Herman Sietsma houdt maidenspeech in Eerste Kamer

201607 Herman Sietsmavrijdag 14 oktober 2016 22:00

Afgelopen dinsdag hield Herman Sietsma zijn maidenspeech in de Eerste Kamer, waar hij gedurende vier maanden Mirjam Bikker vervangt tijdens haar bevallingsverlof. En het ging gelijk over een mooi en politiek gevoelig onderwerp: de nieuwe Mediawet. Sietsma had een grondige bijdrage en hield een vlammend betoog voor ons pluriforme omroepbestel met onafhankelijke omroepen die in de toekomst niet mogen worden ingesnoerd door de NPO. "Ons omroepbestel met onder andere ruimte voor levensbeschouwing is een prachtige illustratie van de vrije samenleving die wij voorstaan. Daar moeten we heel zuinig op zijn."

Mevrouw de Voorzitter,

Graag dank ik u en de collega-senatoren voor het hartelijke welkom dat mij ten deel is gevallen. Ik zal slechts enkele maanden in uw midden verblijven ter vervanging van Mirjam Bikker;  inmiddels  zijn zij en haar echtgenoot verblijd met de geboorte van een zoon, David.

Vier maanden;  het is nauwelijks voldoende om ingewerkt te raken.  Toch ontstaat er al enige routine; zo is dit de 3e maidenspeech die ik heb voorbereid (velen van u kunnen dat niet nazeggen schat ik zo in); de eerste over de Ambtenarenwet was gepland op 20 september, maar dit debat werd uitgesteld op verzoek van de Kamer; de tweede, over de bijdrage veroordeelden aan kosten strafproces en slachtofferhulp was gepland op 4 oktober en werd uitgesteld, nadat de minister met nieuwe feiten kwam; dit is nu de 3e poging. Wie durft nog te klagen over gebrek aan dynamiek in de Eerste Kamer?

Ook tijdens deze vier maanden van afwezigheid van Mirjam Bikker moet het volk vertegenwoordigd worden, het wetgevingsproces doorgaan en controle op de regering plaatsvinden. Daarom heb ik met overtuiging dit mooie ambt aanvaard en zal ik mij inzetten om, namens het Nederlandse volk, mijn bijdrage aan wetgeving en controle op het bestuur te leveren.

MdV, ik hoop dat u me voor deze gelegenheid toestaat iets hoger te reiken dan alleen de concrete wetstekst. Ik heb - hoewel het anders leek - tenslotte maar één gelegenheid voor een maidenspeech en ik zal me aan de 15 minuten houden.

Het ambt

Ik sprak over het ambt van volksvertegenwoordiger en dat is meteen een belangrijke notie als we spreken over de Mediawet en de thans voorgelegde aanvulling daarop.  De taken die de overheid uitvoert zijn niet afhankelijk van een willekeurig evenwicht tussen vraag en aanbod, maar vormen een meer objectief geheel dat, uiteraard onder het politieke primaat maar tevens in onafhankelijkheid en toewijding tot de rechtsstaat,  in stand gehouden wordt.

Onze fractie baseert deze objectiviteit van het takenpakket van de overheid  niet alleen op wisselende politieke inzichten, maar ook en vooral op de regels voor geordend samenleven, die de Koning der koningen aan ons mensen stelt. De overheid behoort, voor zover binnen haar bevoegdheid ligt, “het goede” te realiseren of bevorderen en “het kwade” tegen te gaan of te ontmoedigen.

MdV, dat zijn grote  woorden! Naarmate ze stelliger worden uitgesproken zijn ook de risico’s voor autoritaire besluitvorming groter. We kunnen in de geschiedenis te zien hoe ideologieën de burgerlijke en maatschappelijke vrijheden kunnen insnoeren. Daarom hoort bij een visie op de overheidstaak ook altijd een visie op de begrenzing ervan, om een vrije samenleving niet in gevaar te brengen, een maatschappij  waarin vooral  burgers zelf de mogelijkheid hebben om aan hun roeping, die op iedere mens afkomt, te voldoen.

Omroep in een vrije samenleving

MdV, ons publieke omroepbestel is een illustratie van die vrije samenleving die wij voorstaan. In ons land kunnen  burgers zich organiseren in een pluriform geheel van omroepen met een publieke functie.

Het lijkt wel eens of de moderne interventieladder voor overheidshandelen (nl. door te beginnen bij de burger en de samenleving zelf en als overheid alleen subsidiair te handelen als dit vanuit de publieke verantwoordelijkheid onontkoombaar is) iets geheel nieuws is. Maar in feite is de organisatie van de samenleving in verenigingen, stichtingen, corporaties en andere instellingen  een beproefde uiting van maatschappelijk initiatief die de derde weg naast markt en overheid bewandelt. Zeker in de omroepsector heeft deze derde weg  tot een geheel eigen, pluriforme structuur geleid. 

De grote tijd van de verzuiling is voorbij en niet zelden wordt er schamper gesproken over de periode dat Nederland was opgedeeld naar levensbeschouwelijkheid. Wij zien in retrospectief ook de nadelen van deze periode, maar  mijn fractie wil ook met dankbaarheid constateren dat de zuilen bijdroegen aan emancipatie en zelforganisatie en dat burgers via hun betrokkenheid bij hun zuil ook vorm gaven aan idealen en daaraan inspiratie ontleenden die het algemeen belang ten goede is gekomen. De maatschappelijke kracht die de zuilen hebben gegenereerd kan niet voldoende worden onderstreept; dat zien we nu de overheid van doen heeft met een versplinterde samenleving en alles van de staat of van de commercie afhangt en veel dus ook weggevallen is. De pacificatie tussen de zuilen kwam traditioneel tot stand door het overleg tussen de leiders aan de top, waardoor de stabiliteit in de samenleving tot stand kwam. We moeten afwachten of de stabiliteit duurzaam in stand blijft nu samenwerking en afstemming door de statelijke democratie via de NPO wordt afgedwongen.

Wie van oordeel is dat niet alleen de staat, maar ook elke burger een roeping heeft om “het goede” te doen kan in de maatschappelijke organisaties, zoals de omroepen, daarvan een uiting zien. De derde weg is, zeker in aangelegenheden waarin levens- en wereldbeschouwing een rol speelt, veelal te verkiezen boven de tucht van de euro of de macht van de staat. Een resultaat ervan is ons omroepbestel dat een pluriforme samenleving weerspiegelt die uitgaat boven de maar al te vaak platte uitingen van de commerciële omroep of de spreekbuis is van de staat. En wie vindt dat ik nu te zware woorden gebruik moet in de late uurtjes maar eens zappen langs de tientallen commerciële kanalen. Wij zijn - met alle kritiek die mogelijk is - dankbaar voor onze pluriforme publieke omroep.

Regionale omroepen

Ik doel met  deze pluriformiteit dus op  de landelijke omroepen, die deels naar levensbeschouwing, deels naar programmatische voorkeuren zijn georganiseerd, maar ook op de regionale omroepen, waarin de regionale identiteit is vormgegeven.  Op enkele meters afstand van hier, vooraan  de Hof-vijver, wapperen doorgaans de vlaggen van onze 12 provincies als herinnering dat zij het waren die in 1579 in de Unie van Utrecht de grondslag voor onze Staat legden. De staat institueerde niet de regio’s, maar de regio’s de staat. Het is goed dat niet alleen een centraal, maar ook een decentraal omroepbestel functioneert, omdat dit dicht bij de leefwereld van de burgers komt. Zo wordt de macht van het centrum getemperd en de kracht van de samenleving benut en gestimuleerd.

Wij achten dit pluriforme bestel voor de publieke omroep dus van grote betekenis. Het bestel geeft aan ruim 3 miljoen leden een stem, is een forum voor discussie in de samenleving en het verspreidt kennis. Ruim 3 miljoen leden voor de omroep-democratie versus nog geen 0,3 miljoen leden voor de politieke democratie, dat mag en moet de overheid behoedzaam maken in het modelleren van de samenleving. Hoe meer maatschappelijke kracht, hoe meer de overheid op afstand kan blijven!

De aanvullingen van Wetontwerp 34 459

De publieke financiering legt op de omroepen in artikel 2.88 niet alleen het recht, maar daardoor ook de verplichting om kwalitatief werk te maken van hun taak; door serieuze journalistiek waarvan de pluriformiteit en niet homogeniteit kenmerk is, met als kerntaken informatie, educatie en cultuur.

