Bijdrage Carla Dik-Faber aan het wetgevingsoverleg Omgevingswet

maandag 08 juni 2015 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Carla Dik-Faber als lid van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu aan een wetgevingsoverleg met minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus van Infrastructuur en Milieu

Onderwerp:   Omgevingswet

Kamerstuk:    33 962

Datum:           8 juni 2015

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Voorzitter. Ook ik moet helaas de vergadering iets eerder verlaten, zo tegen 16.30 uur, vanwege andere verplichtingen in de mooie Food Valley. Ik wil de minister bedanken voor alle antwoorden die ze zowel schriftelijk als vandaag heeft gegeven. Een aantal amendementen zijn omarmd. Daar ben ik uiteraard heel blij mee. Daaronder is het amendement over de omgevingsvisie, dat inmiddels gewijzigd is doordat het in elkaar geschoven is met het amendement van de Partij van de Arbeid. Ik ga ervan uit dat de beoordeling van de minister hetzelfde blijft.

Ik wil allereerst — ik ben ook woordvoerder zorg — inzoomen op een ander deel van mijn portefeuille: het VN-Gehandicaptenverdrag. Het is mij echt opgevallen dat de minister zegt: ik heb aan de Omgevingswet niet met het VN-Gehandicaptenverdrag in mijn achterhoofd geschreven. Natuurlijk is er de bereidheid om, zodra het verdrag geratificeerd is, de wet desnoods te wijzigen, maar ik vind dit een schokkende conclusie. De ChristenUnie en de Partij van de Arbeid hebben een amendement ingediend over de toegankelijkheid van gebouwen en de ruimte direct om gebouwen heen. We zullen ook een amendement indienen over de toegankelijkheid van de openbare ruimte. Ik hoop op steun van de Kamer daarvoor. Ik weet niet of de minister weleens geprobeerd heeft om zich met een rolstoel te begeven in een winkelgebied, maar dat valt nog niet mee. In winkelgebieden staan veel terrassen, reclameuitspanningen et cetera. Ik heb het dan ook over parken. Ik zou het heel erg toejuichen als er een omslag in het denken wordt gemaakt. De Omgevingswet moet die volgens mij ondersteunen.

Dan het punt participatie. Bij grote ruimtelijke projecten — niet bij een schuur op een veld — vind ik het heel belangrijk dat burgerinitiatieven gewaardeerd en ondersteund worden. Het Rijk hoeft die initiatieven niet over te nemen, maar burgers moeten wel gefaciliteerd worden om tot een goed alternatief te komen. De voorstellen uit de Code Maatschappelijke Participatie moeten daarom verankerd worden in deze wet. We gaan nog met de minister in gesprek over de amendementen op stuk nrs. 34 en 36. Daarbij is er onduidelijkheid over de vraag of het ook betrekking zou hebben op kleine projecten. Die onduidelijkheid wil ik graag wegnemen. Dat het belang van participatie beter verankerd wordt, juicht mijn fractie toe. Mijn fractie werkt samen met het CDA aan amendementen over participatie bij windenergieprojecten, juist omdat we hierover zo vaak gedebatteerd hebben met de minister van Economische Zaken en hij iedere keer gezegd heeft: heb geduld want het komt terug bij de Omgevingswet.

Ik merk dat de minister zeer terughoudend is over de amendementen over de m.e.r. Zij heeft ze allemaal afgewezen. Ik vind dat heel jammer. Waarom zouden bestuurders en initiatiefnemers betrokken moeten zijn bij het besluit om al dan niet een m.e.r. uit te voeren? Waarom moeten burgers pas achteraf horen of er wel of niet een m.e.r. heeft plaatsgevonden? Mijn fractie staat voor een stuk transparantie en voor betrokkenheid van burgers. Het gaat om de leefomgeving van burgers en om het milieu. Wij zouden graag zien dat de minister op dat punt wat toeschietelijker is. Ik sluit me aan bij mijn collega Van Veldhoven over de m.e.r.-evaluatie.

Dan kom ik op het inpassingsplan. Volgens de minister is het inpassingsplan niet meer nodig, omdat het wetsvoorstel al voorziet in instrumenten die min of meer hetzelfde beogen. Aan de ene kant is er het projectbesluit voor concrete projecten zoals een provinciale weg. Volgens mij voldoet het projectbesluit echter niet bij het tegenhouden van ongewenste ontwikkelingen, zoals kantoorruimte of ruimte voor perifere detailhandel. Aan de andere kant zijn er de instructieregels. Daarvan is het echter de vraag of de gemeenten die gaan implementeren. Ik heb het gevoel dat we tussen het projectbesluit en de instructieregels nog een instrument missen en dat is het inpassingsplan. Ik hoor graag een aanvullende reactie van de minister hierop. Wij overwegen om een amendement in te dienen over dit onderwerp.

Ik kom op de ombudsfunctie. Ik denk even terug aan de behandeling van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Uiteindelijk hebben we de ombudsfunctie niet in deze wet verankerd, omdat we vonden dat het een bevoegdheid voor gemeenten is. Waar gemeenten de ombudsfunctie in het leven roepen, werkt het echt heel goed. Is de minister bereid om de ombudsfunctie te promoten via de VNG of andere kanalen?

Tot slot kom ik op de financiën. Ik hoorde de minister zeggen dat zij verwacht dat de uitvoering van deze wet goedkoper zal zijn. De uitvoeringslasten voor vergunningverlening en handhaving zouden omlaag gaan. Dat is goed nieuws voor burgers en bedrijven. Ik vraag me echter af waarop dit gebaseerd is. Een onderbouwing heb ik nog niet gezien en vanuit het veld heb ik andere geluiden gehoord.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

« Terug

Nieuwsarchief > 2015

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari