige uitgangspunten, maar ook hier geldt: the devil is in the detail. Daarbij gaat het met name om de vraag hoe deze artikelen uit de verdragen vertaald gaan worden in de verschillende verordeningen.

Wij hebben hier al diverse verordeningen aan de orde gehad en een aantal andere is nog in ontwikkeling. Mijn fractie heeft vaak gehamerd op het adagium: Brussel mag zeggen dat er wat moet gebeuren, Nederland gaat erover wat er zal gebeuren.

Het kabinet heeft dit uitgangspunt ook altijd gehanteerd. Ik memoreer de woorden van onze minister-president: "Wij gaan elkaar wel de maat nemen, maar niet de wet voorschrijven". Ik vraag mij af of dat voor dit verdrag ook geldt. Mijn zorg betreft dan met name de correctieve arm. Die correctieve arm van de Commissie wordt steeds langer, zo is onze zorg. Als ik kijk naar wat er zal gebeuren op bijvoorbeeld het terrein van de begrotingen die wij naar Europa moeten gaan sturen, dan wijs ik erop dat ook de Raad van State daarover al de nodige opmerkingen heeft gemaakt. Wij moeten er straks voor zorgen dat onze hervormingsagenda en begrotingsplannen al vroegtijdig in Brussel zijn, eigenlijk al voor het moment dat op Prinsjesdag de plannen van het kabinet worden gepresenteerd.

Deze verordening is nog in ontwikkeling, er wordt nog over gesproken, maar ik wil graag de inzet van het kabinet op dit punt kennen om te zien hoe dit verzoek van de Commissie zich verhoudt tot wat wij willen, maar ook hoe het in het verdrag wordt geformuleerd. Ik zie in artikel 11 toch meer ruimte, omdat wij al zo vroeg al die plannen naar Brussel moeten sturen en straks al voor Prinsjesdag onze plannen moeten bepalen. De Raad van State wijst daar ook op. Wil de minister daarop ingaan?

Straks geldt ook dat iedere lidstaat een automatisch correctiemechanisme in de wet moet verankeren. Het kabinet heeft dit gedaan in de Wet houdbare overheidsfinanciën (Wet HOF). Wij komen nog over die wet te spreken, maar mijn fractie zal de vorm van het correctiemechanisme dat het kabinet heeft gekozen, in ieder geval kritisch beoordelen. Dit mag in ieder geval niet leiden tot een forse beperking van de investeringsruimte van decentrale overheden.

De cruciale vraag in dit debat is of de minister nog steeds achter het principe staat dat ik eerder heb geciteerd, namelijk dat ons wel de maat kan worden genomen, maar niet de wet kan worden voorgeschreven. Wil hij dit nog eens bekrachtigen? Zal hij dit nog een keer benadrukken in de richting van Brussel? In welke situaties kan Brussel onze plannen overrulen? Ik hoop dat er nauwelijks van die situaties zullen zijn tenzij wij helemaal uit de pas lopen van allerlei begrotingsregels en wij de stabiliteit van de eurozone in diskrediet brengen. Ik hoop toch zeker dat de minister deze zorg kan wegnemen. Dat is bepalend voor onze beoordeling van dit totale verdrag waarvan wij het eerste element, de handhaving van het Stabiliteits- en Groeipact, wel kunnen steunen, maar waarvoor wij voor het tweede element nog een duidelijke toezegging van de minister verlangen.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.


« Terug