In de prestatieafspraken met de NPO is dit verwerkt vanuit het gegeven dat publieke financiering geen vanzelfsprekendheid is, maar dag in-dag uit vraagt om gewetensvolle invulling van de programmering. Naarmate omroeporganisaties meer gaan lijken op de commerciële omroep zal het draagvlak voor publieke bekostiging wegsmelten. Uit het Jaarverslag 2015 blijkt dat de NPO een goede waardering van 7,0 van het publiek ontvangt. De Mediawet geeft omroepen echter niet een soort grondrecht op eeuwigdurend bestaan maar is een appèl op de organisaties om hun identiteit voortdurend zichtbaar te maken, in dialoog met de samenleving.

MdV, het voorliggende wetsvoorstel strekt ertoe om enkele aanvullingen in de wet van 16 maart  aan te brengen  met betrekking tot:

  1. De rol van de minister in relatie tot de NPO;
  2. De verhouding tussen de NPO en de omroeporganisaties;
  3. De publieksbetrokkenheid en
  4. De transparantie van kosten van de programmering.

Over de staatsrechtelijke aspecten van de gevolgde procedure - is dit nu een novelle of niet - is in de Tweede Kamer al veel gezegd. Ik wil hier volstaan met de stelling dat het staatsrecht de politieke dynamiek moet inkaderen, maar tegelijkertijd ook dienen. Naar overtuiging van mijn fractie is de door de minister gevolgde route weliswaar ongebruikelijk, maar niet ongeoorloofd.

Ad a. De rol van de minister tot de NPO

De rol van de overheid  ten aanzien van NPO en RPO wordt verkleind; in het licht van de prioriteit voor de maatschappelijke organisaties ten opzichte van de staat ligt het voor de hand dat deze beweging door onze fractie wordt gesteund. Wij geven hierbij wel aan dat vervanging van de invloed van de politiek verantwoordelijke minister door de niet publiek controleerbare NPO -de NPO legt immers verantwoording af aan de minister, niet aan de Kamer - niet automatisch leidt tot zekerheid inzake de pluriformiteit en kwaliteit van de omroepen.

Kan de staatssecretaris aangeven dat hij bij zijn wijze van toezichthouden op (RvB en RvT van) de NPO specifieke aandacht zal hebben voor de invulling van de pluriformiteit die  volgens artikel 2.1, tweede lid van de Mediawet de taak is van publieke mediadiensten? 

Kan de staatssecretaris in dit verband aangeven hoe hij invulling wil geven aan de motie-Bikker inzake de ter beschikking gestelde € 12 miljoen n.a.v. het verdwijnen van de 2.42-zendgemachtigden? Is het de staatssecretaris bekend dat bij de NPO de beschikbaarheid van deze € 12 miljoen lijkt te leiden tot druk op de omroepen om de levensbeschouwelijke factor op de overige programma’s te verminderen? En wil hij zijn invloed aanwenden om dat te voorkomen? Immers, de € 12 miljoen was bedoeld voor representatie van de levensbeschouwelijke stromingen.

De benoeming van omroepbestuurders - leden RvB - vindt voortaan plaats door de RvT van de NPO en RPO. Dit is ook naar het oordeel van onze fractie de gebruikelijke procedure.

Ten aanzien van de toezichthouders - leden RvT NPO en RPO -  geldt dat de RvT functieprofielen opstelt, die om advies voorlegt aan de RvB, het college van omroepen en de centrale ondernemingsraad. De benoemingsadviescommissie geeft advies aan minister OCW; deze  benoemt met marginale toets, nl. alleen afwijkend bij strijd met wet, zorgvuldigheid of andere zwaarwegende belangen. In  de behandeling tot heden is aangegeven wat onder “zwaarwegende belangen” moet worden verstaan:  zaken die het vertrouwen in de kandidaat bemoeilijken, het vertrouwen in de functie in gevaar brengen of de positie van de RvT op andere wijze ernstig schaden.

