Bijdrage Carola Schouten aan plenair debat inzake Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied

woensdag 26 september 2012

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Carola Schouten aan een plenair debat met minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Onderwerp:   Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied

Kamerstuk:   32 768

Datum:            26 september 2012

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Voorzitter. Ook van onze zijde nogmaals hartelijke felicitaties. Het is fijn dat wij meteen in debat kunnen en dat u onze voorzitter wilt zijn.

Voorzitter. Het wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken is een omzetting van een richtlijn. Met richtlijn 81 wil de Europese Commissie meer grip krijgen op de aankopen op het gebied van defensie en veiligheid. Het doel is een gelijk speelveld in Europa. In theorie klinkt dat allemaal heel mooi. Wij kennen echter heel veel voorbeelden uit het verleden waarin Nederland keurig de Europese Commissie volgde, terwijl op Europees niveau eigenlijk weinig terechtkwam van een gelijk speelveld. Een gevolg daarvan kan zijn dat grote defensieopdrachten binnen andere lidstaten blijven en dat Nederland de eigen opdracht netjes openbaar aanbesteedt.

De heer Verhoeven (D66):

Mevrouw Schouten prikkelt mij nu doordat zij spreekt over een groot aantal voorbeelden en vervolgens geen een noemt. Ik hoor er graag toch twee. Ik denk namelijk dat er ook heel veel voorbeelden zijn van zaken die heel goed zijn gegaan. Ik ben gewoon benieuwd.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik kom er later nog over te spreken, maar ik kan alvast een voorbeeld noemen. Ik zie dat Frankrijk en Engeland samenwerkingsovereenkomsten aangaan om ervoor te zorgen dat opdrachten in eigen huis blijven. Je kunt het ook breder bekijken, in de hele aanbesteding. De heer Verhoeven en ik hebben samen de Aanbestedingswet gedaan. Als ik zie wat er aan Europese aanbestedingen is waarin Nederlandse partijen toch wel eens achter het net vissen terwijl buitenlandse partijen hier grote infrastructurele projecten gaan doen, vraag ik mij wel eens af of dat omgekeerd hetzelfde is.

De heer Verhoeven zal daarover ook vaak geluiden gehoord hebben uit de sector. Daar zegt men: wij krijgen geen poot aan de grond in bijvoorbeeld Frankrijk of België, terwijl wij zien dat omgekeerd partijen uit zulke landen in ons wél allerlei opdrachten binnenhalen.

De heer Verhoeven (D66):

Het is natuurlijk altijd mogelijk dat een Nederlands bedrijf bij een aanbesteding in een andere lidstaat van de Europese Unie een opdracht niet binnenhaalt. Dat kan komen door de kwaliteit van de aanbieding en het kan komen door de geslotenheid van de markt. Mevrouw Schouten probeert nu alles op één hoop te gooien. Zij zegt: als je zo'n opdracht niet binnenhaalt, ligt dat aan de geslotenheid van zo'n land. Daarmee moeten wij volgens mij heel voorzichtig zijn. Vaak zijn er prima open markten die goed functioneren, terwijl een bedrijf toch de opdracht niet binnenhaalt. Daarmee kan de Nederlandse economie juist worden versterkt, omdat er dan voor moet worden gezorgd dat de Nederlandse bedrijven zulke opdrachten wél binnenhalen. Wij moeten dus oppassen met het op één hoop gooien van het niet binnenhalen van opdrachten. Aan het niet binnenhalen van die opdrachten kunnen verschillende redenen ten grondslag liggen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Dat is uiteraard zo. Als de heer Verhoeven echter met een aantal mensen uit de praktijk heeft gesproken, zal hij ook weten dat zij hierbij heel vaak vraagtekens zetten. Zij vragen zich af hoe het mogelijk is dat Nederlandse bedrijven, die vaak heel goed zijn en een hoogwaardige kwaliteit leveren, in andere lidstaten bijna nooit een poot aan de grond krijgen, terwijl buitenlandse bedrijven in Nederland wel opdrachten binnenhalen. De heer Verhoeven kan mij niet vertellen dat dit aan de Nederlandse bedrijven of de aanbesteding ligt.

Ook bij de nieuwe richtlijn zullen de lidstaten de mazen van de wet opzoeken. Met de defensie- en veiligheidsopdrachten zijn grote investeringen gemoeid. Er is ook veel regionale werkgelegenheid mee gemoeid, niet in de laatste plaats bij toeleverende mkb-bedrijven. Ook via onderaanneming kan het Nederlandse bedrijfsleven een belangrijke positie verwerven. Het is dus zaak om alert te zijn. Het huidige uitzonderingsartikel 346 biedt mogelijkheden om opdrachten niet openbaar aan te besteden om redenen van veiligheid. De opdrachten worden, ter bescherming van wezenlijke belangen van nationale veiligheid, uitgezonderd van de regels van de interne markt. Deze uitzondering is en blijft zowel een kans als een bedreiging voor Nederland. Dit dilemma hebben enkele sprekers voor mij ook al geschetst. Volgens de minister zal er na inwerkingtreding een verschuiving plaatsvinden van benutting van artikel 346. Wat houdt die verschuiving in? Verder is vooral de vraag bij welke lidstaten die verschuiving plaatsvindt. Verwacht de minister dat de grote lidstaten meer openbaar gaan aanbesteden en, zo ja, waarop is die verwachting dan gebaseerd? Een aantal lidstaten slaagt er immers juist in om opdrachten binnenboord te houden. In de motie-Ten Broeke c.s. werd de regering opgroepen om mogelijkheden van dit artikel maximaal te benutten, vanuit het principe "militair, tenzij". Hoe wil de minister de motie uitvoeren bij de nieuwe richtlijn?

De Europese Commissie wil weliswaar marktverstoring door het compensatiebeleid terugdringen, maar in richtlijn 81 blijven uitzonderingsmogelijkheden bestaan voor nieuwe ontwikkeling van defensiemateriaal via samenwerkingsprogramma's tussen lidstaten. Ik noemde al de Frans-Britse samenwerking, waardoor deze twee landen veel ontwikkelingsopdrachten in eigen huis lijken te kunnen houden. Grote lidstaten zorgen soms met veel creativiteit voor concurrentieverstorende maatregelen. Dat zien wij in verschillende sectoren gebeuren. De scheepsbouwsector is hiervan ook een voorbeeld, zeg ik tegen de heer Verhoeven.

Voor Nederlandse bedrijven leveren de compensatieopdrachten 500 miljoen per jaar op. Juist voor Nederland is het compensatie-instrument nodig gebleken om toegang te krijgen tot moeilijk bereikbare markten. Veel bedrijven buiten Europa, vooral Amerikaanse bedrijven, zullen hun compensatiebeleid voortzetten. Dat zou een verzwakking van de Europese markt betekenen. Volgens de minister bekijkt Nederland de mogelijkheden voor samenwerking met andere landen. Wat is de stand van zaken? Zijn Nederlandse afspraken vergelijkbaar met deze samenwerking? De vraag is in welke gevallen bescherming van essentiële belangen van nationale veiligheid nodig is en compensatie is toegestaan. Nederland heeft toepassing van artikel 346 netjes bijgehouden. Van andere landen zijn deze gegevens niet eens bekend. De minister heeft toegezegd dat Nederland smart follower wil zijn. Kan dat wel zonder te weten hoe in andere lidstaten het uitzonderingsartikel wordt toegepast? Hoe voorkomt de minister dat verschillen in de nationale interpretaties van richtlijn 81 ertoe leiden dat het Nederlandse bedrijfsleven straks wordt benadeeld? Stelt hij een strategie op over toepassing van artikel 346? Ik hoor graag een reactie op deze vragen.

Ik roep de minister op om een actieve rol op zich te nemen bij de verwerving van opdrachten voor het mkb. Wil hij daarbij ook de veiligheidsindustriesector consulteren bij het vaststellen van een verwervingsstrategie voor projecten boven de grens van 25 miljoen euro? Deze partijen zijn er immers bij gebaat dat ze op de hoogte zijn van de opdrachten.

Wij zien dat deze richtlijn geïmplementeerd zal worden, maar wij hebben wel vrees voor de positie van het Nederlandse bedrijfsleven in dezen. Ik hoop dat de minister ons ervan kan overtuigen dat hij er alles aan zal doen om ook het Nederlandse bedrijfsleven en met name het mkb niet te benadelen door deze richtlijn.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.


« Terug