Als dit niet concreter kan, kan de staatssecretaris met enkele voorbeelden aangeven wat in elk geval niet onder dit begrip valt?  Is de staatssecretaris het met ons eens dat de benoeming van een voorzitter van de RvT NPO met een sterk politiek profiel èn een hoofdfunctie bij een andere ZBO, in dit geval van het UWV, een risico voor de onafhankelijkheid kan zijn van de omroepen en daarmee  zo’n “zwaarwegend belang” had kunnen zijn? Stel dat 1Vandaag een journalistieke bijdrage wil maken over eventuele misstanden bij het UWV, kan de staatssecretaris zich voorstellen dat de journalist er vanaf ziet vanwege het feit dat de voorzitter van de RvT van de NPO en de voorzitter van het bestuur van het UWV één en dezelfde persoon zijn? Acht de staatssecretaris dit wenselijk?

De staatssecretaris heeft een onderzoek aangekondigd naar de invloed van de overheid bij benoemingsprocedure bij publieke mediasector (NOS, NTR, Commissariaat voor de Media, Ster, Stimuleringsfonds Journalistiek).

Kan de staatssecretaris iets zeggen over de stand van zaken en de verwachte publicatiedatum?

Ad b. verhouding NPO-omroeporganisaties

Hier ligt het meest gevoelige punt van dit wetsontwerp.  Waar de omroepen kunnen worden beschouwd als uitingen van maatschappelijke zelforganisatie, is de NPO een door de overheid ingesteld orgaan dat meer slagvaardigheid, gemeenschappelijkheid en samenwerking moet produceren.

De NPO wordt in de mediawet een “samenwerkings- en coördinatie-orgaan” genoemd, en is in juridische termen te kwalificeren als een ZBO. Omdat het wettelijke taken heeft, maar ook een samenwerkingsorgaan is van de omroeporganisaties is het een hybride orgaan, waarin de omroeporganisaties hun eigen gezicht en verantwoordelijkheid hebben. In de presentatie door de NPO (zie b.v. het Jaarverslag) wordt evenwel de indruk gewekt dat de publieke omroep één centrale organisatie (de NPO) is die het aanbod bepaalt (zie Jaarverslag).

Is de minister het met ons eens dat de eigen positie van de omroepen ook publicitair en communicatief in stand moet blijven  en wil hij daarop in zijn toezicht op de NPO aandacht besteden ?

Bij deze overheidsinvloed op de omroep hoort het arsenaal aan bureaucratisch instrumentarium:  concessiebeleidsplan, prestatieovereenkomsten, profielen van aanbodkanalen, afspraken met omroeporganisaties, coördinatiereglement en begroting NPO. Het is nogal wat.

Er is over al deze instrumenten wel geklaagd, vanwege het risico op de bureaucratische effecten. Dat publieke middelen publiek worden gecontroleerd is vanzelfsprekend en daarbij horen instrumenten, zoals hiervoor beschreven.

Maar kan de staatssecretaris nog eens verzekeren dat de toepassing van al deze coördinatie-instrumenten niet ten koste gaat van de inhoudelijke autonomie van de omroepen?

Mijn fractie wil graag nog wel iets horen over hoe de bezwaar- en beroepsprocedure tegen besluiten van de NPO is.

Hoe reëel is het te verwachten dat de betrekkelijk open wettelijke  formuleringen voor deze instrumenten een realistische kans in bezwaar en beroep opleveren? Welke toetsingsgronden zal de bestuursrechter hanteren?

Ad c: publieksbetrokkenheid

De minister stelt de instelling van een Maatschappelijke Adviesraad voor die representatief is en de publieksbetrokkenheid bij de invulling van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst bevordert.

De omroeporganisaties echter hebben reeds als taak om invulling te geven aan publieksbetrokkenheid. Zij vertegenwoordigen in hun media-aanbod bepaalde, in de statuten aangeduide maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke stromingen en ze richten zich in het media-aanbod op de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke behoeften (art. 2.24 a Mediawet). Zij representeren 3 miljoen leden, hoeveel representativiteit is daarnaast nog mogelijk en hoe kunnen willekeurige leden van een Maatschappelijke Adviesraad daarin voorzien?

Waarom is hiernaast nog een Maatschappelijke Adviesraad nodig en waarom is de verenigingsdemocratie, waaraan miljoenen leden - met hun lidmaatschap en tegen betaling - vorm geven, niet toereikend en moet daarnaast door de staat nog een formele representatie van de bevolking worden georganiseerd?  Aan wie leggen trouwens de leden van de Maatschappelijke Adviesraad verantwoording af? Zijn er kosten gemoeid met hun functioneren?

Volgens het wetsvoorstel moet de Maatschappelijke Adviesraad representatief zijn qua afkomst, leeftijd, opleidingsniveau en sekse. Nu is het niet moeilijk voor te stellen hoe, op grond van deze criteria, toch een zeer eenzijdige raad kan worden samengesteld, omdat de invalshoek van de levens- en wereldbeschouwing in de criteria ontbreekt.

Is de staatssecretaris met ons van mening dat juist de levensbeschouwelijke representativiteit van de MAR zwaar zou moeten wegen en is hij bereid dat als criterium voor de representativiteit toe te voegen? Mijn fractie wil, afhankelijk van het antwoord, zo nodig met een motie verzekeren dat dit aspect van levensbeschouwelijkheid in de representativiteit wordt betrokken.

Regionale omroep

MdV, nog een enkel woord over de stand  van zaken met betrekking tot de regionale omroep. Ik heb al aangegeven dat deze ons zeer ter harte gaat. Per 1 januari a.s. is de bezuiniging van € 17 mln. ingeboekt.

Bij brief van 2 september heeft de staatssecretaris  aangegeven dat het wetsvoorstel voor regionalisering van de publieke omroepen is opgehouden.  Is er nu wel een wettelijke basis voor deze korting? Ik verwijs naar de brief van het IPO van 19 september jl., en ook naar de brief van het Samenwerkingsverband ROOS van 7 oktober aan de Kamer, waarin aangegeven wordt dat de verhouding tussen RPO en omroepen niet is ingevuld.

Is de staatssecretaris met ons van mening dat de RPO, als ZBO waarin bestuurders van de omroepen niet (kunnen) deelnemen, niet een samenwerkingsverband van omroepen zal zijn maar een “Fremdkörper” in de vorm van een ZBO?  Hoe verzekert de staatssecretaris dat de zelfstandigheid  van de regionale omroepen in tact blijft? Kan de staatssecretaris aangeven of de autonome positie met voldoende regionale binding, zoals het IPO daarvoor heeft gepleit in haar “waarborgenbrief”, nu verzekerd is? Zo ja, hoe reageert u op de uitspraak van de Brabantse CvdK Wim van der Donk, die in het kader van 40 jaar Omroep Brabant dezer dagen zei: “Den Haag, blijf hier met je poten vanaf”?

Wanneer wordt het wetsvoorstel voor modernisering van de regionale omroep nu verwacht?

Afronding

Kernvraag is of met dit wetsvoorstel een stabiele basis is gelegd voor  autonome,  vrije omroepen die effectief en efficiënt samenwerken. Het principiële debat over de publieke omroep kan niet elk jaar worden gevoerd.

Kan de staatssecretaris aangeven of naar zijn mening hiermee deze stabiele basis voor de komende 10 jaren is gelegd?

MdV, ons land wordt steeds meer een land van minderheden. Nederland heeft een beproefde traditie in het omgaan daarmee; het is niet overdreven om Nederland een gidsland te noemen, waar vanaf de 16e eeuw de traditie van geestelijke vrijheid is gewaarborgd.

Wij weten meer dan onze voorouders, omdat we staan op de schouders van reuzen staan en daardoor verder kunnen kijken, aldus Bernard van Chartres. En we staan niet alleen op hun schouders, er zijn ook giganten die op ons neerkijken, zoals vanaf het plafond van deze zaal de jonge stadhouder Willem III, één van de grootste Europese staatslieden van de afgelopen eeuwen die geheel werkte in de traditie van pluriformiteit en tolerantie van zijn over-grootvader Willem de Zwijger.

Laten we in lijn met deze traditie ook voor de toekomst werk maken van de roeping die geldt voor overheid en burgers om - de postmoderne relativering voorbij -   “het goede” mogelijk te maken, ook in ons omroepbestel.

Wij zijn nog niet geheel gerust; niet over de positie van de landelijke omroepen, noch over de positie van de regionale omroepen.

Graag wacht mijn fractie de antwoorden van de staatssecretaris af.

Labels
Eerste Kamer

« Terug